Kranenburgia

English

home - lexicon - links - forum - nieuwsbrief - contact

Anglisch-Nederlands Woordenboek  
 

Dixicon

woordenlijst Anglisch-Nederlands / Anglish-Dutch vocabulary



Anglisch is de hoofdtaal in de periode 150vC-1200nC in Angelland, het gebied in NO Nederland en NW Duitsland tussen Denemarken en de Rijn, waar sinds 150vC voornamelijk Angelen wonen. De Anglo-Saxon Chronicles noemen dit gebied rond 835nC Angle. Sinds 750nC arriveren ook Saxen in dit gebied. Zij komen uit Noord Polen en Pommeren in NO Duitsland en settelen voornamelijk in NW Duitsland, later genaamd Neder Saxen en Westfalen. Vandaar migreerden rond 800nC enige kleine groepen Saxen naar enige kleine grensstreken van NO Nederland. I.e.: enige oostelijke grensstreken van de provincies Groningen, Drente, Overijssel en Gelderland. Sinds 800nC wordt het oorspronkelijk Anglisch daardoor geleidelijk een mix van Anglisch en Saxisch. Dit Angel-Saxisch, of beter Saxo-Anglisch, bestaat uiteindelijk voor circa 70% uit Anglische en 30% Saxische componenten. Onderstaande woordenlijst is tijdloos, dwz ze bevat woorden uit alle tijden, inclusief Klassiek Anglisch (> PgAng). Ze is gebaseerd op alle beschikbare bronnen, van runestenen uit circa 100nC tot de Anglo-Saxon Chronicle (832-1154nC) en latere bronnen. Door de grote similariteit tussen Continentaal Anglisch en Oud Engels kan een groot deel van de Anglische woordenlijst gedateerde worden op de tijd vóór 450nC, toen circa de helft van de Coninentale Angelen migreerde naar Brittannia. Anglisch is een West Germaanse taal en als zodanig nauw verwant aan andere West Germaanse talen als Fries, Saxisch, Scandinavisch en Frankisch. Anglisch, Saxisch en Normandisch vormen samen de basistalen van het Engels. Anglisch, Saxisch, Frankisch en Fries vormen samen de basistalen van de Nederlandse taal.

Anglish is the main language in the period 150BC-1200AD in Angelland, the area in NE Netherlands and NW Germany between Denmark and the river Rhine, where since 150BC mainly Anglish people dwell. The Anglo-Saxon Chronicles call this area around 835AD Angle. Since 750AD Saxons arrive in this area as well. They come from North Poland and Pommern in NE Germany and settle mainly in NW Germany, later called Lower Saxony and Westfalia. From there around 800AD some small groups of Saxons migrated to some small border regions of NE Netherlands. I.e.: some eastern border areas of the provinces of Groningen, Drente, Overijssel and Gelderland. Since 800AD original Anglish therefore becomes gradually a mix of Anglish and Saxon. This Anglo-Saxon, or rather Saxo-Anglish, consists finally for around 70% of Anglish and 30% of Saxon components. The vocabulary below is timeless, i.e. she contains words from all times, including Classic Anglish (> PgAng). She is based on all available sources, from runestones of about 100AD to the Anglo-Saxon Chronicle (832-1154AD) and later sources. Because of the great similarity between Continental Anglish and Old English a great part of the Anglish vocabulary can be dated back to the time before 450AD, when about half of the Continental Anglish migrated to Brittannia. Anglish is a West Germanic language and as such closely related to other West Germanic languages as Frisian, Saxon, Scandinavian and Frankish. Anglish, Saxon and Normandish together form the basic languages of English. Anglish, Saxon, Frankish and Frisian together form the basic languages of the Dutch language.

Codes: A=Anglisch :A=Anglisch AH=Achterhoek AS=AngelSaxisch AV=AfgeleidVan AVA=AfgeleidVanAnglisch avs = achtevoegsel Ax=Anglicana bn=BijvoeglijkNaamwoord BT=Betreft BU=BijUitbreiding bz= BezittelijkVoornaamwoord DT=Duits ES=EngelsSlang/Streektaal ev=enkelvoud EZ=ElzasDuuts Fr=Fries HAG=HistorischAnglischGebied HZ=GrootHezenland ivm=InVerbandMet LB=LetterlijkeBetekenis ld=lidwoord LM=Liemers LT=Letterlijk LV=LatereVorm LW=Litouws Lx=Lexicon(A-Z) MA=ModernAnglisch ME=ModernEngels ML=Maleis MO=MogelijkOok mv=meervoud mvA=MeervoudVanAnglisch NL=Nederlands NWD=NWDuitsland OAS=OudAS OB=OudsteBetekenis OE=OudEngels ON=OudNederlands NA=AS Pg=pagina PV=PersoonlijkVoornaamwoord sn=synoniem SW=Stellingwarfs TW=Twente tw=telwoord VB=voorbeeld vd=VoltooidDeelwoord VW=Veluwe VL=Vlaanderen vv=vervoeging wv=werkwoordvorm ww=werkwoord ZA=ZieAldaar ze=ZieEventueel ZF=ZuidAfrikaans zn=ZelfstandigNaamwoord zt=zoekterm >A=ZieAnglisch []=uitspraak {}=vervoeging;etc *=mogelijk @=dubieus #=soort,bron



a::
A [aik] (Ah, Ick) = ik
a (av, o) = altijd, voor altijd
a- = ge-; AS e-
a- =A ar-
aa (awa) = water; ML ajar
abbaye = abdij
abbod = abt
abel = geschikt, bekwaam, handig
abele = abeel = zilverspar; ON abele
abeodan = aankondigen
abidan = wonen, afwachten, verblijven, verdragen; ON verbijden; ME abide
abitan = verslinden, verbijten; AS verbieten
ablendan = verblinden
abugan = afbuigen, buigen, zwenken; AS afbugen
ac (aek) = eik; ON eek, heek, hyek
ac (and) = ook, en
aceran = eikels rapen; ON akeren
aca = aak; > naca
acan = ww ernstig pijn lijden; zn:A aece
acennan = dragen van een kind
acer =A aecer
acolian = afkoelen, koud worden
acre (acer, aecer) = akker, veld
acreblom = akkerbloem
acrebow = akkerbouw
acrebour = akkerboer
acrecrod = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid
acreland = akkerland
acreman = landbouwer
acwellan = doden, vermoorden
acwencan = uitroeien
acweorna = eekhoorn
-ad (-ta) = -te; iets wat ergens veel voorkomt; vbA stillad = stilte; drugad = droogte
-ad = -d, -ed, -et, -t; voltooid deelwoord van werkwoord
adele = aalt, aal = mestvocht; VA NL adel; NB "adel stinkt"
ader = of; ON eder, edder; ASoud ader, eder; >A ohtthe
adesan = etsen; ME adze
adh =A ath
adrincan = verdrinken
adune = beneden, omlaag; > dune
ae = wet
aec (ac, aek, ock) = eik; ON eek, aek, heek, hyek; AS eek
aece = zn ernstige pijn, enrstig lijden; ww:A acan
aeccel (aecer) = eikel (vruch van eikeboom); AS ekkel
aeccelwyrm = meikever; AS ekkelwurm
aecer (aeccel) = eikel (vrucht van eikeboom); ME acorn; ccx
aecer (acre) = akker
aecwaeter = eikewater; AS eekwater
Wordt gebruikt om linnen bruin te kleuren. > smudda
aedel = zn adel
aedele = bn adelijk
aedre = adder; > naedre
aef (fan) = of, van; AS of; ME of; MA af
aefaestness = vastigheid, geloof
aefen = avond; ASoud avent
aefenglomung = avondgloed, schemering
aefnian = avond
aefre = altijd, steeds; ME ever; >A naefre
aefre aelc = ieder, iedereen
aeftan = vz achter
aefter = achter, achteraft, achterna, volgens, door; ON: after, efter; > eftir
waen aefter ran = de wagen reed achter
aefterbaec = bn+bw achterbaks
aeftertiadae = nadien
aeg {mv aegas} (ey) = ei; ME egg
aeg >A eag = ieder
aegan (agan) = ww bezitten
aegan (agan) = bn eigen; AS/Gro aigen
aegenere (agenere) = eigenaar; AS/VWoud eygener
aegas (eyan) = eieren
aegbour = eierboer
aeghwelc (eaglic) = ieglijk, iedereen
aegmond = eiermand
aegther = ieder, elk, beide
aeghwaether =A aegther
aehan = bezitten, hebben
aeht = bezit, eigendom
aek (ac) = eik
aekta = veld met veel eiken; AS eekte
ael = aal, paling (# vis); ASoud ail
ael = altaar, tempel, offerplaats > PgAng/Ael
aelan = verminderen, verdwijnen, wegkwijnen
aelc = elk, ieder
aelda (olla) = al de, alle
aelda barnum = al de gebaarden (geborenen) > PgLing/Caedmon
aelest (bifot) = aalst; # bijvoet, kruid
aelf = elf, elve = mytholigusch wezen
aelfbenc = elfenbank = soort boomzwam
aelhista (alhista) = heiligdom
De naam Elst in de Overbetuwe is daarvAn afgeleid. Daar stond kennelijk ooit een Anglisch heiligdom.
aelhorn =A ellaern
aeling = overig; ON aling
aelmesse = aalmoes
aelmessere = gelbuidel; ON aelmoesenere
aelmette (eamp) = mier; ON ameise
aelmihtig = almachtig
aem (attam, braeth) = adem; ON aem
aem = water, rivier; ON aam, eem
aem (oem) = 150 liter (inhoudsmaat voor wijn)
aembre (baernstin) = amber = barnsteen
aembrestin (baernstin) = ambersteen
aemetig = gemakkelijk
aemetta = gemak
aemlup = zn voorspoed > PgAng/Weven
aen (an, on) = vz aan; AS oan
aend (aened, ened) = eend
aened (ened) = eend
aendman = eendenman, -houder, -handelaar
aenganc = zn begin; ON aenganc
aengeland = eigenaar van aangrenzend land, eigenaar van land grenzend aan weg, dijk, wetering, e.d.
Aenglisc (Anglisc) = Anglisch
aengul = bn egaal, gelijkmatig; AS aengol
aenholt {mv aenholts} = herberg, pleisterplaats, uitspanning; AS anholt
Uitspanning = plaats waar paarden uitgespannen kunnen worden en verwisseld met met uitgeruste paarden. > PgAng/Reizen
aenholtan = ww aanhouden, aanleggen
aenig (enig) = enig; ME any; > naenig
aens (elcor) = anders; AS aens
aenta = tante
aeppel = appel
aeppelaere = appelgaarde = boomgaard met appelbomen; ON appelare
aeppeltere = appelboom
Aeppledore =A Aeppeldore
aer = bw eer, vóór, voordat; ME ere
aer (ar) = zn eer
aercebiscop = aartsbisschop
aerende = gerucht, bericht, boodschap
aerendraca = boodschapper
aerest = eerst, eerste
aerestan = eerste; ASoud ersten
aerfe (ierfe, yrfe) = erfdeel
aerist = herrijzenis
aerle =A alor (els; # boom)
aerlic = eerlijk
aerlicniss = eerlijkheid
aern = plaats, locatie, plek
aerne = vroeg
aernemergen = smorgensvroeg
aerpel =A earpel
aerthaemthe = voordat
aerthonthe = voordat
aes = zn aas
Aesc = mansnaam
aesc =A aess
aesc = oorlogschip gemaakt van essenhout
Aescwine = mansnaam AVA aesc (es) + win (vriend) =A Aswin; NB Azewijn
aesp = esp (# boom); AS espe
aess = es (# boom); ON ase, aze; ME ash
aet = ad, te, bij
aet =A aen + tho = aan 't
aet spraece = ter sprake, aan het spreken
aetbregdan = wegnemen, jatten
aeteowian = vertonen, showen
aetforan = tevoren, van voren
aetgaedre = tegader, bij elkaar
aetiewan = vertonen, aantonen, showen, blijken, verschijnen
aethel (ethel) = adel, edel
aetheldom = adeldom
aethelic = adellijk, edel
aetheling = edeling
aetlan = adelijk
aetlan leodum = adelijke lieden
aetlicgan = ww luieren
aetren = giftig
aetsamne = tesamen, meteen, direct
aevan (efne) = even; AS/LM aeven
aex = bijl; AS ax, axe; ME axe
afaran = afvaren, wegvaren, weggaan, vertrekken
afeallan = afvallen, neervallen
afel (yfel, ofel) = euvel, slecht; ON avel
afer (ofer) = vz over; ON aver, aever; ASoud aver
VB Avervoorde (Terwolde) = over de voorde
Aferysel = Overijssel
affere = affaire, zaak; ON affere
afleaman = wegjagen, verjagen
afrian (frian) = bevrijden, vrijalten
afrude = citroenkruid; ON averude, afrude
afslegan = afslachten
afslog = afslacht, afslachting
afugar = avegaar = grote houtboor; > nafugar
afylan = bevuilen
afyrht = bevreesd, bang
afyrthan = vrezen, bevrezen, bang zijn
agan (aegan) = eigen
agan (aegan, agnian) = ww bezitten
agan (befallan) = ww gebeuren
agen = eigen; AS/Gro aigen
agenere = eigenaar; AS/VWoud eygener
agendom = eigendom
agenhad = eigenheid
agiefan = afgeven, opgeven, overgeven aan
agnian = bezitten, eigenen, toe eigenen
agu = ekster
Ah [aik] (A, Ick) = ik
ah = af
ahebban = verheffen, opstaan
ahefde = verhief (vt ahebban)
ahieldan = hellen, buigen, neigen; >A hieldan
ahneapan = afknijpen, afplukken; AS afkniepen
ahreosan = neervallen; >A hreosan
ahrissan = opschudden; >A hrissan
ahta =A eahta
ahte = echte; >A agan
ahton = ww echten; >A agan
ahwaedher = elk van beide
ahwaer (oferal) = overal
ahyrian = afhuren; > hyrian
aiw = eeuw; SW iew
aiwig (ece) = eeuwig; AS/Gro aiwig; SW iewig
al (ol, olla) = al, alle; ON ol(la), al, alle; ME all
-al = -achtig
Aladna = Aladnaweg in Aalten = AVA Ael (altaar, tempel) + ladna (weg naar). Dus: Aladna = AVA Aelladna = de weg naar het altaar/offerplaats i.c. aan de Romiendiek.
alaeg = vaak
ne alaeg = niet vaak, soms
alca = alk (# zwemvogel)
ald (eald, aold, ould, auld) = oud; ON old; AS ald, old, ould; ME old
Aldensele = Oldenzaal
alderman =A ealdorman
alecgan = afleggen, neerleggen, wegleggen; >A lecgan
aler =A alor
alhista >A aelhista
aliesan = loslaten, los maken, verlossen
aliesend = bn verlossend; zn verlosser
allmectig = almachtig
allmehtig =A allmechtig
allane = alleen; ON allene
allanig = allenig, alleen
allaniss = alleenheid
allansum = eenzaam
allansumniss = eenzaamheid
allswa (alsa, as) = alsware, als
almandyt = almandiet = halfedelsteen
alor (aler, aerle, elle) = els (# boom); ME alder
alreadig = alreeds, reeds; ON alrede
als (allswa, alsa) = als; AS as; EZ ass; ME as
alsa (allswa, as) = alsdat
also = zoals
alte- = alte- = al te
altefeor = alteveer = al te ver, te veraf
alteneah = altena = al te na, te dichtbij
althid = altijd; AS altied
althomid = samen, bijelkaar, totaal; AS/VWoud altemet
alu (ealu) = eel = bier met weinig hop; ME ale
alwaegs = altijd; ME always
amber (eymmar) = zn emmer; >A eymar
ambilt (onfilti) = aambeeld; ON aembelt
amna =A emna
ampna =A empna >A emna
an (ane) = tw één, een, ene, dezelfde, alleen, etc; AS un; SW ien; EZ e
an (aen, on) = vz aan; AS an, oan; SW an; EZ an
-an {bij ww} = -en
-an {bij zn} (-er) = -en = van, horend bij
Anc- (Ang-) = Ank-
NB Ankland (Angeln) en Ankehaarveld bij Peest in NW Drente.
ancenned = enig geborene, enig kind
ancleow = zn enkel; ON anclu, ancalu, ancluw, ancaluw
ancor = anker
ancorn = eenkoorn (# gewas)
ancorsmidh = ankersmid (# beroep)
and (andu, ond, ac) = en; ON ende; AS/oud and, ande; EZ un; MA and
and- = ont-
andbidian = ontbieden, afwachten
andel = aandeel, 1 deel; ASoud endel
andettan = bekennen
andgiet = aangaande, betekenis, begrip
andswarian (andwortan) = ww antwoorden
andswaru = zn antwoord
andu =A and
andweard = aanwezig
andwlita = gezicht, aangezicht
andword = antwoord
andwordan (andwyrdan) = antwoorden
andwyrdan =A antwordan
ane (an) = één (tw), een, ene; ON ene; AS/Gro ain(e); ME one
ane while = een wijle, een ogenblik; ON ene wile, wijle
anes = eens, eenmaal, ooit
anfangan = aanvangen, beginnen
Ang- (Anc-) =A Eng-
anga (onga) = punt, stekel
angar = weiland, grasland; ON anger
angast = angst
Angel (Engel, Ingel, Ongel, Ungel) = Angel (stamlid Angelen), Angeln
angel (angul, ongel, hoc) = haak, vishaak, spits
angel = schuthaar aan aar van rogge, haver of gerst; AS angel
angel = dunne lat om reet of spleet te dichten (OudZeeuws)
Angelcynn = Angelvolk, Angelen
Angelslengi (Angeslengi, Engislingi) = Enzelens/Garrelsweer in NO Groningen.
Angelrade = Angelrode = ontgonnen land waar Angelen wonen; > rode
Angelslengi =A Angelslengi
Angham (Anglum, Englum) = oord waar Angelen wonen
anginn = aangaan, beginnen
Angla = Anglisch, Angelen
Anglaland = Engeland
anglan = ww hengelen
angle = hengel, vishaak
Angle (Engle, Ingle, Ongle) = Angel
Angle (Englum, Engle, Ongle) = Angelland = land der Angelen
anglere = hengelaar
Anglia = land der Angelen
Anglian = Angel, Anglisch
Anglisc (Aenglisc) = Anglisch
Anglo = Angel, Anglisch
Anglum = (Englum, Angham) Angelham = oord waar Angelen wonen
Angol (Ingol) = Angel, Anglisch
angol (angul, ingol, ungol, haecce, hoecce, picchoc, sciphoc, piccaex) = pikhaak, pikhouweel (# gereedschap, werktuig, wapen)
angol (# wapen) = rechte heft met haak aan de top
NB ML ongol = gebogen stukje deeg > Ongle
angolstaef = angolstaf = staf met soort angol als kop > PgAng/Angolstaf
angolsticc = angolstok = wandelstok met haakse (rechte) handgreep; werd o.a. tevens gebruikt om op deuren te kloppen of als slagwapen tegen agressie.
angon = speer, lans; ML herder > PgAng/Angon
angrislic = afgrijselijk, verschrikkelijk
angul (ongel, hoc) = hoek, haak, angel, hengel, vishaak; ON angel
angulan = hengelen; AS/ON angelen; ME angle
angulere = hengelaar; >A -ere
angwisse = kwelling, smart, pijn
animan =A anniman
anlaecan = aanleggen (boot), aanbinden, verbinden, vastbinden, verenigen
anmod = aanmoed, neiging
anmodan = aanmoedigen; ASoud anmoodn = toedichten, toeschrijven
anmodlice = aanmoedigend
anniman = aannemen
anraed = aanrading, advies
anraedan = aanraden, adviseren
ansien = zn aanzien, verschijning; AS anseen
ansien = ww aanzien, onder ogen zien; AS anseen
ansund = gezond, helemaal, onbeschadigd
anweald = bestuur, bestuurder
aold (eald, ald, ould) = oud; AS aold
apa (awa) = water
ape = aap
apostol = apostel
ar = vroeger; ON eer; >A arlice
ar (aer) = zn eer, gratie, genade
ar (or) = bw eer, voordat, eerder
ar- = ver- = aan, af, op, uit, etc
-ar = -er (VB groter, mooier, etc)
ara = rivier, beek
araed = gereed
araednes = gereedheid, gesteldheid
araeran = rijzen, oprichten, bouwen
aran (earn, eagle) = zn arend, adelaar
aran (arnan) = ww stromen (# water)
aran (bennan, sinan) = ww zijn
arce (earc) = boog (# gebouw); ON arke
arce = gewelfde oven; ON arke
arce = boog (# wapen)
arcman = boogschieter; AS arkman
-ard (-art) =A -ert
arian = eren, sparen, besparen
ariman (rekanan) = rekenen, berekenen, ramen
arimed = rekenkunde
arimedlicu = berekenbaar
arisan = rijzen, opstaan
arleas = bn eerloos, slecht
arleasniss = eerloosheid, slechtheid
arlice (AVA ar = vroeg) = bn vroeg; ME early
arm = zn arm
armey = leger; ON armeye
arnan (aran) = ww stromen, vlieden (# water)
Arnleag = mansnaam: LB aran(=arend) + leag(=sjamaan)
arod = snel, direct, flink, stoer, dapper
arodlice =A arod
arsatere = arts, heelmeester, geneesheer; ON arsatere
arsatery = artsenij, heelkunde, geneeskunde; ON arsaterie
arsedy = medicijn, geneesmiddel, tovermiddel; ON arsedi
-art (-ard) =A -ert
arwe (earh) = pijl; ME arrow
arweorth = zn+bn eerwaarde
arweorthig = bn eerwaardig
arword = zn erewoord
as = zn god, godheid
as = bw als, toen; AS as
as (alswa) = als, zoals; AS as
asce (eax, axe) = as; o.a. gebruikt als bemesting van land; ME ash
ascfaet = opslagplaats voor as; AS/VW assevat >A faet
ascfeager = asveger = borstel om as weg te vegen
ascian (fraegan) = eisen, vragen
ascufan = aanschuiven, vertrouwen; AS anskoeven
ase- =* god, godheid; NB Aswin, Azelo/Borne, Azewijn, Azeven/Appelscha
asendan = toezenden
asettan = opzetten, bouwen
asmeagan = overleggen, nadenken
assa (esol) = ezel
ast = vuur
-ast = -ste; VB eerste, grootste, etc
Deze uitgangsvormen komen alleen voor in het Nederlands, Engels en Anglisch.
astelidan = verbranden; > PgLng (Caedmon)
astleac = astlook (# bieslook)
astreccan = uitstrekken
astyrian = aansturen
aswaeman = weggaan
Aswin = mansnaam =A Aescwine
ate (haefar) = haver; ME oat
ateon = trekken, uittrekken, uitnemen
ateorian = falen, wegvallen
ath (adh) = eed; ME oath
athweran = roeren
atrendlian = rollen
attam (aem) = adem, nevel
attaman = ww ademen
attan (ettan, etan) = ww eten; AS etten, atten
Attem = Hattem/Veluwe
Attembrook = Hattemerbroek/Oldebroek
atting = voedsel, onderhoud, kostgeld; ON attinghe
auck (ock) = ook; ON ouc, oick
Augustus = Augustus
auld =A eald
av (a, aefre) = altijd, voor altijd; ME ever
awa (apa, aa) = water
await = wacht, wachtpost, schildwacht, bewaking, nachtwake; ON awaet
aweallan = uitzwermen
aweccan = ontwaken, wakker worden
awedan = gek worden
awendan = aanwenden, omkeren, vertalen
aweorpan = toewerpen, verwerpen, afwijzen
awerian = verweren
awestan = verwoesten, woest (onontgonnen) laten
awiergan = vervloeken
awierged = vervloekt
awiht = iets
awritan = schrijven, copiëren
awyrtwallan = ww wortelen
axe =A asce
aynde = zn einde; ON ende; AS/Gro ainde
ayne = zn einde; AS aen, aan; ASoud ane
Komt o.a. voor in plaatsnamen: Ane (Drente), Eindhoven, Westeind, etc. Betekenis: locatie aan het einde van iets.
ayse (eyse) = gemak
ayseofa = gemakzucht
aysig = gemakkelijk
ayt = altijd, steeds; AS ait
 
b::
bac = zn bak, waterbak
bac = vz achter
baca (mearc) = baken, grens; AS bake, boak
bacan = ww bakenen, afbaken, begrenzen, afgrenzen
bacan = ww steunen, ondersteunen, dekken
bacan =A baecan
bacbord = zn bakboord, achtersteven van schip
bacc (bac) = vz achter, achteraf
baccan =A baecan
bacchus (bachus) = achterhuis; AS bakhuus
bacere =A baecere
bacery = bakkerij
bacheler = jonge edelman; ON bachelear
bachus (bacchus) = bakhuis, bakoven; AS bakhuus; staat op erf
bachus = achterhuis = bijgebouw met stal; AS achterhoes; ASoud bakhus
baciser = braadpan, wafelijzer; AS bakieser
bacsten (bric) = baksteen
bactand = zn kies (# lichaam); ON bactant
bactune = achtertuin
badde (baeddel) = bn slecht
badgerd (badgeard) = das (# dier)
badgeard =A badgerd
badniss = slechtheid
baec = zn rug
baec = bw terug
baecan (bacan, baccan) = bakken; ON baken
baecere = bakker; ON backere
baecery = bakkerij
baecestre = bakker
baeco = bacon, spek; ON bake
baeddel (badde) = bn slecht
baeka (mv baekas; sn beacan) = baken, straatlicht; AS boake
bael = zn baal
baela {mv baelas} = bedelaar
baelan = balen, bedelen
baene = baan, weg, vlakte, slagveld; ON baen, bane
baer = bn baar, puur (VB baar geld), -baar (VB draagbaar)
baer = zn baar; >A baerwe
baere =A baer
baerg = zn berging, bergplek, schuilplaats
baergan = ww bergen, verbergen, bewaren
bearlic = bn baar, puur
baerlic (gorst, bere) = zn gerst; ME barley
baerman = medelijden hebben; ON barmen
baermheortig = barmhartig; ON barmhertich
baermheortigniss = barmhartigheid
baern = brandhout
baernan = branden; ON barnen; ME burn
baerne = zn brand
baerning = brandstof; ON berninghe
baernstin (aembre, aembrestin) = barnsteen
baernte = veld waar brandhout wordt gehaald; ON barnte
baeran (beran) = dragen
baers = bn kaal, bloot, bosig, nors; AS bars
NB Barsdijk in Ziewent.
baerwe = zn draagbaar, lijkbaar; AS barwe, baarwe
baes = baas, vriend, gezinshoofd; ON baes
baest (bast) = bast
baestan = bn van bast
baeth (bathu) = bad (# ww baden)
baets = zn schop, schep; AS batse
baey = baai, hemd; ON baay; AS boai
baft (=be+aeftan) = achtersteven van schip
bagert = huichelaar; ON bagaert
bagge = bagage, tas, zak
baggpipe = doedelzak (# muziek)
bairn (cind) = kind; AV baren
bal = zn bal, bol
bal = bal, dansfeest
balc = balk; ON balc
balca = balk
balcan = blaffen; ON balchen
balchund (waecdog) = waakhond; ON balchhont
bald =A buld
balder =A bulder
baldercrod = balderkruid, balderiaan (# valeriaan)
Ballard = Bollert (mansnaam)
balsme = balsem; ON balseme, balsom
ban = been, bot; ME bone
bana = dood, moord
band = band
banham = beenham = gerookt rundvlees
bantholt (mv -s) = bandhout = dunne repen buigzaam hout; o.a. voor tonnen
Bantum = Mariënberg/Vecht in Salland
banwyrhta = beenwerker, uitbener, slager
bar (bere) = ever, beer (mannetjesvarken)
bar (bere) = beer (# wild dier), manlijk zwijn, stormram; ON bere, bare
bar (ber, bever) = bever >A bever
bar = bn bar, erg, vreselijk
baran = ww baren
barbar = zn barbaar
barbara = bv barbaars; ON barbe, barbariën
barbur = barbier, chirurgijn; ON barbar
barce = bark (# lichte boot van hout); ON barke
barcian = blaffen
barclaw = bereklauw (# plant, gereedschap)
barde = bard, troubadoer
barliban = duivel; ON barlibaen, barlebaen
barnum = gebaarden, geborenen; > aelda barnum
barra = bn bar, droog, onvruchtbaar
barre = zn slagboom, barrière
Bart = Bart (mansnaam) AVA Bartel
bart (bert, bort, bord) = hout, plank; ON bert, bart, bort
NB De Bart = weg bij DeValk/Wekerom
bart = houten brugdek
barta = brede bijl
Bartel = Bartel (mansnaam) AV Barholomeus
bartel (raefter, tengel) = houtschroot, brandhout
Barteld = Barteld (mansnaam) AVA Bartel
bartelere = plankenmaker, schrootmaker; ON barteler; NB Bartelerweg in Haaksbergen
barteling =A bartelere; ON barteling; NB Bartelingweg in Neede en Hengelo Ov
bartelt = ON barteld = plek waar bart (hout) liggen
barun = baron, edelman; ON baroen
barwa = zn berg, baar, grafheuvel
barwan = ww dragen
basile = basilicum (# kruid)
basone = bazuin; ON basune, basone; AS basoon
bast (baest) = bast
bat (bot, bote) = boot
bataet = bataat (# zoete aardappel)
bathe = bad (# bade)
bathian = ww baden
bathhus = badhuis
batholy = badolie
bathu (baeth) = bad
battan = ww slaan, strijden, vechten
battan = zn soort balspel
batte = slaghout, knuppel
battel = strijd, veldslag
Battum = Bathmen/Deventer
bay = bn roodbruin (# kleur)
bayard = roodbruin paard; ON bayaerd
baye = laurierbes; ON baye
be [bi] = bij, over, betreffend, volgens, in; AS bi
beacan (mv beacans; sn baeka) = zn baken, straatlicht, vuurbaken, teken
Baken = ijzeren mand op een paal. In donker werd de mand gevuld met blokken hout, die aangestoken werden. Zulks diende als straatverlichting of als soort vuurtoren.
bead = zn bod, aanbod, gebod
beag = buging, bocht
beag (torcca) = torque (# arm-, halsband van goud)
beagan (biegan, bugan) = ww buigen
bealca = balk
bealcge = balg, buik; AS balg, boek
bealcge = bult, heuvel, weide; ON belc
beald =A buld
bealder =A bulder
bealluc = bal, testikel
bealt (bylt) = belt, bult, hoogte, heuvel
bealtar = belter = veld met veel belten
beam {mv beamas} (treo) = boom, balk; ON boem
beamas = zn bomen
beamgaerd = boomgaard; ON boomgaert
bean {mv beanas} (benn) = zn boon (# peulvrucht)
beanas = zn bonen
bear (baer) = baar, bed; AS berre
bearan = baren, dragen
beara = huis, schuur; AS/Gro bere
beard = baard
bearg = barg = gesneden varken
bearn = geborene, baby, kind
bearth = schittering, twinkeling
bearthan = schitteren, twinkelen
beast = zn beest
beast = bn slecht, erg; AS biest
beastar = bn biester (bijster) = slecht, erg; AS biester; VB biester weer = slecht weer
beastmaerct = beestenmarkt
beat = zn slag
beatan = slaan, verslaan
bebeodan = bevelen, commanderen, aanvoeren
bebyrgan (byrgan) = begraven
bec =A bok
becca = steekwapen
bece =A beck
beck (bece, bace) = beek; ON beck; AS bek, bekke
beclyppan = ww vastklampen, omarmen
becuman = ww bekomen, aankomen, arriveren; AS bekommen
becuman (wurdan) = ww worden
bedaelan = bedelen
bedeccan = ww bedekken, versieren
bedelfan = bedelven, begraven
bedd = bed, slaapplaats
bedd = plek waar hoenders een zand- of zonnebad nemen
beddcladh = bedkleed, beddesprei, deken; ON beddecleet
beddnot = bedgenoot, echtgenoot; ON beddegenoot
beddpanne = bedpan = pan met lange steel voor hete kolen om bed te warmen
bedu = bede, verzoek
bedudan = beduiden
befaestan = vastmaken, begaan, vertrouwen
befallan (agan) = gebeuren; ON ghevallen
befealan = bevelen
befelan, befelad, befolan; Ick befela, ye/he/se befelat, we/ye/se befelan; Ick befolad, etc; Ick hev befolan
befician = ww bedriegen
beforan = bevoor, tevoren, voordat; ON bevoren
began = ww begaan, beoefenen
begann = begonnen
begdan = ww verwekken, voortbrengen, veroorzaken
begeat = begaat, krijgt
begen = beide(n)
begeond (AVA geond = ginds) = voorbij, over
begietan = krijgen, verkrijgen; >A gietan
beginnan {begint, began, begon} = beginnen
behatan = beloven
behausing (behusung) = behuising; ASoud behausing
beheafdian = onthoofden
behealdend = behoudend
behofian = behoeven, hoeven
behoran = behoren
behorig (gehorig) = behorend
behorsian = paard afnemen of afpakken
behreowsian = berouwen
behusung (behausing) = behuizing; ASoud behusung
behydan = behoeden, verbergen, verstoppen
belaewan = belazeren, verraden
belaf = verblijf
belafan = blijven, verblijven
belcg =A bealcge
beleapan = belopen, oplopen
beliefan = beloven, geloven
belifan = blijven
bellan = ww bellen, aanbellen
belle = zn bel
belucan = sluiten; >A luca
ben (bun) =A caer
benc = bank, oever; ASoud benck; ME bank
bend = bocht, bond; ON bente
NB "In de Bente" = gehucht bij Dalen/Coevorden (kaart HTN/19 1773); ligt precies in een grote bocht.
bendan = ww buigen
beneothan = vz beneden
benet (beonet) = bentgras, riet; AS bunt; ME bent
benn {mv benna} (bean) = boon (# peulvrucht)
NB Benneveld (Drente) wordt in acte Ao 1276 "Boneveld" genoemd.
benn = mand, korf >A binn
bennan {is, waes, west} (aran) = ww zijn; AS bennen
bent =A bend
beo = zn bij (# insect); ON bey; AS bie
beocepere = bijenehouder, imker
beocepery = bijenhouderij, imkerij
beodan (bidian) = ww bieden, aanbieden, gebieden
beofor = (bever) bever
beoforhuntere = beverjager
beolene = bilzenkruid
beomaerct = bijenmarkt
beon = geweest
beonet (benet) = bentgras, riet; ME bent
beor (alu, ealu) = bier
mv beors = bieren; ASoud biers
beorcruce = bierkruik
beorc = berk (# boom)
beorc = bark (# boot)
beorcan = ww blaffen
beorchaga = berkenhaag; AS/LM/Aerdt berkhaag
beorg = berg, heuvel
beorg = borg, burcht, bergplaats, schuiloord; AS burg, berg, barg
beorgan = ww bergen
beorht = bn helder, stralend, schitterend, eerlijk, nobel
beorhus = bierhuis
beorm = gist, bierdroesem; rrx
beorth >A beorht
beost = biest; AS biest = ruw
beot = bot, grof, dreigend
beotlic = bot, grof, dreigend
beoton =A beatan
beoweax = zn bijenwas
bepaecan = pakken, bedriegen; NB NL gepakt = belazerd, bedrogen, opgelicht
ber (bar, bever) = bever; >A bever
bera (bare) = beer (# wild dier); ON bere, bare
beran (baeron) = baren, dragen
bere (gorst, baerlic) = gerst
berec = bestuur, rechtspraak; ON berec
berecan = ww besturen, recht spreken; ON berecken
berende = barende, vruchtbaar, productief
berewic = gehucht, buurt, buurtschap
berie = bes; AS bere; ME berry
beriemaerct = bessenmarkt
bern = schuur
berstan = barsten; ON bersten; AS bersten
bert =A bart
berth (bura) = buurt; VB Engelbert (Gro); > PgAng/Siddeburen
besargian = bezorgd zijn
bescieran =A scieran
bescufan = toewerpen, toevertrouwen
besencan = bezinken, onderduiken
besma = bezem
beseon = bezien
besettan = bezetten, omgeven, bedekken
bestealcian = bestelen, gluipen
bestelan = bestelen
bestowan = bestouwen, schenken
bestreowian = bestrooien
bestridan = bestrijden
bestriepan = beproeven
bestyrian = besturen, veroorzaken
besutian = bevuilen
beswaered = bezwaard; ASoud beswaret
beswaernes = bezwaar; ASoud beswarnisse
beswican = bezwijken
bet {bet, betera, betst} = bn goed
bet (beth) = vz tot, tot aan; ASoud bet (beth) = tot aan
betaecan = begaan, toevertrouwen
betaelge = bataljon, leger, gevecht; ON betaelge
betan = boeten; > bote
bete = zn biet (# gewas)
bete = vloeistof voor bewerking van leer
betera = beter; >A bet
beth =A bet (vz)
bethearf = behoefte, noodzaak; ON bederf, bedurf
bethearfan = behoeven, nodig hebben; ON bedervan, bedurven
bethian = koestern
betonica = plant met purperen bloemen
betst = best; MA best; >A bet
betweon = tussen twee = tussen
betwix (betwixen, twixen) = tussen twee = tussen
betwixen (twixen) =A betwix
betwixt =A betwix
betwixt thaem = ondertussen
beuce (bucc) = beuk (# boom); AS boek
bever (beofor, ber, bar) = bever
Beverburne In 904 door bisschop Werefrith beleend met Beverburn, een gehucht aan rivier de Severn nabij Worcester. Bron BHO schrijft: Land at BARBOURNE (Beferburna, x cent.; Beverburne, Berborne, xiv cent.) was granted by Werefrith, Bishop of Worcester, in 904 to Ethelred II ealdorman of Mercia and his wife Æthelflæd. (fn. 64). De naam Beverburne is afgeleid van Anglisch bever, beofor (bever) + burna (stroom, beek)
Beverey = Bevereiland; eiland in rivier de Severn noord van Worcester; > ey
beverhuntere = beverjager
beverwan = (rood) verven; ON beverwen. NB rood is de kleur van bevervel
bewaefan = omwinden, omwikkelen
bewaessan = begroeid; ASoud bewassen
bewerian = verweren, verdedigen
bewitan = bewaken, toezien
bi = bij, door; ON = bi; AS bi; AS/Gro bie; AS/VWoud by; EZ bi
bi daele = ten dele, enigszins
bi- = be-
bibel = bijbel; AS biebel
bicc = steen, blok; bick
biccan = bikken, afbikken, uithouwen, eten
biccaran = kibbelen, ruziën, kletteren (regen), kabbelen (beek)
bicce = zn teef, vrouwtjeshond
bicce = zn bikhamer, steenhamer; ON bicke
biccere = steenhouwer; ON bickelaer
bicoman = bijkomen, bekomen, gebeuren, worden; ON bicomen
bictan = biechten
bid = bod, verzoek
bidan = beiden, wachten, afwachten, verbeiden; ON beiden; ME bide
bidbrot = bedelaar; ASoud bidbrot
biddan {bidt, bad, bedan} = bidden, vragen
bidian (beodan) = bieden
biding = uitspanning = plaats waar paarden uitgespannen worden en verwisseld met uitgeruste paarden
bieg = buiging, bocht
biegan (beagan, bugan) = ww buigen
bieldu = verbeelding, arrogantie
bieme = trompet
bien = been (lichaamsdeel); ON bien
bierce = berk
biergan = ww bergen, eten, proeven
biernan = ww branden
bifot (aelest) = bijvoet (#kruid)
bigang (bigeng) = begaan, aanbidding
bigangan = begaan zijn met, aanbidden
bigeng =A bigang
bigenga = bewoner, inwoner, houder
bigge (pigge, pogge) = zn big, varken
bigge (pigge, pogge) = bn groot
bihalve = behalve
bihavan = ww gedragen
bihave = zn gedrag
biker [bieker] = beker; ME beaker
bilaex = strijdbijl; AS bielaxe
bile = bijl; AS bil, biele
bilewit = onschuldig
bilhoc = bijlhaak, meshaak, snoeimes, kapmes
bin = touw om lading vast te binden; AS bin
bindan {bindt, bund, bunden} (bunden, bundon) = ww binden
binn (benn) = zn mand, korf, bak; AS benne
binnan (= be+in) = binnen; ASoud bynnen
binnandic = binnendijks, landinwaarts; ASoud bynnendyckes
bira = vraag, verzoek; AS birre
biran = bedelen, vragen, verzoeken
birman = bedelaar; AS birman
bisan = wild rondlopen, zwerven; ON bisen; ASoud bissen = driftig rondlopen
biscop = bisschop; ON biscop, bisscop; AS biskop
bisig = bezig; AS bissig; ME busy
bisittar = bijzitter; ASoud bysitter
bisleac (astleac) = bieslook (# kruid)
bismer = schande, belediging
bismeran = besmeuren
bismerful = schandelijk
bismerian =A bismeran
bist = is
bita = beet, beetje; AS bitje
bitan = bijten; AS bieten
bite = bit (van paard)
bitel = bijtel; AS bitel
biter (bitter) = bn bitter
biterniss = bitterheid
bith = is
bitter (biter) = bitter
bittercrod (bitteric, bitterweod) = bitterkruid (# kruid); AS bitteriek
bitteric =A bittercrod
bitterweod =A bittercrod
bitula = kever
biwesen = gezelschap; actualiteit; ON biwesen
blac (blaec) = zn bleek; ME black (zwart) is afgeleid van Anglisch blac.
NB ME bleach = bleek, bleekveld, bleken
NB Anglisch sweart = zwart
blac = zn blak (# vis)
blac (bleac) = zn bleek, bleekveld
blac (bleac) = bn bleek, schoon, effen; AS blak
blac (blaec) = bn zwart
blacan (bleacan) = ww bleken, wassen, schonen, effenen
blace (bleace) = zn bleek, bleekveld, droogveld, vlak veld; AS blake; ASoud blaece
blacere (bleacere) = bleker, wasser
blacery (bleacery) = blekerij, wasserij
blacfeld (bleace, blick) = bleekveld = veld waar bleekgoed gebleekt en gedroogd wordt; ON blece, blick
blacgudh (bleacgudh) = bleekgoed = goed (kleding e.d.) dat gebleekt wordt
blacloc =A blacpol
blacpol (blacloc) = waterpoel waar wasgoed wordt gebleekt en gedroogd; AS blekkenpol; > PgAng/Blekenpol
blacsmidh (smidh) = ijzersmid, smid
blacwerc (bleacwerc) = bleekwerk
blaec = vlam, licht, gloed; >A blaexem
blaec (blac) = bn zwart
blaecan = ww blaken, gloeien, vlammen, branden, lichten, schitteren
blaecaran = ww blakeren = schroeien, afbranden
blaed (leaf) = zn blad (# plant, boom)
blaed = zn blad (van mes, zwaard, etc)
blaedre = zn blaas (# lichaam)
blaem = blaam, schande; ON blaem
blaeman = blamen, verwijten, beschuldigen
blaemte =A blaem; ON blaemte
blaenc = bn blank, licht van kleur, overstroomd door water
blaenc = zn gebied dat blank staat, overstroomt gebied; ON blanc
blaenc = zn zilveren munt; ON blanke
blaer = blaar, witte vlek, kaal
blaesan (blawan) = blazen, waaien
blaesbealcge = blaasbalg
blaese (blase) = heldere vlam of vuur; vlaag
blaesere = zn blazer
blaest = harde windvlaag, rukwind; ME blast
blaester = stuk, splinter, schilver; AS blaster
blaetan = ww blaten (# schapen)
blaexem (blicsem) = bliksem; ON blaexem; AVA blaec
blagett = zn blaag, schreeuwerd
blagettan = ww schreeuwen
blaw = bv blauw
blawan = ww blazen, waaien; AS bloazen; ME blow
blawcaece = blaaskaak; AS blaoskake
blawere = blazer; vb hornblawere = hoornblazer
blawfot = steenvalk; ON blauwvoet
blawmaen = blauwmaan (# kruid, plant)
blawmaensaed = blauwmaanzaad
blayan = waaien, wapperen; ON blaeyen
bleac = bn bleek, schoon, effen; AS blak
bleacan = ww bleken, wassen, schonen, effenen
bleace = zn bleek, bleekveld, droogveld, vlak veld; AS blake; ASoud blaece
bleacere = bleker, wasser
bleacery = blekerij, wasserij
bleacfeld (bleace, blick) = bleekveld; ON blece, blick
bleacwerc = bleekwerk
bleade = mes, speerpunt
bleanc =A blenc
bleancan =A blencan
blearan = ww bleren, zeurend huilen
bleat = bn bloot, arm, ellendig
bleatan = ontbloten
bledsa = zegen; ME bless
bledsian (bleodsian, bletsian) = zegenen
bleg = buil, puist
blegen = builen, puisten
blenc = zn bedrog
blenc = bn bedrieglijk
blencan = bedriegen; AS blenken
bleo = kleur; EZ farwe
bleodsian =A bledsian
bleow = blaas, geblaas
bleowon (blawan) = blazen
bletsian =A bledsian
bletsung = zegening
blic = blik, uitzicht, lichtstraal
blican = ww schitteren, zichtbaar worden, blijken; ON bliken; AS blieken
blican = ww blijken; AS blieken
blick (bleace) = bleekveld; ON blick, blece
blicsem (blaexem) = bliksem; ON bleksem, blaexem
blidhe = blij, vrolijk, vriendelijk; ON blide, blijde; AS blide
blidhhed = blijheid
blidhniss = blijdheid
blidhscip = blijdschap; AS bliescap
blincan = blinken, schitteren; AS blenken
blind = blind
blindniss = blindheid
bliss = blijdschap
blissian = verblijden, blij zijn
blithe = blij, vrolijk; ON blide; ASoud bli, bliede
bloc = blok, kist, door sloot of hek afgesloten akker; ON block
bloce = flinke jongen, kerel
blochus = fort, omwalde vesting; ON blochuus
blod [bloed] = bloed; AS blood
blodan = bloeden
blodig = bloedig
blodinge = bloeding
blodgian = bloedig maken
blodscead = zn bloedvergieten
blodseofa = bloedvloeien, dyaree; ON bloetsucht
blodwreke = bloedwraak; AS bloodwrake
blondran = ww blunderen
blondre = blunder
blom = bloem (# vegetatie); ON blom; AS blom, bloom
blom = bloem = meel; ON+AS blom
bloman = zn bloemen; ww bloeien; AS blooien
blomcole = bloemkool (# groente)
blommaerct = bloemenmarkt
blompott = bloempot
blomthun = bloementuin
blomtune = bloementuin
blont = bn bot, stomp, troebel, rossig
blontan = ww blunderen
blosma = bloesem; AS blosem
blowan = bloeien; AS blooien
blyde = blijde = steenwerper (# wapens)
blysian = blozen, rood zijn, gloeien
Boarn = Borne/Twente; AS Boarn
boas = boos; AS boas
boashed = boosheid
boc (bok) = boek; AS book
bocan = ww beuken, slaan; ON boken
boccel = bokel (# slagwapen), bukkel (# gesp)
boccepere = boekhouder
boce = laurier; ON boke
boccest = boekenkast
bocian = ww boeken, inschrijven
bock = bok (mnl geit); ON bock
bocrean = bokraan = stof geweven van geitehaar; ON bocraen
bod (bot) = bericht; ON bode; ASoud bod
bod don = ww bericht doen, berichten; AS bod done
boda = bode
bodian = aankondigen, preken
bodig = zn lichaam; ME body
bog = schouder, arm
bog = bocht, turf
bog = boeg (# schip)
boga (boge, earc) = boog (# wapen); ME bow
bogan = buigen; AS boegen
boge (boga, earc) = zn boog
bogga = moeras, drasland, veenland; ON bogge
boggart = bagger; ON boggert
boggelere = baggelaar, veenwerker; ON boggelaer
NB Boggelaar = buurt in buitengebied Warnsveld.
bogger = ES wildplasser
boggig = drassig, nattig, veenachtig; ME boggy
boghus = wc; ES pouphus; ON kakhoes
bogian = ww bogen, zich beroemen
bogman = boogschieter
bogmakere = boogmaker (# wapens)
boi = zn jongen, jongeman, boef; AS boaj
boi = bn boos, ontstemd, wild; ON boy = boos, ontstemd, geërgerd
boian = ontstemmen, ergeren; ON boyan
ON het hevet me boy = het heeft me ontstemd, geërgerd
boifenc = jongensgek; AS boajveenke
bok (boc, bec, buk) = boek; AS book
bolc (bollic) = bolk (# wijting, kabeljauw); > PgAng/bolc
bolcrod = bollekruid = StJanskruid
bold (beald, bald, buld) = bn moedig, dapper, sterk, flink; ON bolt; AS bolt, boolt; ME bold
bold = zn bouwwerk, huis, woning
boldan (buldan) = ww bouwen
boldar = bolder = meerpaal (# scheepvaart)
boldarston = bolder, bodersteen = door water rond geworden grote steen
boldr = held > PgAng/Bolder Holten
bolla = nap, beker
bollard (bullart) = stierenwei; AS bollard, bollert
bolle (bulle, bule) = stier
bollic =A bolc
bolt = zn bout; ON bolte
bonda (bunda) = bond, band
bong = trommel; ON bonge
bongaerd = bongerd, boomgaard; AS/VW bongeart, bongert
bongan = ww bonken, trommelen
bongwaeg = bonkweg = hobbelweg, hobbelige weg; AS boongweg, boonkweg
bonian = ww boenen
bonn = ban
bonnan = bannen, verbannen
boozan = boezen, zuipen
booze = jenever; AS boeze
bor = boor
borc (burg, burh) = borg, burcht; > PgAng/Westerbork
borchit = borghit = versterkte boerderij
bord (bort) = rand, boord (scheepsboord), plank; AS/AH boord = legakker
borgan (borgian) = bergen, borgen (borg staan)
borgar = burger, borger, poorter
borgian =A borgan
borgmaester = burgemeester
borgweard = stadswacht
borian = ww boren
borne = vluchtheuvel, burcht; AS borne; ME bourne
bors (burs) = beurs, geldbuidel; ON borse
bort (bord, bert, bart) = plank; >A bert
bortmyl = houtzaagmolen; AS bordmool
bosig = boes, ruif, koestal
bosm = boezem
bosmfreond = boezemvriend
bosse = schoorsteenmantel, schouw; AS bossum
bot = bot (# vis)
bot (bat, bote) = boot
bot (bote) = boete
bot (bod) = mededeling, bevel
bot = maar; AS mar; SW mar; ES bot; > buta
botan (betan) = boeten, vergoeden
bote (bot, bat) = zn boot; AS bote
bote = zn boete, vergoeding; > betan
bote (stewel) = laars (# schoeisel)
bothus = boothuis, woonboot
botm = bodem
botman = bootsman, zeeman belast met zeiltuig
boulwarc = bolwerk
bouar =A bour
bour (bur, buer, ceorl) = boer; ASoud buer, buyr; > gebur
NB hoeve Bourdam in Nijbroek. Naam dateert van vóór 1648. Nadien: Boerdam. De hoeve lag in Anglisch gebied langs de IJssel.
bourcarre = boerenkar = houten kar getrokken door koe, os of paard
bourdery (na 1800nC) = boerderij; AS boerderie
bouery = (tot 1800nC) = boerderij; ON boererij; AS boerderie
bouran = ww boeren, beuren, ontvangen, innen; ASoud boiren
bourbreaf = boerbrief = brief van een boerraad aan de leden
bourearf = boerenerf; ON boerenerf = boerderij
bourhave = boerenhof, boerderij; AS boernhaowe
bourhus = boerenhuis, boerderij
bourmmaerck = boermark(e); ASoud buermarcke
bourraed = boerraad = bestuur van een boermark
bourredgar (bourrihter) = boerrichter; AS/Gro bourredger
bourrihter (bourredgar) = boerrichter = bestuurder van een marke
bourscap (burscap, byrtscap) = buurtschap; AS buurskap; ASoud buerschap, buyrschap
boursal (bourstocc) = boerstok; AS boerzele
bourstocc (boursal) = boerstok = stok met berichten in code, bezorgd door een bode
bourugt = opbrengst; ASoud beurucht
bourugtan = opbrengen
bourweard = buurtwacht
bourwyrmcrod = boerenwormkruid
bouse (buise) = bn dronken, bezopen
bouse (buse, buise) = zn buis, buisje, lang smal glas, pijpje; ON buse; AS boeze
bouta = boete = bundel vlas
bouzan (boozan) = zuipen, brullen, gieren, blazen; ON busen; ASoud boezen
bouze (booze) = jenever; AS boeze), bouzy = dronken; VA NL bouse
bow = bouw, gebouw, landbouw
bowan (buan) = ww bouwen, wonen, landbouwen; ON buwen
bowand = bouwer, bewoner
bowcunst = bouwkunst, bouwkunde
bowhere = bouwheer = opdrachtgever voor de bouw van iets
bowing = exploitatie van land
bowinge = bouwgrond, bouwsel; AS/VW bouwinge
bowland = bouwland
bowmaester = bouwmeester, architect
bowman = bouwman, landbouwer
bowwarc = bouwwerk
boxe = broek (# kleding); ON bokse; AS bokse
bra (brade) = kuit, spier; ON bra, brade
bra (bru, briw) = zn brouw, brouwsel
bracan = braken, varen
bracce = brak (# boot)
bracce (haccle) = soort ijzeren kam om vezels (vlas, hennep, e.d.) te scheiden
bracka = brak = # jachthond
bracla = brakel, gescheurd weiland, breukland
braclog = ?; > PgAng/Bruggelen
brad (brea) = bn breed; AS broad; Gro braid
bradan = verbreden, uitbreiden; ON breden
brade (bra) = zn kuit, spier; ON bra, brade
bradth = zn breedte
braec = bn braak, onontgonnen
braec = zn breuk
braec =A braecland
braecacre = braakakker = onbebouwde akker
braecan (brecan) = breken
braecland = braakland = braak liggend land = niet ontgonnen land
braecmaent = juni; ON braecmaent
braedan = ww braden; AS broaden
braedspitt = braadspit
braedu = breedte
braegan = ww denken; ON bragen
NB: het hoofd breken = diep nadenken
braegd (ava bregdan) = trek
braegn = brein, hersens; ON bragen
braem (bremel) = braam = braamstruik, bes van braamstruik
Komt voor in: Van Braam (familienaam), Braambrug (locatie bij Haaksbergen/HAG), Braem (dorp in Cumbria/HAG/NW.Engeland).
braend = brand, vlam
braendan = branden, verbranden, brandmerken; AS braanden
braendere = brander, destilleerder
braendery = branderij; ON brandery
braendreith = brandrek = rek tegen brand voor haard, kachel, etc; AS brandriet
braendscada = brandschade
braent = brandhout, fakkel, zwaard; ON brant; AS braand
braentscattan = ww brandschatten = belasting opleggen onder bedreiging van brandstichting braes = soort koperlegering; ON braes; ME brass
braeth (aem) = adem, zucht
braethan = ww ademen, zuchten
brand = brand, vlam
brandan = branden; AS braanden
brandere = brander, destilleerder
brandery = branderij; ON brandery
Brandreada = Brandrode = ouddste koeiensoort van Nederland > PgAng/Koeien
brandnetele = brandnetel (# onkruid); AS braandnettel
brandwine = brandewijn; ME brandy
brea (brad) = breed; ON bree; NB Breesegge (straat in Almelo).
breac = bruik, gebruik
bread = brood; LW duon (mv douonos)
breadofen = broodoven = oven voor bakken van brood
breaf = zn brief; AS breef
breaf = bn braaf, dapper, moedig
breafniss = braagheid, dapperheid
breal = zn zaak, bedrijf, markt
brec = breuk, nieuw ontgonnen land
brec (bric, bacsten) = baksteen
brecan (braecan) = breken, bestormen, innemen; AS brekken
brecan = ontginnen, in cultuur brengen van woest gebied; ON breken
brecc = breekijzer
breccan (brecan) = breken; AS brekken
breccle (bracla) = gescheurd weiland; ASoud breckle
breccles =A laes (weide) bij een brec (pas ontgonnen land)
NB Breckles (Norfolk/GB) en Breukelen (Utrecht)
brecfaest = zn ontbijt
bred (brod) = plank, kastje; ON bret
bredan (brodan) = ww broeden
bregdan = nemen, trekken, rukken, vlechten, breien
bregg = zn breuk
breggan = breken; AS brekken
brego = vorst, koning
bremel (brommel, braem) = braamstruik
bremman = brommen, grommen, loeien
brengan =A bringan
breost = borst
breostscyrte = borstrok (# kleding)
breot (bryt) = bruut
breotan (brytan) = breken, bruten, geweld gebruiken
breowan = brouwen; ON bruwen
breowere = brouwer
breowery = brouwerij
Breten = Brittannia
Bretene (Brettas) = Britten
brethel =A bridel
Bretta = zn Brit; bn Brits
Brettas (Bretene) = Britten
Brettum = Brittannia
Bretwalda = heerser (koning) van Brittannia
Bretweala = Brittannia
bric (brec, bacsten) = brik = baksteen
NB Brikkenweg/Markelo
brid (fugol) = vogel
bridel (brigdel) = breidel, teugel, toom, hoofdstel; AS briedel
bridelan (brigdelan) = ww breidelen, intomen, beteugelen
bridman = vogelman, vogelaar
brigdel =A bridel
brigdelan =A bridelan
briggbow = bruggenbouw
brigge (brycge, till) = brug; ON brucge, brugge; AS brugge
NB Brigge komt nog voor in Engelse plaatsnamen. O.a. in Cumbria (HAG/NW Engeland). O.a. Heabrigg.
brimse = brems, bremze = bromvlieg
brine = brijn = pekel
bringan {bring, brohte, brohteth} (brengan) = brengen, voortbrengen; ON bringen
bringan, brogt (SW brocht), bragt
brink = brink; ASoud brinck
brink = hoog gelegen grasland
brinksittar = brinksitter = iemand die woont aan de rand van een brink
briw (bru) = brouwsel, brij
broc (cunt) = achterste, kont
broc {mv brec} (broce) = broek, kniebroek (# kleding); ON broec; AS brook
broc = broek, drasland, veen, moeras; AS brook, brok; ASoud broick; ME brook
Na drooglegging bleef men het gebied broek noemen.
broc = smalle stroom in moerasland, genaamd broek of broekland
brocce = bouwland omheind met houtwal; AS broake
broccole = broccoli (# groente)
broce (broc) = broek, kniebroek; ON broec; AS brook
broche = broche
brocland = broekland = laag drasland
brocere = broker = veenwerker, ontginner
brod = zn broedsel
brodan = 1: broeden; 2: tobben
brodar = zn tobber
brodd = bn bruut, bot, ruw, lomp; AS brod
broddal = broddel = knoeiwerk
broddal = bordeel
broddan = ww broddelen, knoeien
brodhor =A brothor
brogden =A bregden
brohte {v bringan} = bracht
brom = bezem
broman = ww bezemen, vegen
brommel =A bremmel, braem
brommelbusk = braamstruik
bronc = bn wild, woest
bronc = zn wildernis, woestenij > PgAng/Bronc
bront = brand, vuur, brandend stuk hout, zwaard
brohte (AVA bringan) = bracht; AS brogt
bross = soort els (# bomen); AS bros
brotherred = broederschap; ME brotherhood
brothor = broeder, broer; AS broder, breur; Afgaans: barader
bru (bra, briw) = brouw, brouwsel
brucan =A bruccan
bruccan = gebruiken; AS bruken, broeken; ASoud brucken
brulft = bruiloft; AS brulfte
brun = bn bruin
brunbread = bruinbrood
bruncol = bruinkool
bruns = zn brons; bn bronzen, bronskleurig (= groenbruin)
brunst = brand, gloed
brunt = brandhaard, kernmacht van een aanval, centrale kracht in een veldslag, hevigste furie in een strijd; > PgAng/Brunt
bryc = zn breuk, boete; ON breuc, breuk; ASoud breuc
brycg (brigge, till) = brug; ON brucge, brughe, brugge; AS brugge
bryd = bruid; AS bruud; ME bride
brydhlop = bruiloft
brydguma = bruidegom
brydmaid = bruidsmeid
brydscat = bruidsschat
brysan = briezen, kwetsen, kneuzen, verwonden
bryse = bries (wind)
bryse = blessure, kwetsing, kneuzing, wond
bryt (breot) = bruut
brytan (breotan) = bruten, geweld gebruiken, verbrijzelen
brytta = bruteling, opschepper
bryttian = schenken, uitgeven, spenderen
bu (by) = burcht, borg
buan =A bowan
buend =A bowand
buc = buik, romp; AS buuk, boek
buc = emmer
bucc (beuce) = beuk (# boom); AS boek
NB1 Buckingham = heem (huis) bij de beuken
NB2 Beuceleuch = Buccleuch = ME Buckley [buklie] = de laagte bij de beuken
buccing = bokking (# haring); AS bukking
buce = buik; ON buuc; AS boek
bucefell = buikloop; ON buucevel
bucero = boekero = soort klei voor aardewerk
bucs (bus) = bus, doos, buis; AS bukse
buer =A bour
bufan (ufan) = boven AVA be+oven; AS boaven; ME above
bufe = boef
bufery = boeferij = oud gokspel; ON boeverie
bugal = bugel (posthoorn), beugel; AS bugel
bugan (beagan, biegan, bygan) = buigen, neigen, onderwerpen; AS bugen
bugge = insect
buise >A bouse
buk =A bok
bul =A bule
buld (bald, beald, bold, byld) = bn moedig, dapper, sterk, flink; ON bolte; AS bolt, boolt; ME bold
buldan (boldan) = ww bouwen
buldarwaegn = bolderwagen, bolderkar = boerenkar zondere vering; oudste koeienkar; ON bulderwagen
bulder (bealder, balder, bolder) = de moedige, dappere, sterke, flinke; AS balder, bolder, bulder, belder
buldere = zn bouwer, bouwheer
bulding = gebouw, bouwwerk
bule (bul, bolle) = bul, stier; AS bule, bolle; AS/Bremen boelle; ME bull
bulgan = ww bulken, rochelen
bulge = bult, blaas, blaar, gezwel; ON bulge
bullart (bollard) = stierenwei = wei met jonge stieren; AS bollert
bultel = zeef; ON bultel
bun (ben) zn =A caer
bun = ben (van Ick bun)
bunda =A bonda
bunden =A binden
bundon =A binden
bunsan = ww bonzen
bunse = zn bons, dreun
bunt = bn bont
bunt = zn bont, vacht
buntceapa = bonthandel
buntceapere = bonthandelaar
buntceapery = bontbedrijf
bunting = bunting (# vogel)
buntwerc = bontwerk
buntwercere = bontwerker
buntwercery = bontwerkerij
bur (bour) = boer, kinkel, boerekinkel
bur = vertrek, huis
bura (berth) = buurt, streek; Vgl: NL locaties met -buren = buurt, buurtschap. O.a. Buren (Gld), Pieterburen (Gro), Kloosterburen bij Leens (Gro), Kloosterburen bij Drachten (Frl), Siddeburen (Gro).
NB1 Usumbura is een regio in Noord Kongo. De term bura betekent hier mogelijk hetzelfde als buurt of streek.
NB2 In het Maleis is pura = stad. Singapore is afgeleid van Singapura = stad van de leeuw. Tandjongpura (Sumatra) = stad op de kaap (schiereiland) = kaapstad. Het Maleis (ML) heeft roots in het Arisch (Indo-Germaans) via het Indisch van de Hindu's in India. (> PgAng/Maleis) De Indiërs hebben zich circa 500vC verbreid over Malakka en het Indonesich Archipel.
burd = bord
burg (burh, borc) = burg, burcht = versterkte plaats, omwalde nederzetting
burggerefa = burggraaf, burchtgraaf, kasteelheer
burgeriht = buurgericht = rechtbank van buren (buurtbewoners)
burggeat = kasteelpoort, stadspoort
burgwarena = burggraaf, borgheer
burh =A burg
buri =A burig; ME bury, burg; EZ buri
OE Lundenburi = ME Londen
EZ Strosburi = NL Straatsburg; EZ Luxeburi = NL Luxenburg
burig = burg
NB OE Lundenburig = Londenburg = Londen
burna (sorce) = bron; ON borne, bern, borre = bron, fontein, put, bronwater, drinkwater;
VA ME bourne = beek, stroompje
In 904 door bisschop Werefrith beleend met Beverburn, een gehucht aan rivier de Severn nabij Worcester. Bron BHO schrijft: Land at BARBOURNE (Beferburna, x cent.; Beverburne, Berborne, xiv cent.) was granted by Werefrith, Bishop of Worcester, in 904 to Ethelred II ealdorman of Mercia and his wife Æthelflæd. (fn. 64). De naam Beverburne is afgeleid van Angglisch bever, beofre (bever) + burna (stroom, beek)
burs (bors) = beurs, geldbuidel; ON burse
burscap (bourscap) = buurschap, buurtschap
burston (berstan) = ww barsten; ON bersten; AS bersten
bus (bucs) = bus, doos, buis
busan = zuipen, onmatig drinken; ON busen, boezen; AS boezen; >A bouse, buse
busc = bus, geweer, geschut, kanon
busccrut = buskruit
buscere = bussenmaker
buscery = bussenmakerij
buscmaester = geschutmeester
buscsceotar = busschieter, matroos
buse = buis, korte jas, jekker; AS beus
buse = buis, kanaal; ON buse
busk = bos; AS buske, busge > PgAng/Kousmansbuskes
buskase = bossage; ASoud bosschage
buskgast = bosgeest
buskthorn = bosdoorn (# sprinkhaan)
buskweard = boswachter
bussaga =A buskase
buta (butan, buter) = buiten, zonder, behalve; ON buten; AS buten; ASoud buta
buta (bot) = maar; ME but = maar; ES/Yor [bot]
Buta-Ee = Buiten-Ee = Engerhave/1250 > PgAng/Engerhave
butan (buta) = buiten, behalve, zonder; ON buten, behalve, zonder; AS buten, boeten
bute = hut, schuurtje; ON boet
buter (butan) = buiten, buitendien, behalve, zonder, maar
buteran = ww buitensluiten, uitsluiten
buteran = ww lappen, poetsen, schoonmaken
butere (buttor) = boter
butor = roerdomp (# vogel); ON butoor
buttor = boter; AS botter
buttorfleoge = vlinder; ON botervlieg
buttormaerct = botermarkt
buttormilc (cyrnmilc) = karnemelk
buxhorn = bokking = gerookte haring; ON buxhorne
by [bi] (bu) = zn burg, burcht, borg = safezone
by [bai] (bi) = vz door; MN bij; ON bi, by
bycgan = ww kopen
byde = bode, heraut
bygan (bugan, beagan) = buigen
byhth [bait] = bocht, buiging
byl (beal) = buil, hoogte; AS buul, biel
byld =A buld
bylt (bealt) = bult, belt, heuvel; NB De Bilt; ME buldge
byltar = bulter, belter = veld met veel bulten
byn = beun, bun = viskaar = mand of bak waarin vis wordt bewaard
byn = beun, bun = zolder of vliering met losse planken
byn = vlechtwerk, visnet, schutting, omheind veld; AS beune
bync = zn bink, stoere jongen; AS beunk
bync = bn stoer, bot, grof, lomp, woest
byran = ww beuren, dragen
byrda = zn last, gewicht
byrdan = belasten
byrdig = lastig, zwaar
byrga = borg, graf
byrgan (bebyrgan) = ww bergen, begraven
byrgen =A byrgan
byrian = ww beuren
byrig = bn burig, naburig, nabij
byrig (burg) = burg, burcht = safezone
byrman = bedelaar; AS birman
byrran = vragen, bedelen, bidden; AS birran
byrst = borstel
byrthan = beuren, dragen
byrthe = last; ON burde, borde
byrtscap = buurtschap; ASoud beurtscap
bys = tot
bysan = model, voorbeeld
byse = beetje, stukje, voorbeeld; ON beuze, biese
byse (russe) = bies, biezen (veenplant)
bysegrund = drasland met bies (biezen); ASoud buissgrund
bysen =A bysan
bysher (byshere) = tot hier (toe)
byshere =A bysher; ASoud bushero
bysnian = voorbeeld geven of stellen
bysning = voorbeeld
bysnung =A bysning
byth [bait] = bocht
 
c:: (ze k)
c [k]
cablaw = kabeljauw; ON cabelau
cabot = kabot (# vis); ON cabotse
cabuse = kombuis; ON cabuyse
caccan = ww kakken, poepen
cachus = wc; ON+AS kakhoes
cadril = kadril (# fluitekruid)
caece = kaak, kinnebak, wang; ON cake; AS koake
caed (cay) = kade
caedman = kademan, kadewerker = lader en losser van schepen
caedwalla = kadewal, kademuur
caedweal =A caedwalla
caeg = keg, pin, wig
caeg = sleutel; ON keg = kleine kegel; ME key
caeg = puntbrood
caefener = kavener, kavenier, kovenier = bewoner van een kate (=A caete)
caemere = kamer, gewelf; versterkt huis, hoeve of landhuis; borg, burgt, vesting
De term caemere is al sinds de Romeinse Tijd (12vC-400nC) in gebruik bij de Germanen. Kennelijk is ze overgenomen uit het Latijn camera = gewelf, woning.
caemere = penningmeester; ON cameraar
caemergudh = landgoed
caemerman = kamerheer, kamerdienaar
caemp = kamp = hoog gelegen open veld, akker, stuk bouw- of weiland; ook: omheind of afgeperkt stuk cultuurland. AS kamp, kaamp; mv kempe; kempeken = kleine kamp
Het Anglisch woord caemp lijkt overgenomen van het Latijn campus door de contacten van de Angelen met de Romeinen. Dat zal dan ergens rond 200nC kunnen zijn gebeurd.
caemeric =A caemere
caempfur = kampvuur
caempian = kamperen
caent = kant, rand, hoek; AS kaant
caeppan = ww kappen, hakken
caeppar (barbur) = kapper; ON caper
caeppe = kap, pet
caer =A care = zorg, etc
caer = korf, ben, bun; ASoud kaer
caerd = kaarde = soort vezelkam, wolkam, hekel; ON caerde
caerdan = ww kaarden = ww kammen van vezels, wolkammen, hekelen
caerdmome = kardemom (welriekend kruid uit India); ON cardamome
caerdbolle = kaardebol (# bloem, plant); ON caerdenbolle
caesar (cesar, casere) = sterke man, leider, keizer
Arisch: Khesar = godfather, sterke man
caete =A cait, cate, cathe, cote, cott = keet, kote, kleine hoeve;
caeter =A caiter, cater, cather, coter, cotter = kater, keuter, keuterboer, kleine boer; ASoud catter, kaeter, katter, koetter, kotter
caeteri = koterie = kote + bijhorend land
caeterstede = katerstede = woonstede van een kater (keuterboer)
caetman = bewoner van een kate, kleine boer; ASoud kaatman
caetsan = ww kaatsen, terugkaatsten, sneren; ON caetsen
caetse = kaatsebal (# spel, sport); ON caetse
caetsballan = kaatseballen (# spel, sport); ON caetseballen
cag = boomstronk
cait =A cott; AS/VW cait, caith
cal = dam, haag*; ON kal
cales = caleche = open koets; ON cales
calfel = kalfsvel, perkament; ON calfel
callan = roepen, zeggen, kletsen; ON kallen = vertellen; AS kallen = praten, bazelen
calle = kalle (# vogel), liefje; ON calle
calle = tijdens, gedurende @
calsid = kassei, kei, straatsteen, straat, verharde weg; ON calside
calsidere = stratenmaker; ON calsieder
caltere = dorpsomroeper
calquhoun = kalkoen
calsid = kazei = straatsteen; ON calsiede
calu = kaal; ON caluwe; ME callow
caluan = kaal maken, kaal plukken, beroven; ON caluwen
camin = comijn (# kruid); ON camin
cammisol = kamizool = kort jack (# kleding)
can = kan (av cunnan)
candelere = kaarsenmaker; ON candeliere
candelery = kaarsenmakerij; ON candelierie), caneal = kanaal, sloot; ON caneel
canele = kaneel, riet; ON canele
canevas = canvas = sterk weefsel gemaakt van hennepdraad; ON canevas
cannit = kan niet
canny = kenne, verstandig, kundig, slim
canser = kanker, gezwel; ON cancer, canser
cant = kant; VA NL kant
cantan (singan) = ww zingen
cantere (singere) = zanger; ON canter, cantere
Cantwaraburg = Canterbury
Cantware = mensen van Kent
cape = zn kaap, landtong
capel = kapel; ON capelle
capelan = kapelaan
capelery = kapelfonds; ON capellerie
capon = kapoen = gesneden haan; ON capoen
cappe = kap; ON cappe; AS kappe
capron = kaproen = soort kap, muts; ON capron, caproen
captane = kapitein; ON captayn, captein
Car = Carolusgulden ingevoerd door Karel V in 1521 = 20 stuivers. > PgAng/Munten
cara = mand, korf; ON care
caran = ww dragen, zorgen
carboncle = karbonkel (felrode robijn), dikke puist; ON carbonkel
care (caer) = zn zorg; bn zorgzaam, liefdevol; ON care, caer
carcere = kerker, gevangenis; ON carkere
carduwaener = leerbewerker; ON carduwener
carian = zorgen voor, verzorgen
carine = pijn, smart; ON carine
carine = 40 dagen vasten; ON carine
carine = rijtuig, koets; ON carine
carosse = karos = koets getrokken door paarden
carpe = karper; ON carpe, carpre, carper
carran = karren, kar duwen, vervoeren; ON carren
carre = kar; ON carre
carrman (furman) = voerman, vervoerder, vrachtrijder; ON carreman, kerman
carryge = rijtuig
caru = zorg; bezorgd, zorgzaam, karig; ON care, caer = lief, zorgzaam, teder
casar (caesar, casere) = sterke man, keizer
casere =A casar
cass = kast, kist; ON cas, casse
cass (cess) = kast, groot huis; NB broeikas; "kast van een huis"
castnut = kastanje (# vrucht); ON castanie, castange)
castnuttreo = kastanjeboom
cate =A caete, cott
catel = vee; ON catele
cathe =A caete
catcrod = kattekruid (# valeriaan)
catte = kat; ON catte, cat
caw = kauw (# kraai)
cawtar = kauter = rosmes =A hrosmaesse; ON cauter
cay = kaai, kade; ON caay; AS kaai, kai
ceaf = kaf
ceafal = zn kaak; bn tandeloos; ON kevel
ceafell = bedevaarplaats; AS keevel
ceafl =A ceafal
ceafor = kever
ceal = keel
ceal (cealdre) = kelder; ON celre
cealc = kalk, krijt; ON calc
cealcan = ww kalken, met kalk besmeren, pleisteren
cealcere = witkalker, pleisteraar; ON calcere
cealwaerd = keldermeester; ON kelweer
cealan = ww kelen, doden; AS kielen; ME kill
ceald (cold) = koud; ON colde; AS kold, koold; ME cold
cealdre (ceal) = kelder
In Eijsden (Limburg) hebben archeologen in 2009 een kelder opgegraven onder een oude mottetoren. De oudste motten dateren van rond 100nC.
cealf = kalf
cealu = bn kaal; ON calu
ceaman = stoken, verbranden
ceame = oven, stookplaats, schouw
ceamel = kameel; ON kemel
ceamere = stoker (# beroep)
ceamery = stokerij
ceamme = kemme = kamer met open haard; ON kemme, kemenade
ceamme = hofstede, woning; ON kemme, kemenade
NB Kemweg in Schuinesloot/Slagharen.
NB Huis Kemenade te Keppel/Achterhoek.
ceap (ciep, cop) = koop, vee; ON cope, coop
ceapa (ciepa) = handel
ceapan (ciepan) = kopen; AS kiepen
ceapar = koper (# handel)
ceapceorl = marskramer, handelaar; AS kiepkerel
ceapend = verkoper
ceapere = handelaar
ceapery = handelsbedrijf
cearf (ceorf) = kerf, snee
cearfan = kerven, snijden
cearfstocc = kerfstok = stok met kerven aangevende hoeveel schuld iemand heeft; ON kerfstoc
cearn = kern, pit, punt, piek
cears = kaars
cearsmaerct = kaarsenmarkt
cearsmakere = kaarsenmaker
cearsmakery = kaarsenmakerij
cearssmeor = kaarsvet
cearte = kaart, document; ON carte
ceas = berisping
ceasan = ww berispen
ceast = ruzie, woordewisseling; ON ceast
ceastan = ww ruziën
cedre = ceder, cederhout; ON cedrin
cene (kin) = bn kien, koen, flink, moedig; AS keen
cennan 1 = baren, voortbrengen > cind
cennan 2 = kennen
ceode = buidel
ceol (cule, kyl) = kiel van een boot, kielboot; AS kuul, koel; ASoud kel; ME keel; > kuyl, kyl
ceol =A ceolholt
ceole = keel
ceolholt = houtskool; ASoud kel
ceon = keun = big
ceorf =A cearf
ceorfan =A cearfan
ceorl = kerel, man, boer, onvrije, vlerk, vlegel; AS kerl
ceort (sceort) = bn kort
ceort (sceort) = zn haxel, afval
ceortan (sceortan) = ww korten
ceortlings (ceorts) = kortelings, onlangs
ceorts =A corltings; ASoud korts
ceosan = ww kiezen; ME choose
ceowan = kauwen; ON chiuwan; ME chew
cepan = houden, hoeden, bewaken
cepan = neigen, van plan zijn, uitzien naar
cepere = houder, hoeder, bewaker, opzichter
-cepere = -houder; VB sceapcepere = schapenhouder
cermes = kermis; ON kermesse; AS karmis
cerse = kers
cerselaer = kerseboom; ON kerselare
cershed = christendom; ON kersteheid
cesar (caesar) = keizer. Arisch: Khesar = godfather, sterke man
cese (cyse, cies) = kaas; ON case, kese; AS kese
cesemaercet = kaasmarkt; ON cesemarket
cesemaerckt = kaasmarkt
cesemakere = kaasmaker
cesemakery = kaasmakerij
cesesteckere = kaasschaaf; ON caesstecker
cesesticcere = kaashandelaar; ON caessticker
cess (cass) = kast, groot huis
cest = kist, kast, koffer
cestmakere = kistenmaker
cestmakerste = kistenmaker; AS/VW kistemakerste
NB hoeve Kistemakerste te Nijbroek, N.Veluwe
cestwaegn = kistenwagen = wagen voor vervoer van kisten of koffers
cetel = ketel, vat; ON ketel; AS kettel
cetelbutere = ketellapper; ON ketelboetere
cetelere = ketelaar = ketelsmid; ON ketelaer
cetelery = ketelarij = ketelsmid; ON ketelaerie; AS kettelrie
cetelmakere = ketelmaker; AS kettelmaker
cetelmakery = ketelmakerij; AS kettelmakerie
cetten {mv cettens} = zn keten, ketting; ASoud ketten {mv kettens}
cey = kei, steen; ON cey; NB Ceyenburgh
ceylim = keileem = mengsel van leem, zand en stenen
ceylimgrove = keileemgroeve
NB Keileemgroeve in Heetveld, NW Overijssel.
ceyta = keienveld; ON keite = veld met veel stenen; NB De Keite in Markelo
chap = kap, hak
chapan = kappen, hakken
char = kier; >A cier
a char = op een kier
chaertre = charter, verklaring; ON chaertre
cibling = kibbeling (# vis)
cic = kip (# pluimvee)
cicen (mv cicens) = kuiken; ON+AS+VL kieken = kuiken
cicentheof = kiekendief (# vogel); AS kiekendeef
cidda = klein paard; AS kidde; ML kuda = (klein) paard
cidh = kiem, spruit
cief = kief, den, denneboom; ASoud kif; >A cif, cyff
ciefta = kiefte = veld waar veel kiefen staan
ciele = zn kil = watergeul
ciele = bn kil
ciepan (ceapan) = ww houden, handelen, verkopen
ciepend = verkoper
cier = kier, keer, draai; >A char = kier
cierman = ww kermen, roepen, schreeuwen
cierran = ww keren, draaien, terugkeren, onderwerpen, vegen
cies =A cese
cif (cyff) = kuif, hoogte, piek; >A cief
ciffan = kiffen, kijven
cift = kift, ruzie
ciftan = kiften, ruzie maken
cifwit (ciwit, pewit, hleapwince) = kievit; AVA cif (kuif) + wit (wit); >A cyff
cild = kind
cildhad = kindheid
cimbael = cimbaal (# snaarinstrument)
cin = kin
cind [kind] {AVA cennan (ZA)} (bairn) = kind; ES [kind]; EZ kend
cinan = ww kienen, uitzoeken, raden, kiemen
cinan = zn kienen, kienspel; AS kienen
cine = geul, spleet, kiem; ON keen; AS kien
cingel = singel = gracht, buitenmuur, ringmuur, wal
cinnban = kaakbeen
cipel (enion) = ui; ON ciepel; AS siepel; ASoud sypel
cipper = kipper = gerookte haring; normaliter gegeten bij ontbijt
cippian = afsnijden, afschaven
circclocc = kerkklok; ON cerkclock
circe [kirk, kerk] (cirice) = kerk
circgeard = kerkhof
circmaester = kerkmeester
cirice =A circe
cirpan = ww tjirpen
cisil = kiezel
cisterne = waterput; ON sisterne
cisternes (ev cisterne) = waterputten
ciwe = kieuw; AS/Gro kaiw
ciwit (cifwit, pewit, hleapwince) = kievit
cla =A clawu
cladh (clath, cledar) = kleed, kleding; ME cloth = kleding
cladhmakere (snidhere) = kleermaker
cladhmakery (snidhery) = kleermakerij
cladhstoppere = kledinghersteller
cladhstoppery = kledingherstellerij
claebot = korenworm; ON clabot
claeg = klei, leem; ON clei; ME clay
claegan (klagan) = klagen; ON claghen
claege = klacht; ON claghe
claegedaeg = klaagdag, rechtszitting
claegere = klager, aanklager; ON claghere
claeggeat = kleigat = gat in kleigrond gevuld met water
claeghliodh = klaaglied
claegsang = klaagzang
claemot = klamot (# vlindertje)
claen = klein; ON cleen; AS kleen
claenan = ww schoonmaken, zuiveren
claene = schoon, rein, zuiver, puur, onschuldig; ON clene; ME clean
claensian = reinigen, zuiveren; ON kleinzen
claerc (cleric, clerc) = klerk; ON claerc; AS klaerk
clafre = klaver
claman = ww eisen, opeisen; ON clameren
clame = zn eis
clampan = klampen, vastklampen
clanc = klank; ON clanc; AS klank
clap = klap
clappan = klappen, slaan
clappan = kleppen, kletsen
clappe = klapbrug; AS/Gro klappe
clappluppere = klaploper; AS klaplupper
clarre = braamsluiper (# vogel); AS klarre
clath (cladh) = kleed, kleding
clawu (cla, cleo) = klauw
cleadar (cladh) = kleren, kleding; ASoud cleder
cleat (cladh) = kleed, klit, klamp
cleatan = klitten, klampen
clefan(clefian) = kleven, zich hechten aan
clefian =A clifan
cleft (clift) = grap, klucht, bedrog; ON cluft, cleft; >A cluft
clem = zn klem
clemman = ww klemmen
clemp = zn band, armband
clempan = ww binden
clempere = binder, vastbinder
cleo =A clawu
cleofan = klieven
cleowe = kluwe
cleowen = kluwen
clep = klep, afsluiter; BU mond, muil
cleppan (lyteran) = ww kleppen, kletsen, leuteren
clepper = klepper = soort ratel van hout
cleppere = kletskous; ON clappere
cleppere = klepperman = nachtwacht
clepperan = klepperen = lawaai door tegenelkaar klappen van doeken e.d.; kletsen
clepperman = klepperman = nachtwacht met klepper
clerc =A claerc
cleric =A claerc
clicc = zn klik = klikkend geluid
cliccan = ww klikken = een klikkend geluid maken
cliccan = ww klikken, aanklikken = zodanige beweging dat een klik wordt gehoord
cliccan = ww klikken, verklikken, verraden
cliever = zn klauw (# gereedschap)
cliever = bn handig, slim; ME clever
clif (cliffe) = klif
clifan(clifian) = ww klieven, kloven, splitsen
clifcrod = kleefkruid (# akkerkruid)
cliffe (clif) = klif, klip
clifian =A clifan
clift (cleft) = grap, klucht, bedrog; ON cluft, cleft
clift = zwerm, groep; ON cluft, cleft
clift = nederzetting, rechtsgebied; ON cluft, cleft
clift = spleet, kloof; ON cluft, cleft
climban (climman) = ww klimmen
climman (climban) = ww klimmen
clinc = klink, deurklink, klinknagel, bout, balk, plank; ON clince
clinc (clincar) = klink, klinker = harde steen, baksteen, straatsteen
clincan = ww klinken, toasten
clincar (clinc) = klink, klinker = harde steen, baksteen, straatsteen
clip = zn klip, haarklip, speld, rots
clipan = ww kleppen, roepen, opdragen
clipian =A clipan
cliping = roep, opdracht
cloc = overkleed, mantel; ON clock, clocke
clocc = klok; ON clocke
cloccere = klokkenluider; ON clockere
cloccian = ww klokken, een klokkend geluid maken
cloccmakere = klokkenmaker; ON clockmakere
clod (clout) = klodder, klont, kluit
cloddan = ww klodderen
clodhoppere = boerenpummel
clodsacc (cloutsacc) = klootzak (# scheldwoord)
cloet =A clout
clog (clyg) = steile ravijn met sterk stromende rivier of beek
clog = paar, groep, troep; AS kloch
clog = klomp
clout (clod) = kloot, kluit, klomp, bal, bol, kogel, teelbal; ON cloet; AS kloet
cloutan = ww ballen, balspel; ON cloeten
cloutan = ww kloten, klooien
cloutsacc (clodsacc) = klootzak (# scheldwoord)
cloutsceotan = klootschieten (# balspel); AS klootskieten
clouter = balspeler
closter = klooster; ON cloester; AS kloster
clostergearn = zn kloostergaren = ragfijn garen; AS klostergaarn
clud (wolc) = wolk
cluft = gehucht, wijk; AS/Gro kluft; >A cleft
cluen (clun) = kleun = klap, slag, slaag, veen, (stuk) turf; AS kluun
cluenan = kleunen = slaan, rotzooien, turf steken; AS klunen
clummig (clumpsig) = klunzig, onhandig, boers; AS klommig
clump (clog, holbloc, lump) = klomp, klunz; AS klump, klumpe
clumpan = mvA clump = klompen
clumpere = klompenmaker
clumpery = klompenmakerij; AS/VW klumperij
clumpmakere = klompenmaker; AS/TW klumpmaker
NB Klompmakerweg in Diepenheim
clumpmakery = klompenmakerij
clumpsig (clummig) = klomperig, klunzig, onhandig, boers
clun =A cluen
cluse = kluis; ON cluse; AS kloeze
clusnere = kluizenaar; ON clusenare
clut = kluit, lap, plaatje metaal
clutan = ww kloten, klooien, rondhangen, vervelend doen; AS/Bremen kluten
clyg =A clog
clyp = klip, gesp, klem
clyppan = ww klippen, klemmen, klampen
cnaep =A cnapa
cnaep =A cnaepp
cnaepp (cnaep, cnoepp, cnapp) = heuvel, hoogte; ON knapp; ME knap
cnafa = jongen, knecht
cnapa (cnaepe) = knaap; ON knape, knaepe
cnapp (cnaepp) = hoogte, heuvel; ON knapp
cnapp (fleaxbrecc) = vlasbraak, vlashekel
cnapp = knop, bloemknop; ON knapp
cnappan = ww knappen, breken, afbijten; ON cnappen
cnappar = tand; ON knapper
cnapsacc = knapzak = buidel met proviand; ON knappsack
cnaw = zn kenner, weter
cnaw = bn knap, deskundig
cnawacre = kennisakker, hennepakker
cnawan = ww kennen, weten
cnawe = kennis, deskundigheid
cnawere = kenner, weter, deskundige
cnawlaeg (knaalaeg) = kennis
cnawan (knaa) = kennen, weten; ME know
cnean (conin) = konijn; ON conien; AS knien
cneafal = knevel = snor, snorbaard, bakkebaard; AS knievel
cnedan = ww kneden
cneo (cneow) = knie; AS knee; ME knee
cneobroc = kniebroek; AS kneebrook
cneow =A cneo
cneowan = knielen; ON cniën; AS kneen
cneowian =A cneowan
cnif = mes; ON cnijf; AS knief; ME knive
cniht [knait] = bn jong; zn knecht, jongeman, ruiter, ridder; ON cnecht, cnegt, knegt; ASoud knecht, ridder; ME knight
NB Het Engelse knight is ook een adellijke titel, die oorspronkelijk de betekenis had van ruiter (Frans: chevallier; Spaans: caballeros). Mogelijk is dat ook de oudste betekenis van cniht. Verzorgers van paarden werden vroeger ook paardeknechten genoemd.
cnihthod = knechtschap, ridderschap
cnihtwesende = kind (jong) wezende, zijnde
cnipa = kneep, stukje land; AS kniepe
cnipan (knipan) = knijpen; AS kniepen
cnippan = ww knippen
cnippere = kapper
cniphus = kapper, kapperszaak; AS kniphoes
cnobb = knop; AS knobbe
cnocian = ww knokken, vechten, kloppen; ON cnocken
cnocle = knokkel, wervel, gewricht; ON cnockel
cnoef = homp, stuk, brok; AS knoef
cnoepp (cnaepp) = bult, heuveltop
cnofal = zn enkel, gewricht, bocht; ON cnovel
cnolle = knol; ON knol
cnolle = steile heuvel, berg, top; ON knol; ASoud knolle
cnotta = knot, knoop
cnottan = ww knotten, knopen
cnottdeok = knottendoek = geknoopt doek
cnottwelig = knotwilg
cnowan = knauwen, kauwen; ON cnauwen
cnupp = knoop, bult, heuveltop; AS knup
cnuppan = ww knopen; AS knuppen
cnuppel = knuppel, stam, stok
cnuppelwaeg (fenbrigge) = knuppelweg = veenweg van boomstammen
cnute (crawe) = kraai; ON cnuut
cnyll = metaalklank; VA NL knallen
cnyssan = kneuzen, slaan
cnyttan = breien; ON knutten
co (cow, cu) = koe; ON coe, couwe; AS ko, kow, cow
cobbold = geest, huisgeest; ON cobboud
coc = ww kok
cocan = ww koken; AS kokken
cocboc = zn kookboek; AS kokboek
coccel = zn kokkel
coccer = zn koker; AS kokker
coce {mv coces} = koek, plak, vlakte; AS kook, kooke
coces {ev coce} = zn koeken, plakken, vlaktes
coces = kooks, steenkool; AS kooks
cochus = kookhuis; staat buiten op het erf
cocie = koekie, koekje
cocies = koekies, koekjes
codd = zak; ON kodde
codd = knots, knuppel; ON cod, codde
cofa = koof, vertrek, ruimte
cofe = ijzeren kapje onder een helm; ON cofe, cufe
cohhetan = ww kuggen; ON cuchen
col (cole) = kool (# groente)
col (cole) = houtskool, steenkool
col (colle) = heuvel, platteau
col = bn koel, koud
colblom = kollebloem, klaproos; ON colleblom
colbour = koolboer = boer die kool verbouwt
colbraendere = kolenbrander = iemand die houtskool maakt
colbraendery = kolenbranderij = bedrijf dat houtkool maakt
colc = kolk = plas, meer
cold (ceald) = koud; ON colde; AS kold, koold; ME cold
coldfyr = koudvuur, gangreen (# aandoening)
cole (col) = kool (# groente); AS kolle
cole (col) = houtskool, steenkool
colebour = kolenboer = handelaar in houts- en steenkool
colemine = kolenmijn
coler = halskraag, halsdoek; ON colere
colere = buikloop; ON colere
colfeld =A calwaye
colff = kolf, knuppel, knots; ON colve, colv
colff = club, vereniging; ON colve, colv
colfisc = koolvis
colgos = kolgans
colhasu = koolhaas; ON coolhaes > Koolhaas
colheap = koolhoop = kleihoop waarin houtskool wordt gebrand; AS kolheup
colic = koliek (# aandoening)
colle (col) = heuvel, platteau
NB Collendoorn/Hardenberg is een regio die op een zandhoogte ligt. De omgeving ligt lager en bestond/bestaat voornamelijk uit drasland. > PgAng/Collendoorn
colman = kolenbrander, warmoezenier, groenteboer; ON coleman, coelman
colmase = koolmees (# vogel)
color = kleur; ON colore
colpitt =A colpytt
colpytt = koolput = kuil waarin houtskool wordt gebrand; ON coelpitte, coelputte
colraep = koolraap (# groente)
colsacc = kolenzak; AS kolzak
colsacc = doodlopende weg
colsaed = koolzaad; ON coelsaet
colsoppe = koolsoep; ON coelsop
colwaye = groenteveld, moestuin; ON colewei > PgAng/Coolewee
colwearf = kolenwerf = werkplek kolenbrander; ON colewerve
com = kom; AVA comon
coman = koeiendrijver; AS koman, cowman
coman = koopman; ON coeman, coepman
Comanz = gouden Rijnlandse gulden
comb = kam; ON cambe
comban = ww kammen
combere = kammaker
combery = kammakerij
combmakere = kammaker
comminge = wolkammer; ON camminghe
commandar = commandeur; ASoud commendeur
combe (cumbe) =A comme
comheod (hutcom) = komhut = hut met circa 15 cm verdiepte vloer. De hut dient als werkplaats voor ambachtelijk werk. O.a. voor weven. > PgAng/Komhutten
comme = zn kom (# eten, dorp), laagte (# gebied); AS/VWoud komme
comon {comt, cwom, comon} (cympan) = ww komen; AS komen, kummen; ES cumon
conin (cnean) = konijn; ON conin, conijn; AS knien
cop = zn kop, beker, nap
cop = zn koop, leengoed; ON cop, coep, cope
Komt o.a. voor in plaatsnamen als Nieuwkoop.
cop = zn kop, hoofd, top
Komt o.a. voor in plaatsnamen als Trekop en Spekop in Delden/Achterhoek.
copan = kopen
copbord = keukenplank, keukenkast, kast
coper = koper (# metaal); AS kopper
copere (coman) = koopman, koper; ASoud coeper
copermine = kopermijn
coperslegere = koperslager
coperslegery = koperslagerij
coppe = bron; AS/VW koppe
coppel = koppel, paar, stel; ON coppel
coppel = troep, kudde; ON coppel
coppel = reglement
coppelsaed = koppelzaad = koppelkoren = mix van gerst en ander graan; later: mix van haver en ander graan; ASoud copplesaet
Copper Maendaeg = Kopper Maandag > ZA/PgAng
copperan (AVA cop = kop) = kopperen = feesten, feest vieren
coppine = koppijn, hoofdpijn; AS koppien
coran = ww keuren, kiezen, besluiten
corb = korf, mand; ON corf
corban = ww muilkorven
corbel = korbeel (# raaf); ON corbel
corc = kurk; AS kork
core = besluit, verordening; ON keur
coren =A coran
corn (cour) = koorn, koren, graankorrel, graan; ON corn, coren; AS koorn
corn = likdoorn (# aandoening)
cornacre (couracre) = korenakker
corngast = korengeest (# Mythologie)
cornpyt (courpyt) = korenput = droge put voor bewaren van koren; ON kornput
cornut = kornuit, metgezel; ON cornute
corour = koerier
corwey = karwei, heredienst; ON correwei, corweide
cos = kos (# groente)
cos = ?; NB Costrop (Angl. famnaam), Coswick (dorp) in Cumbra.
cosan = ww kozen, beminnen, strelen; ON cosen
cosan = ww vleien, setrouwelijk spreken; ON cosen
cose = zaak, oorzaak; ON cose
cosig = gezellig
cosigniss = gezelligheid
cosmos = kosmos
cost = kost
costan = kosten
costere = koster; ON costere
costery = huis van een koster; AS kosterie
costfurlorn = kostverloren = onvruchtbaar land
costing = rente; ON custinghe
cot = vlechtwerk; ON cot = hut, hok, schuur, stal, kooi = AS kot
cot = hemd, schort, jas; ON kot; ME coat
cote =A cott; ON cote
cotere = keuterboer; AS koter
cotsan = ww kotsen
cotse [koetse] = koets; AS koetse; ME coach
cotsere (cotsman) = koetsier
cotshus = koetshuis
cotsman (cotsere) = koetsier
cotsseoc = koetsziek = kostsmisselijk = mislijkheid door hevig schommelen van een koets door ontbreken van goede vering en door slecht wegdek
cotsseocness = koetsziekte
cott (cait, cate) = schuilhut, schuilplaats, schuiloord; AS kote, koot
cou =A cu, cow
couc (coce) = zn koek, taart, plak, schijf, plek, eetplek, gezwel; ON couc, coec, coecke
couc = bn plat, vlak
De term koek komt nogal vaak voor in weg- en locatienamen. O.a. het Koekveld in Lichtenvoorde en de Koekweg in Dalfsen Oost.
coug = koog = buitendijks land
coun = bn 1: koen, flink, dapper; 2: rustig, gerust
counhed = koenheid, dapperheid, flinkheid, etc
counlic (coun) = ON coenlike
cour (corn) = koren; ASoud koer, koir (gewas)
couracre = korenakker
courcaemp = korenkamp = akker waar koren wordt verbouwd; ON koerkamp
courpyt = korenput = droge put voor bewaren van koren; ON korput
couse = kous; ON couse
cousemakere = kousemaker; ON cousemaecker
cow (co, cu, cou) = koe; ON coe, couwe; AS ko, kow, cow)
cowan = mvA cow = koeien
cowan = ww kauwen
cowcarre = koeienkar = kar getrokken door koeien
cowdic = koedijk = dijk waar koeien grazen
cowheap = koeberg = berg (hoogte) waar koeien grazen; ON coeberg
cowman (coman) = koeiendrijver
cowpea = koepad = pad waarlangs koeien lopen
cowsteall = koeiestal
cowweard = koewacht, koeienhoeder; ON cuwaerd
coy = zn kooi, bed; ON coye
coyan = ww kooien
coycere = kooiker
coycery = kooikerij
crabba = krab; ON krab, kreeft; ME crab
crabtreo = krabbeboom; ME crabtree
craccel = krakeel, twist, ruzie
cracclan = ww krakelen, twisten, ruziën
cracian = ww kraken; ME crack
crackcowe = schoen met heel lange punt; ON crackowe
craeft = kracht, kunde, vaardigheid; ON craft = kracht, macht; ME craft
craem = zn kraam, bezit, boeltje, santemekraam; AS kram; ASoud cram
craemere = marktkramer, handelaar
craemery = handel, handeltje; AS/VW kramerij
craet = krat, rijtuig, wagen
craic = kraak; gleuf in rots
cran (cranoc, crane) = kraan, kraanvogel; ON chranuh, crane, craen
cran = vismand; ML krandjang = mand
cranberie = veenbes (# plant, vrucht)
cranc = bn gebogen, bochtig
cranc = bn ziek, arm, behoeftig; ON cranc
crancaemp = kranekamp =A cranmaed
crancniss = ziekte, zwakte, armoede, onmacht; ON crancheit
crane = kraanvogel; ON crane; AS krane = kraanvogel
crane = kraan, hijskraan; ON crane
crane = kraan = flinke vent
crane (crune, creon) = slingerpad; AS kranen, kroene
cranfeld = kraneveld =A cranmaed
cranga = omgekeerd; AS krang
cranig = kranig, moedig, flink
cranmaed = kranemaat = stuk land (veld) waar kraanvogels bivakkeren; AS kranemaot
cranoc =A cran
cranoc = kraanvogelachtig (>A -oc) = reiger
cransumor = kranenzomer = nazomer als de kraanvogels overvliegen; AS kroanensummer, kroanenzommer
crawan = ww kraaien
crawe (cnut) = kraai; AS krô, kra, krê
creafit = kreeft; ON crevit, crevet
creagan (gietan) = krijgen, strijden; ON crighen; AS kriegen
creagar = krijger, strijder, soldaat, militair
cream (craem) = kraam (# handel)
crebsa = kraag; AS krebse
crec = krek, juist, precies, goed
creccel (criec) = krekel (# insect); AS krekkel
crefit = kreeft; ON crevit
crem =A crim
creon =A croen
creopal (crypel) = bn kreupel; ON crepel
creopalholt = kreupelhout
creopan (crypan) = ww kruipen; ON criepen, crupen; AS kroepen, krupen
NB Kroepanweg (= Kruipweg*) Heino
cric = krik, kruk, staf, staaf, haak; ON cric, crike
criec = kers, pruim; ON kriek
criec (creccel) = krekel (# insect); AS krekkel
criecian = ww krieken
crike = kreek, stroom, waterloop; ON creke
crikke = kleine kreek; AS krikke
NB Krikkeven (Tusveld/Almelo), Krikkehaar (famnm Twente)
crim (crem, crum) = bn klein, arm
crimpen = krimpen
crincan = krenken, buigen, vouwen, plooien; ON crinken
crince = krenking, bocht, plooi, vouw; ON crink
crincel = plooi, vouw, bocht; ON crink, crinkel
cring = kring; ON cring
cring = kreng, slachtoffer, oorlogslachtoffer
cringan = omkomen in de strijd
cringgrep = kringsloot
Crist = Christus
cristen = bn christen
cristlic = bw christelijk
critan = schreeuwen; ON crijten
crite = kreet, schreeuw
crite [krait] = zn krijt, kalk
croc (cruce) = kruik
crocce =A crucce
croccedil = krokodil
crock = krul, lok, kuif
crock = staf met gekrulde bovenkant, herdersstaf; ON croc, crocke
crocke = bedrieger, oplichter
crocket = kroket; ON crocket
NB De kroket wordt al gegeten door de oude Batavieren.
crocwyrhta = kruikenmaker, pottenbakker
crod = kruid (# plant); ON crude; AS kroed; ASoud crodde
crod (crodde) = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid
crodbeanan = bruine bonen; AS kroedbonen
crodbroc = kruidenveld; ON crudebroec
crodbour = kruidenboer
crodde =A crod
crodde = akkerkruid: herik, perzikkruid en kleefkruid (# kruid)
crodde = pad, smalle weg; ON crodde; AS/Lettele crodde [krudde]
crodnere = kruidenier, drogist, apotheek; ON crudenare
crodtune = kruidentuin; AS kroedentuun
crodwaegn = kruiwagen; ON crudewaghen
croft = grot, schuilplaats, gewelf
croft = afgeperkt stuk land
croft = kleine hoeve
croft = droog stuk land, hoge zandgrond, duin; ON crofte, crocht
cron =A croen
croen = zn kroon, krans, kring, slinger
croen = zn koning, vorst, lichtekooi; ON croen
croen = bn kronkelig, slingerig; AS/TW kroene
croen = bn stoer, flink, dapper, slim, handig; AS kroen
NB Barchem: restaurant De Croene Jager
croenan = slingeren, kronkelen
croene crane = slingerpad; AS/TW kroene krane = slingerpad
croenig = zn vriend, kameraad, kornuit
croenig = bn kranig; AS kroanig
cronan = ww kronen
crone = kroon; ON crone, croen
croppe = krop, knoest, knot, knop, hals, strot, maag, hals, spruit, tros; ON croppe, crop
cropsalaet = kropsalade; ON kropsalaet
crosal = kruisbes; ON croesel; AS krissel
crosalig = korzelig; AS kroes
crose = kroos (waterplant) > PgAng/Crosewick
crote = kruit = slecht ooft
cruc [krus] = kruis; ON cruce; AS kruse, kruus
crucabele = abeel (# zilverspar) gebruikt als grenspaal; ON crusabele
crucbeam = kruisboom = boom waarbij een kruis staat; AS kruusboom, kroezeboom
crucboga = kruisboog (# wapen); ME crossbow
crucce (crocce) = kruk, staf; ON crucke, crocke
cruce [kruke] (croc) = kruik; AS kruke, kruuk
cruden = drukken, persen; ON cruden, kruien
crum =A crim; krom; AS krum
cruma = zn kruim, kruimel, binnenste van brood; ON crume; AS kruum
crumacre = kromme akker, gekromde akker; ASoud krumakker
cruman = ww kruimelen; AS krumen
crumm (crump) = krom; AS krum
crummeler = AVA crumm + laer (laar = open plek in bos) = krom (gekromd) veld in bos
crump =A crumm
crumpsteort = kromstaart = zilveren munt van 1 stuiver
crunan = ww kreunen
crune = zn kreun
crune (crane) = slingerpad; AS kroene
cruning = kreunen, gekreun
crung = kreng, kadaver; ON croenge
crust = korst (van baksel)
crustar = crustade, korstgerecht
crut (crod) = kruid; ON crude, cruut; AS kruut
crutan {ev crut} = kruiden
crutmos = AS kruudmoos = gerecht van:
Salland: melk, rogge, noten, rozijnen + honing
Twente: karnemelk, gort, worst, spek, rozijnen, stroop + kruiden
crutnaegel = kruidnagel
crutthun = kruidentuin
crutwaegn = kruiwagen; ON crudewaghen
cryce = kruk; AS kruuk, kruke
crypan (creopan) = ww kruipen; ON criepen, crupen; AS kroepen, krupen
crypel (creopal) = bn kreupel; ON crepel
crysan = krijsen, huilen, schreeuwen; AS krisen; ME cry
cryst = kroost, kinderen; AS kreust
cryt = kreet, schreeuw
cryta = kriet = stuk land zo groot dat mensen elkaar nog net kunnen horen als ze hard schreeuwen = circa 100x100 M2 = 1 Ha; AS kriette
crytan = krijten, schreeuwen; AS krieten
cu (cow) = koe; ON coe; AS koo, kow, cow; ME cow
ASoud koe mv koene
cucu (geac) = koekoek (# vogel)
cudh = kunde, vaardigheid
cudhlic = duidelijk, zeker
cufle (cugele) = keuvel, pij
Cuforde = Coevorden
cugele =A cufle
cuhorn = koehoorn (# blaasmuziek)
cul = zn kul, kletspraat, onzin
culan = ww kletsen, babbelen; AS kulen
cule (cyle, kyl, kel) = kuil, groeve, diepte, hol, mijn, put; ON cule; AS kuul; ASoud cule, cel, kel
cule = achterwerk, aars
cule = teelbal, kloot
cult = matras, bed, kussen, deken; ON culcte, culte
cuman zn =A comon
cumaerct = koeienmarkt
cumbe =A combe
cumbe = vallei, dal
cumber = zn kommer, zorg, last, hinder; ON comber
cume = nauwelijks; ASoud kueme, kuim
cumstig = komstig, toekomstig, voortaan; ASoud kumpstigh
cuweda = koeweide = 440x440 roeden = 0.57 Ha
cumb = kom, vlakte tussen bergen
cunan >A cu
cunelle = keule, tijm, kervel; ON konala
cunnan = ww kunnen, kennen, weten
cunne = kunne, geslacht, sexe, afkomst; ON conne
cunnend = kundig, bekwaam, handig, slim; ME cunning
cunnian = proberen, zoeken, testen
cunst = kunst, kunde, bekwaamheid, vaardigheid
cunt = kont
cupe (tub) = kuip, qaskuip, badkuip
cupere = kuiper, kuipenmaker; TW/oud cuper
cupery = kuiperij, kuipermakerij
curen (coran) = keuren
curete = curator
curle = krul, lok
curlig = krullend, krullerig
curna = korrel; AS/Salland keurne
cuse (sticc) = stok; AS koeze
cuse = bn kuis, ingetogen
cutan = snijden, afsnijden, hakken, afhakken, kappen, afkappen
cute = zn snee, plak, afgehakt stuk
cute = zn kuit (# been); AS kute, kuut
cute = bn leuk, aardig, lief
cutel = ON mes; NB ME cutlery = bestek
cuth = bekend
cuthlic = zeker, zekerlijk, klaarblijkelijk
cuthlice =A cuthlic
cuthon =A cunnan
cuwaerd = lafaard; ON cuwaerd
cuwaerdig = lafhartig, laf
cuworde = komkommer; ON cuworde
cuyrian = ww kuieren = gezellig praten; AS kuiern
cuyrhus = kroeg, cafee; AS kuyerhuse
cwacc = kwak, kwakzalver
cwaccan = ww kwakken, kwakkelen
cwacian = ww kwaken, beven
cwaedan =A cwethan cwaede =A cwethe
cwala = kwaal, geweldadige dood
cwealdar = kwelder = stuk grond in zee dat alleen bij hoogtij onderloopt
cweart = bn kwart
cwearter = kwartier, gevangenis
cweartern = inkwartieren, gevangen zetten
cwecwa (cwice) = kweekgras, onkruid; AS kwekwe
cwed = kwaad, slecht
cwedele = buil, gezwel
cweem (# gecweme) = kundig, bekwaam
cwellan = kwellen, doden
cwellwaeter = kwelwater = water dat onderdoor de dijk sijpelt
cwen = koningin; AS/Gro/oud queen
cwenbeo (mor) = bijenkoningin
cwene = kween = oude vrouw, onvruchtbare koe; ON quene; AS kwen, kween
cweorn = kweern, handmolen; ON queerne
cwesal = kwezel = zeurpiet
cwesalan = ww kwezelen, zeuren
cwesan = ww persen, uitpersen
cwethan = ww kwetteren, spreken, zeggen, noemen, roepen
cwethe = gekwetter, gesprek, bewering, benoeming, roep, geroep
cwic = kwik, kwiek; ON quic = kwiek, levendig; AS kwiek
cwice (cwecwa) = kweek, kweekgras, gras, snel groeiend onkruid
cwician = levend (kwik) maken
cwid = bw kwijt
cwidam = kwibus, kwast, dom mens, sufferd, rare, gek; AS kwidam > PgAng/Quedam
cwide = toespraak
cwidh = buik, uterus
cwidraeden = besluiten, overeenkomen
cwinan = kwijnen; ON quinen; AS kwinen
cycan (kikan) = kijken; AS kieken; AS/Gro kaiken
cycene = keuken; ON cokene, cuekene
cycengaerd = keukentuin, groentetuin
cyddan = mededelen, bekend maken
cydde = mededeling, bekendmaking
cyfar = cijfer, getal
cyff (cif) = kuif, hoogte, piek; >A cifwit
cyle (cule) = kuil; ON coel
cylene = kuil, koolput
cylholt = kuilhout, houtskool; ON kelholt
cyme = komend
cyme = zn kiem
cymp = komt; AS kump
cympan {cymp, cwamp, cympan} (comon) = komen; ASoud kompen
cyn = kunne
cynebearn = koningskind
cynegierela = koningsmantel
cynelice = koninklijk
cynerice = koninkrijk; EZ kunnijrich
cynestol = koningsstoel, troon
cyneweard = paleiswacht
cyning (kuning) = koning
cyninghus = koningshuis
cyne = zn keun = big; AS keune
cyne = bn koen, flink, kordaat, dapper, vermetel; AS keun
cynn (kinn, kunn) = kinne, clan, volk, stam, volksstam; ON kinne = bloedverwant
cynns- = bn verwant
cynnsfolc = verwant volk
cynnsman = bloedverwant
cyns (thyns, tins) = cijns, pacht, rente; ON thyns; ASoud tins
cyran = ww keuren, kiezen, beschikken, beslissen; ON coiren
cyre = keur, keuze, besluit; ON keur
cyrin = zn karn
cyrinan = ww karnen
cyrinmilc = karnemelk
cyrnel = zn kern, pit; ON kernel
cyse = belasting; ON cise, cijse
cyse =A cese
cyss = kus >A sem
cyssan = ww kussen
cyst = zn keus, keuze; ON kust (te ~ en te keur)
cyst = zn voorkeur
cystod = opzichter, toezichthouder, inspecteur; ON custode
cystig = verkieslijk
cyta (wihe) = wouw (# vogel); ON wihe
cythan = kutten, kletsen, kauten, praten, vertellen, bekend maken
cythnes = kletspraat, testament
cythth = bekende, kennis
 
d::
d... ze th...
-da =A -ta
daed = daad
daedel = dadel; ON dade
daeding = dading, rechtszaak, overeenkomst
daedingan = vervolgen, onderhandelen, overeenkomen
daeg {mv daegas} = dag; ON daech; SW daeg
ilcan daege = elke dag
daegas {ev daeg} = zn dagen
daegbow = dagbouw (# mijnbouw)
daegclip = dagorder (# leger)
daege = zuivelfarm
daegeseage (golde) = madeliefje (# bloem)
daegfor = dagtocht, dagmars
daeghyrdere = daghuurder = iemand die dag aan dag ergens werkt
daeglan = dagloon
daegleanere = dagloner
daegmaet = dagmaat = 2/3 morgen = 0.57 Ha = 1/4 bunder; ON dachmaet; ASoud dachmaet
daegred = dageraad; AVA daeg(dag)+red(rood); NB morgenrood
daeghwaemlice = dagelijks
dael = dal, laagland; ON dale
dael = deel, onderdeel
bi daele = ten dele, enigszins
daelan = ww delen, verdelen
daeldar (daller) = daalder; ASoud daler
daeler (daeldar, dallar) = daalder; ASoud daeler (mv daelers), daler; USA dollar
dafen (dawan) = daverend, schitterend, prachtig, mooi, heilig, goed
dafenian = betamen
dag = deeg; ME dough
dagan (taegan) = ww dagen, uitdagen
dagas (ev daeg) = zn dagen
dagga = grote dolk; ON dagge; ME dagger
daggan = steken, doodsteken
dagian = dagen, licht worden
daging = dagen, ochtendgloren
dalc = spang, gesp, armband
dal = doel; ME dole
dallar (daeldar) = daalder; ASoud daeler (mv daelers), daler; USA dollar
dam = dam, dijk, kade
dam = erf, grondgebied
damp = damp, nevel
danc = dank
dancan = danken
dansan = dansen
danse = dans
daringdelfan = darinkdelven = zoutwinning door verbranden van gedroogde plaggen uit zilte veengrond waardoor zout overblijft
daw = zn dauw
dawan = zn ochtendgloren
dawan = ww dauwen, dagen, gloren
dawen (dafen, defen) = schitterend, prachtig, mooi, heilig, goed
dead (doy) = zn+bn dood
deadbot = dodenboot = boot die een dode vervoert
deadceap = doodkoop = te betalen bedrag als een leen overgaat op een ander bij de dood van een leenman; ON dootcoep
deadcest = doodskist
deadcladh (lycwat) = doodskleed
deaddanse = dodendans = dans bij een dode; afscheidsritueel
deaddom = doodstraf
deadhemedhe = doodshemd
deadstil = doodstil
deaf = doof
deal = deel; ASoud deill; SW diel; ME deal
dealan = ww delen, verdelen
deanan {deant, deanet, deanad} = ww dienen
deanere = bediende; ON diener
deanst = dienst; AS deenst
deanstman = dienstman, edelman
dear = bn duur
deara tid = zware (moeilijke) tijd
dearr = zn durf, moed
dearran = ww durven
dearre = modder; AS/VWoud derre
death = zn dood
deaw = dauw
decc = zn dek (# schip)
deccan = ww dekken
decembre = december; ON decembre
defen =A dafen
deghan = zn degen (# wapen)
deghan = ww sterven, dood gaan
delay = uitstel, tegenspraak; ON delay
delfan (dilfan) = ww delven, graven
deman (reafere, redgar, rihtar) = rechter
deman = ww oordelen, achten
demman = demmen, afdammen; ON demmen
demmere = afdammer (# beroep)
NB Wierden wegen: Koerdam aansluitend Demmersweg: i.c. een dam bij een korenveld + aansluitend een weg naar (het huis van) de afdammer.
Dene = Deen, Deens
Denum = Denemarken, Denen
deoc (doc) = doek; AS deuk, dook
deofol = duivel
deofolgield = duivelsgeld, duivelsoffer, idool
deop (diop) = zn diep, diepte, laagland, watergat, slenk; AS deep; AS/Gro daip
deop (diop) = bn diep; AS deep; AS/Gro daip
deoplic = diep, diepelijk
deopta (diopta) = diepte, laagland
deor = zn dier, wild beest
deor = bn wild; > dior
deorc = donker; ME dark
deorc maen = donkere maan
deorfan = derven, durven, arbeiden, in gevaar zijn
deorfell = dierenvel, -huid, -vacht
derian = deren
-des (-ds) = van, uit ...; VB Lundes = van, uit Londen; ON Londsch, Lundsch
dest (AVA don = doen) = deed; AS deust
dewile = terwijl; ASoud dewile
Dewnter = Deventer
-dha =A -ta
dic = dijk, dam, sloot, greppel; ON dic, dyck; AS dick, diek, dike; AS/VWoud dyk, dyck; ME dyke, ditch
dicbow = dijkenbouw
dichus = dijkhuis; AS diekhoes
dicraed = dijkraad = dijkbestuur; ON dyckraet
dicsluth = dijksloot = sloot ter afvoer kwelwater; ON dicslut
dicstol = dijkstoel; AS diekstoal
dicwaeg = dijkweg; AS diekweg
diedan = doden
diegol = geheim, verborgen
diegollice = heimelijk
dif = duf, dof
diffy (stupy) = duffig, dof
diht = zn gedicht
diht = bn dicht
dihtan = dichten, componeren, schrijven, organiseren
dile (dili) = dille (kruid met gele bloemen)
dilf = gracht, sloot; ON delve, dilf; AS/Gro/oud dilf
dilfan (delfan) = ww delven
dili =A dile
dilgian = delgen
ding = ding, twist, rechtszaak
dingan (thingian) = dingen, bedingen, afkopen; AS dingen
dinghus = dinghuis, rechtbank, raadhuis, vergaderruimte
ding = zn stront, mest; AS dung
dingig = bn vuil, smerig
dingsdaeg = dinsdag (ON dingsdag) = dag waaop gedingt wordt > PgAng/Dingplaatsen
dingsig = onzeker, ongerust, verdrietig
dingpleats = dingplaats
dingspel = dingspel = rechtsgebied
diop (deop) = zn diep, diepte, laagland, watergat, slenk; AS deep; ME deep
diop (deop) = bn diep; AS deep; ME deep
diopta (deopta) = diepte, laagland
dior = (deor) dier
disc = dis, schotel; AS disk
discthegn = disdienaar, ober
dobba = dobbe = plaats met water in gemeenschappelijk gebruik voor drink- of bluswater
doblar = schaal, schotel; ON doblier
doc =A deoc
dodda (dobba) = plas, meertje; AS/Gro dodde
dodde (lysdodde) = soort waterplant
dodelsacc = doedelzak; AS dodelzak
dodder =A dodde
doddig = lief, klein, onnozel
dog (hund, hound) = dog, hond
dogcarre (hundcarre) = hondekar = kar getrokken door 1 of meer honden
doggar = visboot met twee masten en hoge steven
dohan = dogen, deugen; AS dochen
dohte = deugd, goedheid, kracht, grote daad; ON doget; AS docht
dohte = roeibank; ON dohte
dohtor = dochter; Iraans: dotir
dola = dole = torenkraai, kauw
dolael = dolaal; soort aal (# vis)
dolcusan = soort balspel; AS dolkoezen
dolic (dollcrut) = dolik, dollekruid (# akkerbloem)
doll = 1: dol, dwaas; 2: saai
Doll = Doll (mansnaam) > PgAng/Dolling
dollan = ww dollen, gek doen
dollcrod (dolic) = dollekruid; AS dolkroed
dollcrut =A dollcrod
dolle = dollekruid, # onkruid, zwartkoorn (w.o. akkerkruid); ME hamlock
dolle = dolk; ON dolle
dollcaeppe (meadcaeppe) = dollekap, dollehoed, gek
dollhod (meadhod) = dollehoed, dollekap, gek; AS dolhood
dollhod = zandhoogte waar veel dolic groeit; > PgAng/Dollehoed
dollhus = gekkenhuis; ON dolhuis; AS dolhoes
dolling = dollen
dollman = gekke man, gestoorde man
dolmod = vrolijkheid; AS dolmod
dolmodig = vrolijk, opgelaten; AS dolmodig
dolmyd = overmoed, vermetelheid, onbezonnenheid; AS dolmeud
dolmydig = overmoedig, vermetel, onbezonnen; AS dolmeudig
dollwif = gekke vrouw, gestoorde vrouw
dom = zn oordeel, straf; ON doem
dom = bn dom
-dom = -dom = geaardheid, gesteldheid, kwaliteit, e.d.
doman = ww oordelen, veroordelen, straffen; ON doemen
domne = heer, domein
domniss = domheid
domsdaeg = doemdag = dag des oordeels; ON doemsdach
don [dôan] {dot, dest, don} = doen, maken, ageren; >A dest
doosan = ww doezelen
doosig = doezig, slaperig, duf; AS doezig; ME doozy; >A dusig
dor (dore, duru, dyro) = deur, toegang, toeganspoort, baai, monding ON dore; AS door, dure; LW durys >A dore, duru
dorbelle = deurbel
dorcepere = deurbewaker, portier
dorcnobb = deurknop
dore (dor) =
1: deur, doorgang
2: breed open landschap, vlakte, veld; AS/AH deure
3: toegang, poort, toeganspoort, baai; ON dore; > doric
NB1 Fiveldore = Fivelboezem, Fivelmonding = groot open estuarium van de vrml rivier Fivel, gelegen tussen Spijk, Stedum en Usquart in NO Groningen. > PgAng (Fiveldor)
NB2 Dore komt voor in Engelse plaatsnamen als Kirkby Thore en Low Dore in Cumbria (HAG/NW Engeland). Beide locaties liggen inderdaad in groot open gebied.
NB3 "en garde, genomet de Snakenborch buten deme Nigen Dore 1494" (regio Rostock, NO Duitsland) = een gaarde (omheinde plaats), genaamd Snakenborch behalve het gebied de Negen Dore anno 1494.
NB4 Duits Tor = poort.
NB5 Pintu Ajar (Sumatra) = Deur naar het Water (Tobameer) = groot open gebied dat toegang geeft naar en uitzicht geeft op het Toba Meer.
NB6 Te Harreveld in de Achterhoek ligt het veld Hammendeure. Vandaar loopt de Hammenstege naar 't Heetland, een zandhoogte. Deze situatie demonstreert perfect de betekenis van Anglische dore: een toegang (deur, poort, open veld) tot iets anders. Hamme = Anglisch hamma = beboste hoogte in moeras. Deze situatie doet zich exact zo voor in Harreveld. 't Heetland ligt namelijk in een groot drasland.
NB7 Doreweg in Wiene/Delden.
dore (dor, duru, dyro) = deur, baai, riviermondinge; ON dore, door; LW durys; >A dor, duru
NB Fiveldore (Fivelingo/Gro), Durdle Door (Z.Engeland)
dorganc = doorgang, spijsvertering; ON doreganc
doric = breed, rustiek; ES doric; ME doric
dorig = vz door; AS dorig
dork (dulc) = dolk
dorkan = doodsteken
dorland = Lt: doorland = open land waar makkelijk doorheen getrokken kan worden
dorran =A durran
dorsan {dorst, dorste, dorset} = ww dorsen, durven
dorste = dorste, durfde (AVA dearran = durven); > dearran
dorstepp = stoep
dorsticc = deurstok; handhoogte; soort wandelstok tevens slagwapen o.a. gebruikt door deurwaarders en geldinners om op deuren te kloppen; deze wandelstokken werden in Engeland gemaakt en gebruikt tot dik in de jaren 50 van de 20ste eeuw.
dorweard = deurwaarder
dosc (dox) = duisternis
dostar = duister; AH/Harreveld doster
dostarniss = duisternis
dox =A dosc
doy (dead) = zn+bn dood
doy = zn dode, dooie
doy = zn dooi
drab = drab
drabig = drabbig, vaalbruin
draca = draak
draefic (dropsan) = dravik (# gras)
draen =A dran
draenan =A dranan
draewoncel = zweer; ON drawonkel
draf = samengedreven kudde, menigte
drafan = ww draven, rennen
drafere = veedrijver, veehandelaar
drafhors = drafpaard
drag = zn dracht
dragan (thragan, drawan) = ww dragen, trekken
dragtig = drachtig
dran (draen) = dreun, dar (# bij), zeurpiet
dranan (draenan) = ww dreunen, brommen, gonzen
dranc (drinc) = zn drank
drancheall = drankhal
drapere = handelaar in kleding, linnen, etc; soort textielhandelaar
drawan (dragan) = ww dragen, trekken
dread = droef, bang, bevreesd
dreadan = droef zijn, bang zijn, vrezen
dreadig = dreofig, angstig, bedroefd
dreadniss = droefenis, droefheid, angst
dreag (drog) = bedrog
dreagan (drogen) = bedriegen; ON driegen
dream = droom; AS dreem
dreaman = dromen; AS dremen
drean = gedrein, gezeur
dreanan = dreinen, zeuren
dreanig = dreinerig, zeurderig
dreap = drop, drup, druppel
dreapan = ww druppen, druppelen
dreappel = druppel, drempel; AS dreppel
dreapsig = drassig, nat; AS drepsig
dreas (drys) = dries = braakland; ON driesch
dreat (dryte) = zn scheet, stront, poep; ON dreet; AS driet
dreatan (drytan) = poepen; ON dreeten; AS drieten
dreatig = bn vies, vuil
dreatpol = AS drietpol = graspol op oude koeiepoep
drec = drek, mest, stront, modder
dreccarre = drekkar, strontkar, mestkar
dregan = dreigen; AS driegn
drencan (drincan) = drenken, drinken
drenchus =A drinchus
dreopan = druipen
dreor = treurnis, verdriet
dreoran = treuren
dreorig = treurig, verdrietig
dreosan = druisen, druilen, motregenen; AS droesen
drepan = treffen, slaan, doden
drifan = drijven, rijden; AS drieven; ME drive
drife (drift) = dreef, drift = brede landweg
drifere = zn drijver
drift =A drife
drifwaeg (leadwaeg, utdrift) = drijfweg = weg waarlangs vee wordt gedreven
drinc (dranc, drinca) = drank
drinca =A drinc
drincan (drencan) = drinken
drincgield = drinkgeld
drinchus (drenchus) = drankhuis, bar, cafee, taveerne; AS drinkhoes; staat op achtererf
drincwaeter = drinkwater
drit = zn vuil, afval, poep; AS driet
dritan = ww drijten, poepen; AS drieten
drithus = wc; AS driethoes
drog (dreag) = bedrog; ON droge
drogan (dreagan) = ww bedriegen
drom = drum, trommel; ON drom
drop = zn val, galg
dropa = zn drop, drup, druppel
dropan = ww droppen, druppen, druppelen, druipen
drope (scurf, sceorf) = schurft; ON drope
dropian = ww druppelen
dropsan (draefic) = dropsen = # gras
drosne = droesem
drubb (drubbing) = zn afranseling, afrossing; AS droeb
drubban = afranselen, afrossen; AS droeben
drubbere = vechtjas, geweldpleger, agressieveling; AS droeber
NB Droebersweg in Lievelde, Achterhoek.
drubbing =A drubb
druckan = drukken; ASoud drucken
drug = bn droog; AS dreug
drugad = zn droogte
drugan = ww drogen, afdrogen
druncan [droncan] = bn dronken; ES dronk
dryan = ww draaien; AS dreien
drylyre = draailier (# muziekinstrument)
dryctin = drochten, voortbrengen, maken, scheppen
dryddhan = beroven, plunderen
dryft = druft
dryftan = druften, behoeven
drygan = drogen, uitdrogen, verdorren
dryge = droog, dor, verdort; AS dreug
drygery = drogerij
dryht = zn heer
dryppan = ww druppen, druppelen
drys (dreas) = dries = braakland; ON driesch
drytan (dreatan) = drieten, poepen
dryte (dreat) = zn driet, poep
-ds >A -des
ducan = ww duiken; ON+AS duken
duce = eend (# pluimvee); ON duker
duden = duiden, betekenen; ON duden, dieden; AS duden
dufe = duif; AS duve, doeve
dufebeanan = duivebonen
dufelere = duivenvanger; ON doevelaar
dugan = ww deugen, nutten
dugd (dugudh) = deugd
dugudh (dugd) = deugd; ON daghet; ASoud dugent
dugudhan = deugen
dugudhig = deugdzaam, deugdelijk; ASoud dochtig
dugudhlic = deugdelijk
dugudhniss = deugdzaamheid
dugudhric =deugdrijk, deugdelijk; AS/Gro1605 doegentrieke
dugudhsum = deugdzaam
dul =A dull
dulc = dolk
dulcan = doodsteken
dull = bn saai, dom, dwaas; ON dul
dull = zn dul = dom persoon
dullig = dom, dwaas, saai; AS/VW dullig; ME dull
dumb = stom
dumpan = dompen, doven; AS dumpen
dun (dune) = zn duin, heuvel; ON duna
dune {mv dunes} (dun) = zn duin
dune = vz beneden, omlaag; > adune
dunewind = duinwind
dunland = duinland
durfan = durven, mogen; ASoud doerven
durron (dearran) = duren
duru (thur, dor, dore, duru, dyro) = deur; ON dore; AS dure, door; LT durys; > dore
durfan (thurfan) = ww nodig hebben; ON durven, dorven
durran (dorran) = ww durven, wagen; ON durren, dorren
dusan {dust, dost, dust} (dusigan) = ww doezen; AS doezen
dusig = doezig, slaperig; AS doezig; >A doosig
dusigan =A dusan
duslan = ww duizelen; AS duuslen
duslig = bn duizelig; AS duuslig
dust = 1: stof, poeder; 2: stuifmeel; ON dunst; AS dost, doest
duste = zandvlakte; AS duste, doeste
dustig = stoffig
dwaes = dwaas
dwalian = dwalen
dwellan = wonen, verblijven, uitwijden; ON dwellen
dwelling = woning
dweorg = dwerg
dweomer = spuug, speeksel
dwinan = verdwijnen, afnemen; ON dwinen; AS verdwienen
dwolan = dwalen; AS dwollen
dwolant = dwalend
dwoling = dwaling
dwolman = kluizenaar
dwolness = dwaalnis
dwolsum = misleidend
dwyld = dwaling, vergissing
dyde (AVA ww don) = deed
dyderian = bedriegen
dyhtig = duchtig, flink
dyppan = ww dippen
dyro (dor, doro, duro) = zn deur
dyrre = bn dor, droog
dysig = slaperig, dwaas; AS doezig
 
e::
e- = ge-; AS e-
VB: Angl.: enog = genog = NL genoeg; AS genog; AS/AH enoeg; ME enough
ea = rivier, waterloop; ON Aa, Ae, Ee
eac = ook; AS ok; SW ok
eac swelce = ook welke, ook, temeer
eacnian = toenemen
ead = geluk, bezit, rijkdom
eadig = gelukkig, rijk, gezegend
eadniss = gelukkigheid, rijkdom
eag (aeg, eather) = ieder; ON ieg; ME each
eaganbearth = twinkeling van de ogen
eage = oog; AS oge; LW aky (mv akys)
eagebra (wencbra) = wenkbrouw; AS ogenbussel
eagebru = wenkbrouw; AS ogenbussel
eagle (aran) = arend, adelaar
eaglesthrep = arendsterp, arendsklif, arendsnest
eaglic (aeghwelc, eather) = ieder, iedereen; ON ieglic
eagre = waterkruik
eagtha = eg, egge (# landbouw); AS eeghde, egede
eagtha = echte = band, relatie, huwelijk, groep; AS eeghde, egede
eagthan = ww eggen, bewerken met eg
eagthan = ww echten, huwen
eagther (egtir, hwethrae, mer, mar, mor, thogh) = echter, maar, doch, hoewel
eagthyrel = AVA eag (oog) + thyrel (tuurgat) = raam
eahta = acht
eahtatene (-tyne) = achtien
eahtatig (hundeahtatig) = tachtig
eahtatyne (-tene) = achtien
eal = gier, mestvocht; ON ael
eal = bn ijl
eala = hola!
ealan = ww ijlen, verdwijnen
Ealba = Elbe (rivier)
eald (ald, old, aold, auld, ould) = bn oud; ON old, out; AS old, aold; SW oold
{} eald, ieldra (ouder), ieldast (oudste)
eald zn =A ealdorman
Eald Seaxe = Oude Saxen, Oud Saxenland
Eald Saxum = Oud Saxen(land)
ealda = oude, de oude
ealdar =A ieldra = ouder
ealdars (ealdors) = ouders
ealdhafig = land dat van oudsher bij een hoeve hoort; ASoud olthovich
ealdor = ouder, hoofd, meester, heer, prins
ealdorbiscop = hogepriester
ealdorman (eald, alderman, olderman, earl) = bestuurder, hoofdeling, leider; ASoud olderman
ealdormen = oldermannen, leiders
ealdors (ealdars) = ouders
eall = bn heel, hele
ealla = alle, helemaal
eallniwe = heel nieuw
eallswa = heel gelijk (zelfde)
eallunga = allemaal, helemaal
ealman = vrachtboot met platte bodem; ON aleman
ealmosnere = aalmoezenier; ON elemosinier
ealra = aller
modgast ealra = allermoedigst = moedigste van allen
ealu (alu) = ale, eel (# bier met weinig hop)
eam = oom; ON oem; AS eum
eama = tante, zoogmoeder
eamp (aelmette) = mier; AS emp
eampt = gevoel
eamptig = gevoelig, prikkelbaar; AS emptig
eanc = enk, eng = aaneengesloten akkercomplex
eanciberth (engiberth) = enkland
eanian = onen = lammeren werpen; ME yean
eap (eoppa, elm) = iep, elm, olm (# boom)
ear = aar
ear = zn aarde
ear = bw eer; bn oer
earan = aren, oren
earbaerm = erbarmen, medelijden, mededogen
earbaerman = ww erbarmen over, ontfermen over
earbaermlic = erbarmelijk
earbaermlicniss = erbarmlijkheid
earbaermniss = erbarmen
earc = bn erg, slecht, boos, kwaad
earc (arce) = zn boog, bocht, brug, gewelf
earc = zn kist, kast, koffer
earc = zn ark, boot, woonboot
earc (boga) = zn boog (# wapen)
earceran = ww ergeren
earcere = boogschieter; ON archier
earcniss = zn ergernis, boosheid, kwaadheid
eard = aarde, land, homeland
earda (eorthe) = aarde
eardan (eardian, abidan, wunian) = aarden, wonen; > Whitware
eardh (ploh) = zn ploeg
eardhan (plohan) = ww ploegen
eardian =A eardan
eardig = bn aardig
eardung = huis, woning
eardungstow = schuilplaats
eardwaru = aardewerk
eare = oor (# lichaam)
earen = zn oren
earf = erf, erfenis = huis met bijbehorende grond, stuk onbebebouwde grond bij huis; ON herv
earfan = ww erven; ON herven
earfdael = erfdeel
earfgudh = erfgoed
earfhus = te verdelen boedel; ON erfhuus
earfhyr = erfhuur, erfpacht; ON erfhure
earflic = erfelijk; ASoud erblecht
earfniss = erfenis; ON erfnisse
earfodh = arbeid
earfothe = ellende
earfpeand = onroerend goed; ON erfpant
earfriht = erfrecht
earfsoone = deel te betalen zoengeld; ON erfsoene
earg = erg, laf, traag
earh =A arwe
earl =A ealdorman
earlapel = oorlepeltje
earm = zn arm
earm = bn arm, armoedig
earmhus = armenhuis
earmlic = armelijk, ellendig
earmod = armoede, karigheid; AS armood
earmodig = armoedig, karig; AS armodig
earmodighad = armoedigheid
earmsarg = armenzorg
earn [e:rn] (aran) = arend
NB Arnhem = Arendhem; Arnhems: Arnhem []= Ernem
earnian = ww verdienen
earpel (aerpel) = aardappel; AS earpel
ears = aars
eart = aard, zijnde
earwa = erwt; AS earwe
earwasoppe = erwtensoep; AS earwesoppe
earwiega = oorworm (# insect); ON orwurm; ES luistervink
eas = zn es (# landbouw); AS/NWD ees (NB Eesmann = Esman)
easgrund = esgrond
easig = makkelijk
easland = esland
east = oost; ON oest
eastlic = oostelijk
Eastran =A Eostre
Eastre =A Eostre
eastrihte = oostwaards
eastweard = oostwaards, oostelijk, ten oosten van
eathelic = ettelijk, enige, niet gering
eather = ieder
eatherane = iedereen
eathmod = ootmoed, nederigheid
eathmodan = vernederen, nederig maken
eathmodig = ootmoedig, nederig
eathmodlice = ootmoediglijk
eax =A asce
eaxl = oksel
ebba = eb (getij); AS ebbe
ebentreo = ebbenboom
ebenyf = ebbenhout; ON ebeen
-ec = -ig; >A -oc
ece (aiwig) = eeuwig
ecg = scherpe kant, snijkant (vanmes e.d.), punt, hoek; ON egge = eg, hoek; ME edge
ec {mv eci} = eeuw
eci = eeuwen
ecnes = eeuwigheid
ectir =A egtir
eek = eik; AS eek; >A ac
efen (efne) = even, gelijk
efenealan = evenaren
efeneald = evenaarde
efenfull = evenvol, evengoed; ASoud evenvolle = evengoed
efencneow = evenknie
efenlaecen = gelijken, lijken op, overeenkomen, imiteren
efnan = effenen, even (gelijk) maken; >A efen
efne =A efen
efne = pas op, inderdaad, juist; DT eben
efsian = haar afknippen
eft = alweer, nadien, toen, terug
eftir = nadat, echter > aefter, egtir
ege = vrees, angst; >A egesa
mid micla ege = met grote angst
egelyc = vreselijk, afschuwelijk
egesa = vrees, schrik; >A ege
egeslic =A egelyc
egtir (eaghter, hwethrae) = echter
ehta = aanklacht
ehtan = aanklagen
ehtere = zn aanklager
ehtstol = etstoel, rechtbank
-el (-le) = klein, -je, -tje
elc (ilc) = elk
elcor (aens) = anders
ele (oly) = olie ellaern (aelhorn, flear) = vlier (# struik)
elle (alor) = els (# boom); ON elle
elles = anders, overigens; ON els
ellor = naar elders
elm (eap, eoppa) = elm, olm, iep (# boom)
eln = el (lengtemaat) = circa 70 cm.
elna (endleofon) = tw elf; AS elne
elnboga = elleboog (# lichaamsdeel)
elnmaet = ellemaat = meetstok
elpenban = olifantbeen, ivoor; ON elpenbeen
elpend = olifant; ON elpent
elra = elders; ON elre
elsholt = elzenhout
elsmars (elsmors) = moeras waar veel elzen groeien
elsmors =A elsmars
-elt bij veldnamen: = uitgang die duidt op de aard van bodem of begroeiing. VB Nattelt en Sappelt = nat, drassig land.
eltheodig = uitlandig, elders
eltheodignes = uitlandigheid
emna (empna, emnaeth amna, ampna) = vlak laagland; ES emnet
emnaeth (emna, empna, amna, ampna) = vlak laagland; ES emnet
empna =A emna
ence = duimbrede wond; ON enke, inke
end (and) = en
-end = -end; ASoud -ent; VB belerend
ende (inde) = end, einde, rand, zoom; ON ende; ASoud ende; ME end
endebyrdan = ontlasten; > byrdan
endebyrdnes = ontlasting, verlichting
endemes = zn eindpunt
endemeslic = eindelijk
endewaenda = eindpunt van een akker waar de ploeg gekeerd kan worden; ASoud endewende
endian = ww eindigen, sterven
endleofon {AVA end(eind)+leofon(leven)} (elna) = elf; AS elf, elne; ME eleven
endleofta = elfde
ened = eend (# pluimvee)
Eng- (Ang-, Ing-, Ong-, Ung-) = inkorting van de term Engle (Angle, Angel)
VB England = land der Angelen
enge = eng, nauw, krap
Engel (Angel) = Angel
Anglisch voor Angel = lid van de Germaanse stam der Angelen.
Deze term wordt ook vaak gebruikt als regionaam of onderdeel daarvan. Zowel in in het verre verleden in Engeland, maar nog steeds op het Continent.
engel = engel
engiberth = enkland; AS/Gro/oud enciberd
Engislingi =A Angelslengi
Englaland = Engeland
England = Engeland = land waar voornamelijk Angelen wonen; ON engelant, ingelant > PgAng/Engeland
Engle (Angle, Ingle) = Angle
Englisc = Engels
Englum (Angle) = Engeland = land van de Angelen
Englum = Angelham = woonoord van Angelen
englewyrtal = engelwortel (# kruid)
enig (aenig) = enig, iemand; > naenig
enion (cipel) = ui; ON enioen
enog (genog) = genoeg; AS enog, genog; ME enough
Ensce = Enschede; AS Enske
envi = afgunst; ON envie
eo = pv u, je; AS oe
eo = die, gene > Whitware
eode = gaande (AVA gan = gaan)
eodon = zn gaanden, zij die gaan (AVA gan = gaan)
eodor = omheining, hof
eofor = ever, everzwijn
eoh (hros, hors) = paard
eolh = eland
eom = zijnde, wezende (AVA sin, wesan); >A wesende
eoppa (eoppa, eap, elm) = iep, olm (# boom)
eordberie = aardbei
eorl = edelman, vorst, krijgsheer; ME earl
Eorlingas = volk van Eorl
eorlscype(-scipe) = leiderschap
Eorman = Ostrogoten = volk in Zuid Rusland sinds circa 410nC
eornost = ernst
eornostig = ernstig
eornostlic = ernstig
eornostnes = ernstigheid
eorthbuend = aardbewoner, man
eorthe (earda, orette) = aarde
eorthfaest = aardevast
Eostre = godin van de dageraad > PgAng/Eostre
Eostre (Pasce) = prechristelijk Paasfeest van de Angelen > PgAng
Eosturmaent = april
Eosturmonath = april
Eosturn = hoogtepunt van Eostre > PgAng
eow = pv uw, jouw; AS oew
eow (iw) = zn ijf, taxus (# boom); ON eef, ief; AS ief; ASoud iew, yw
eowa =A eow, iw
eower (yor) = bz uwer, jouw; AS oewer
eowian = tonen, showen
eowta = AVA eow (ijf, taxus; AS ief) + ta (veld) = veld met ieven; > PgAng/Eefde
eowu = ooi
Eowum = Avionen(-land)
epistola = epistel, brief
eplin = kamille (# kruid); ON epelijn
-er {bij namen} = iemand of iets verbonden met ...
-er {bij zn en namen} (-an) = van, horend bij
-ere (-lere) = -maker, -doener, -houder, -zijnder, e.d.
VB mylenere = molenaar; fiscere = visser; etc > PgAng/Ambachten
-ert (-art) = -ert: zegt iets over geaardheid. BV gesteldheid van grond (land). VB stobbert = veld met veel stobben (boomstronken)
-ery (-lery) = -erij, wat erbij hoort, gedoe; vb fiscery
esan = ww eisen; ON esen
esol (assa) = ezel
est = gunst; > unnan
etan (ettan, attan) = ww eten; AS etten, atten
ethe = ette, edelman
ethel = zn geboorteland, thuisland
ethel (aethel) = bn edel
ethelfraw = edelvrouw = adellijke dame
ethelman = edelman = adellijke heer
ethelstol = etstoel = adelijke raad
etlic = ettelijk
ettan (attan, etan) = ww eten; AS etten
ettan = ww etsen
eufel (yfel, afel, ofel) = euvel = slecht; ON evel; ASoud euvel, ovel
eufelgunne = slecht land
euwan = ww grazen, begrazen
euwe = uw, jouw; AS oene
euwer (yor) = uwer, jouw; ON jouwer; AS/Gro joen
euwhurst = horst die begraasd wordt
ew (eow, iw) = ijf, ief = taxus (# boom); AS eef; AS/VW iew, yw
ewholt = iefhout, taxushout
ey {mv eyan} (aeg) = ei; ASoud ai
ey (oe) = eiland, hoogte (eiland) in moerasgebied; AS/oud ey, eye
NB1 Beverey (bevereiland) bij Worcester >A Beverey; > PgAng/Beverey
NB2 Swaney (zwaneneiland) in Hannover
NB3 Eybergen op kaart HTN/1783 > PgAng/Eibergen
NB4 Eeie/Hengelo/Twente op kaart HTN/1783
eyan {mvv ey} = zn eieren, eilanden
eymar (amber) = emmer; ON ymmer; AS eimer
NB Eimerweg in diverse regio's NO Nederland. Emmerweg in Bronkhorst. Mogelijk betekent eimer/emmer hier iets als een gat met water. Vergelijkbaar met panne = pan = kookpan, grote ronde laagte in een vlakte.
eyse (ayse) = gemak; ME ease
 
f::
f- ze v-
fadian = ww opdragen, beschikbaar stellen, regelen
fading = opdracht, overeenkomst
faec = vaak, vak, ruimte
faeder (faedre) = vader
faedhm (faetm, faem) = vadem = omarming, schoot, el = 2 gestrekte armen lang
faedre (faeder) = vader
faegan = vervagen
faege = vaag, veeg, verheugd, blij
faeger = mooi, prachtig
faegnian = verheugen
faehdh = vete
fael = veld, weide; AS vael, val
faelr = bn trouw, dierbaar
faem =A faethm; ON vaam
faemne = maagd
faene = bn leeg, ijdel; ON vaene
faene = zn leeg land; ON vaene
faer = gevaar, vrees
faeran = vrezen
faerarda = veldtocht, krijgstocht, campagne
faerarda = grond aan einde van akker, waar men kon keren met de ploeg; ASoud vaerehrde
faerlic = gevaarlijk, plotseling
faerr = jonge stier; ON varre
faers (farrow) = vaars, stierkalf
faerbu = verf, kleur
faest = bn vast, ferm, snel
faestan = ww vasten, vastbinden
Faestanaefen = Vastenavond; ASoud vastelavent
faeste = vast, zeker, vast en zeker, vast wel
faesten = zn vesting, vasten
faestlic = vastelijk, vast en zeker, zekerlijk
faet (fatu) = vat, vaat (# boot)
faet = opslagplaats; ON vat
NB Assevat (Teuge) = opslagplaats voor as, gebruikt als mest op land.
faetfisc = vetvis (# zeevis); ON vetvisch
faethm (faedhm, faem) = vadem = afstand tussen linker en rechter vingertoppen bij gestrekte armen = circa 1.75 meter
1 vadem hout = 6 voet
faethmian = omarmen
faett = zn vet, smeer, traan, olie; ME fat
faett = bn vet, vettig
faettan = ww vetten, invetten, vetmesten
faettclump = vetklomp = klomp gestolt vet
faettcopere = vetkoper, vethandelaar
faettcopery = vetkoperij, vethandel
faettcorb = vetkorf = korf met vetklompen; AS vetkoarf
faettig = vettig
faettmakere = vetmaker, vetbewerker
faettmakery = vetmakerij = bedrijf dat vet koopt, zuivert en verkoopt
faettniss =A faett; ON vetheit
faettprise = slachtvisite = borrelbezoek bij geslacht varken; AS vetpriezn
faettreade = vethandel
faettreadere = vethandelaar
faettwaere = handel in vet, olie en smeer; ON vetware, vettuware
faettwerc = vet voedsel; AS vetweark
fagan =A feagan
fage = bn vaag, veeg, nep
fah = vogelvrij; ME foe = vijand
falca = valk; ON valke; ME falcon
fald = vaalt, afval, mest
faldbac (fuylbac) = afvalbak, vuilbak
falga = bouwakker
fals = bn vals
falt =A feald
-faltha = -voud; vb veelvoud van iets
fan (aef) = van
fana (fona) = vaan, vlag
fanc = vangst; ON vanc
fandian = proberen, testen
fangan {fangt, feng, fangan} = vangen
faran (ferian) = varen, reizen, sterven
farrow (faers) = vaars; ON varre = stierkalf, jonge stier
fars = bn vers; ON varsch
fatu =A faet
fauta = fout, gebrek; ASoud faute
ASoud sonder faute = zonder gebrek
fea = vreugde
fea (feawa) = tw weinig, enkele
feacan = faken, bedotten, doen alsof
feagan (fagan) = ww vegen
feager = veger, borstel
feagere = veger, schoonmaker
feaht = vecht, gevecht; >A feohtan
fealan = ww vouwen
feald (falt) = veld, heideveld, omheinde ruimte; AS vaelt, valt, vaelde
NB Vaalt (famnm Twente), Vaaltweg (Borne), Valthe (Drente), Valthermond (Drente).
fealdan = vt ww vouwden
fealic = veilig; ON velic, velich
fealicness = veiligheid
feall = zn val
feallkyl = valkuil
feallan = ww vallen
feoll, feollon
fealo = vaal
feancal = venkel (# kruid)
feandrig = vaandrig, vaandeldrager; ASoud venderich
De vaandeldrager draagt in de strijd steeds duidelijk zichtbaar het vaandel van zijn land of regiment. Daardoor weet een soldaat altijd waar zijn makkers zijn.
feanigreac = fenigrek; # venkel; ON fenigreec
fear (feor, feorn) = ver (# afstand); ON ver, var
fearc (veark, fearh) = varken; AS verk, verken
fearccepere = varkenshouder, varkensboer
fearchodere = varkenshoeder
fearh = big, varken; ON verre, verken
fearn = zn varen (# plant); ON vaerne
fearnholt =A fearnwood
fearnoule = nachtzwaluw (# vogel)
fearnwud = varenbos = bos waar veel varens groeien
fearr = vaar = jonge koe tot 2 jaar, onbevruchte koe
feartre = lijkkist; ON fiertre
feastan = ww feesten
feaste {mv feasten) = feest
feawa (fea) = weinig, enkele; ME few
feax = haar
feccan =A fetian
fedan = ww voeden
fegan = ww voegen
feht = vacht
fel =A fell
fela (ful) = veel, vele; AS veul; ASoud velle; EZ veel, vili
felan = ww voelen
feld (folde, -ta) = veld = vlak en open land
feldacre = veldakker = akker buiten het ontgonnen gebied
feldarmey = veldleger
feldcaemp = veldkamp =A feldacre
feldhere = veldheer
feldtoga = veldtocht
feldweard = veldwachter
felg(e) = velg; ON velghe
fell = vel, huid, vacht, bont; ON fel, velle = vel, vacht, bont, perkament; ME fell
fell = veld(je); AVA feld; ON fel, vel
Vel/fell komt voor in locatienamen als Harvel (= Harreveld/Achterhoek), Angelsvel (Eemsland) en Brunt Fell (Staffordshire).
felt = vilt
fen = ven, veen; AS ven, venne; AS/Harreveld von
fenbour = veenboer
fenbrigge (cnuppelwaeg) = veenbrug = brug van boomstammen in drasland > PgAng/Kyllot
fenbusk = veenbos
fendery = veenderij
fendic = veendijk
feng = ving; >A fangan
feng to rike = kwam aan de macht
fengon = vingen; >A fangan
fengrund = veengrond
fengyr = veengeur, veenlucht
fenland = veenland
fenman = veenwerker; AS venneman
fenn = veen, slijk, moeras, drasland
NB The Fenns: uitgestrekt moerasgebied in East Anglia.
fenpyt (petgeat) = veenput, petgat
fenslath = veensloot
fenwaeg = veenweg
fenwic = veenwijk = deel van veengebied afgegrensd door veensloten of veendijken
feoh (fihu) = vee, geld, bezit
feohbigenga = veehouderij
feohgehat = geldbelofte, betalingsbelofte
feohtan (fuhton) = vechten; ON vichten; ME fight
feol (fil) = zn vijl
feolaga = makker, kameraad, collega, kerel, vent; ME fellow
feolan = velen, ondergaan, doorstaan, vijlen
feoll = viel >A feallan (vallen)
feon = zn gekartelde pijlpunt
feonan = ww haten
feond (fiend) = vijand
feondscap = vijandschap
feor (fear) = ver, verweg; ON ver, var; ASoud veer
feordeal = vierde deel; ASoud verdel
feorh = leven
feorm = diner, etentje, banket
feorn (feorn, fear) = ver, verre (# afstand); ON ver, var
feorr = ver
feortha = vierde
feotor =A fetor
feower = vier; ASoud voer
feower thusend wera = vierduizend soldaten
feowertig = veertig
fera = gezel, metgezel, maat
feran = reizen
ferde = verder, elders
ferend = reiziger, soldaat
ferian = varen, dragen
feribot = veerboot
feriman = veerman
fers = zn vers
fersc = bn fris, vers, nat, vochtig
ferth =A freth
ferwan = ww verven, kleuren; ON verwen
ferwe = verf, kleur; ON verwe
ferwere = verver; ON verwere
ferwery = ververij; ON verwerij
fesant = fazant (# hoender)
fest = vast, vastgelegd
fetel = gordel
fether = veer (# hoenders, vogels); ON veder
fetian (feccan) = ww vatten, halen; ME fetch
fetor (feotor) = veter, ketting, keten, band, snoer, boei; ON veter
fettan = vatten
fette =A fetian
fic = fijt = vijgvormige zweer; ON fijc
ficc = zn fik, brand
ficcan = ww fikken, branden
ficol = wispelturig
fidhelan = videlen = viool spelen
fidhele = vedel, viool; ON vedele; AS fidel
fidhelere = violist, vioolspeler
fidleg = ijzeren ring rond stookgat
fiend (feond) = vijand
fierd = leger, militie, campagne
fierlen = ver, veraf
fierdwise = legerorder
fiergen = gebergte, bergen
fierst = periode, tijd
fif = vijf; AS fief
fif scipum = vijf schepen
fifealder = vijfwouter = vlinder
fiftig vijftig
fih (fihu) = vee; ASoud vehe, vie
fihbot = veeboot
fihbour = veeboer
fihbredar = veehouder
fihbredary = veehouderij
fihu (fih) = vee; ASoud vehe, vie
fihweda = veeweide; ASoud veheweide
fil (feol) = vijl; AS viel
filaga = filage, steekpartij
filagan = fileren, doodsteken
fince = vink; ON vinke; AS vinke; ME finch
fincere = vinker = vinkenvanger
findan (fon, fondan) = vinden
findere = vinder
findling = vondeling; ON vundling
fine = bv fijn; ON fijn; AS fien
finger = vinger
fingerpal = vingerpaal = wegwijzer
finn = vin
finol = vennel = kruid met gele bloemen
firmery = ziekenzaal; ON firmerie
firsc (fyrst) = vorst
first (fyrst, nocc) = dakvorst, nok
firum = bn fier
firum foldu = fiere velden
fisc = vis
fiscan (fiscian) = ww vissen
fiscbot = visboot
fiscbour = visboer
fiscdrygere = visdroger
fiscdrygery = visdrogerij
fiscere = visser, viswinkel; AS visker
NB Viskerweg in Gelselaar (Achterhoek).
fiscerman = visserman, visser
fiscery = visserij; ON vischerie; AS/AH visseri-je; ME fishery
fiscfraw = visvrouw; ON/Gro visfrau
fiscian (fiscan) = ww vissen
fiscmaerct = vismarkt
fiscnett = visnet
fiscsceopa = viswinkel
fiscwielle = visrijk
fisician = dokter; ON fisicien
fit = fijt = zweer
fitt = fit, gezond
fittan = voegen, rangschikken, goed zetten; ON vitten; ME to fit (passen)
flacca = vlak
flaeca = vlaak = zandvlakte, zandplaat; ON vlake
flaeda = vlade, platte koek
flaega = vlaag, windvlaag; ON vlage
flaesc = vlees; ON vleesc; ME flesh
flaescbenc = vleesbank = bank of tafel waarop vlees ligt ter verkoop
flaeschowere = slager; ON vleeschouwere
flaeschus = slachthuis, slagerij; ON vleeshuis
flaescman = slager; ON vleescman, vleischman
flaescsoppe = vleessoep; ON vleeschsoppe
flaess = vlaas = plas, heideplas; Leuven/1483 vlaesch; AS/LM vlaas; AS/VW fles; ME flasshe
NB Gerrits Fles bij Hoog Buurlo, Midden Veluwe
flagga = vlag; ON vlaghe; AS vlagge; ME flag
flah = bedriegelijk
flahan = ww vleien
flakan = ww vlokken, vonken, vlonken, vlakkeren
flake = vlok, vonk, vlakkering
flambow = flambouw, fakkel
flamma = vlam; ON vlamme; AS vlamme; ME flame
flanc = zn flank
flaw = flauw, uitgeput; ON flau
fleadan = ww vlieden, stromen
fleadher = vledder = drasland; AS/Gro fledder
NB vledder = drasland tussen laag- en hoogveen
fleah = vlo, vlooi; ME flea
fleahbac = vlooienbak (# scheldwoord)
fleahan = ww vliegen
fleam = zn vlucht
fleaman (fleon) = vluchten, vlemen, vleien
Fleamsc = Vlaams, Vlaamse munt; ASoud Fleemsch, Vleemsch
flear = flier, vlier = lage, drassige grond; AS vleer
flear (ellaern, aelhorn) = vlier (# struik); AS flier, vleer
flearbeam = vlierboom; AS vleerboom
flearblom = vlierbloem = bloem van de vlierstruik (# kruid)
flearbusc = vlierbos
flearc {mv flearcs} = vlerk, vleugel
fleardrinc = vlierdrank = drank gemaakt van vlierbloemen en -pitten; schijnt zuiverend te werken
flearholt = vlierhout; AS vleerholt
flearpithe = vlierpit = zaad van de vlierbloem
flearta = flierte, fliert = veld met vlierbomen; ASoud vleert
fleasc = drank: fles; AS vlesk
fleasc = landschap: meertje; AS/VW fles; AS/VWoud vlesk, vlaesc
fleat = vleet = visnet
fleat = vliet = stroompje, riviertje; AS vleet
fleax = vlas; ON vlasc, flas
fleaxbow = vlasbouw
fleaxbrecc (cnapp) = vlasbraak, vlashekel
fleaxcaerd = vlaskaarde, vlaskam = kam om vlas te hekelen
fleaxcopere = vlaskoper, vlashandelaar
fleaxcott = vlaskot, vlaskeet = keet voor hekelen en swingelen van vlas
fleaxdot = vlasdot = bundel vlas
fleaxgaerd = vlasgaarde, vlasakker
fleaxland = vlasland
fleaxman = vlasboer
fleaxthraed = vlasdraad
fleaxthun = vlastuin
fleaxtreade = vlashandel
flaextreadere = vlashandelaar
fleaxwir = vlasdraad
flecce = vlek, plek, veld, gehucht; ON vlecke; AS vlekke; ME fleck
fleddarmus = vleermuis; ON vleddermus; AS vleddermoes
fledder = vledder (# kruid)
fleggel = vlegel, dorsvlegel; AS vleggel
fleht = zn vlecht
flehtan = ww vlechten
fleogan = ww vliegen
fleoge = vlieg; ON vlieghe; AS vleeg; ME fly
fleon (fleaman) = ww vlieden, vluchten, ontvluchten; ON vlien
fleos =A flies
fleot = vliet; ME fleet
fleot = vlot, boot, vloot; ME fleet = vloot
fleot = riviermonding*
fleotan = vlieten, vlieden, stromen
Fleseby = Flensburg, stad in Noord Angeln, Duitsland
flet = bn plat
flet = zn vlakte, vloer, huis
flet = zn vlet = kleine platbodem
fletland = platteland
fletlandere = plattelander, boer
flette = schild, wapenschild
flieman = ww vluchten
flies (fleos) = vlies, vacht, wol; ON vlues = vlies, vacht; ME fleece
flim = vlijm = mesje; AS flim
flint = flint, kei, vuursteen; AS flint
flintgrove = flintgroeve
flintwaeg = keienweg = weg van veldkeien
NB Flintweg in Orvelte.
flit = vliet (# waterloop)
flit = strijd, ergenis, twist; VA NL vlijt
flitaex = strijdbijl
flitan = strijden, ergeren
flitan = ww vlieden
flocan = vloeken, in de handen slaan; AS vloken
flocc = zn vlok, menigte; ww samenkomen
flod = vloed, overstroming
floh (flow) = zn stroom, beek; ASoud floh, flo
NB Flothrop oude naam van Flodorp (NW Groningen) kaart 1589; Vlodorp (N.Limburg)
flohan (flowan) = ww vloeien, stromen
flor = vloer
flot = vlot = drijvende bundel boomstammen
flota = vloot
flothere = vlootleger, mariniers, piraten
flotian = drijven
flotman = zeeman, piraat
flow (floh) = zn stroom, beek; ASoud floh, flo
flowan (flohan, streaman) = ww vloeien, stromen
flugon = vluchten
flugon to = vluchten naar
fluman = fluimen, spugen, stromen
flume = fluim, spuug, rivier; ON flume
flutan = ww fluiten; AS fluten
flute = zn fluit (# muziek); AS flute
flutecrod = fluitekruid (# wilde bermplant); AS flutekruud
flyht = zn vlucht
foag = bn vaag; AS voag
foag = zn mist, nevel; ME fog
focan = slonzen, rommelen; AS foeken
foce = rommel; AS foeke
foce = zn fuik; AS foeke
focepott = foekepot = pot met varkensblaas, gat en stok waarmee geluid wordt gemaakt in donkere dagen
focig = rommelig; AS foekig
foda = voeding, voedsel, voer; ME food
foder (fodder) = voeder, voer, wagenvracht; ASoud voder
fodd = vod, waardeloze lap stof
foddbael = voddebaal, landloper (# scheldwoorden); AS voddebaal
fodder =A foder
fodor = voedraal, schede, voering van kleed
fogle (fugol, vogal, brid) = vogel; ON vogal, vueghel; AS voggel
fola = veulen; ON volen, vollen, vuele; AS vullen
folan = gekheid maken, schertsen; ON folen
folc = volk, land
folclic = volks, gewoon, populair
folcsang = volkszang, volksliedje
folde (feld) = veld
foldu = velden; > firum foldu
fole (AVA folan) = dwaas, grapjas
folgian = volgen
fon (fangan) = vangen, pakken, gevangen
fona (fana) = vaan, vlag
for = zn reis, tocht, mars, expeditie
for (fore) = vz voor; ON vor; SW veur; AS voar; EZ fer; MA foar

for- (fur-) = ver-
forain = vreemd, bizondere; ON forein
forainere = vreemdeling
foran = ww voeren, varen, reizen
foran = vz voren
forbaernan = ww verbranden
forbeodan = ww verbieden
forbigan {forbige, forbiget, forbigdan} = ww voorkomen
forca = vork
forceorfan = afsnijden
ford (forde) = voorde, doorwaadbare plaats; AS/Neede ford; AS/VW fort, vort, AS/LM vorde
forde =A ford
fordilgian = verdelgen, vernietigen
fordon = verdoen
fordwielman = belemmeren; VA NL bedwelmen
fore (for) = vz voor
forealdad = verouderder
forealdar = voorouder
forealdars = voorouders; ASoud vorolderen
forealdian = verouden, verouderen
foregielt = betaling in geld; ASoud voorgelt, voergelt
foresceawian (AVA sceawian = schouwen) = benoemen, voorzien
foresecgan = voorzeggen, voorspellen
forespreacan (AVA spreacan = spreken) = voorspreken, voorzeggen
foreste = bos, woud, jachtgebied, wildernis; ON foreest, vorst; ME forest
forestere = boswachter, jachtopzichter; ON forestier
foret = fret (# dier)
foreweard = voorwaards; ON vorewaert
forewerc = voorwerk = extern gelegen vesting, pand, e.d.; ON vorewerc
forgaegan = overtreden; NB NL gaga = raar, gek
forge = werkplaats, smederij, fabriek; ON forge
forgeavan =A forgiefan
forgiefan (forgeaven) = vergeven, schenken
forgietan = vergeten
forheowan = ww verslaan
forht (fyrht) = vrees, angst
forhtian = vrezen; > geforthian
forhwega = voorwege, omwege, ergens
forleosan = verliezen
forleton = verlaten, verlieten
forliger = ontucht
forma = eerst, eerste
fornemman = voornemen, van plan zijn
fornemnad = voornoemd
fornemnan = voornoemen
forniman = wegdragen, vernietigen
forrel (truht) = forel
forseon = voorzien, onthouden*
forseoning = voorziening
forsleag = zn voorstel
forslean = ww voorstellen
forsoth = voorzeker, waarachtig
forstandar = voorstander
forstanden = voorstaan
forstarfan = verstorven, gestorven; ASoud forstarffan
fort = bn rot
forth = bw voorts, voortaan
forthferan = voortgaan, doorgaan
forthferend = voortvarend
forthgan = voortgaan, doorgaan
forthgenge = voortgang
forweorthan = verworden, wegkwijnen
fostor = voeding, opvoeding
fot [voet] {mv fotan} = voet; ON fuaot, foeth
fotbenc = voetenbank; bankje voor de voeten tegen moeheid en kou
fotfolc = voetvolk (# leger)
fotstepp = voetstap
fotstol = voetenstoel = lage stoel om voeten te rusten
fotyict = voetjicht (# aandoening)
fox = vos; AS foks, fox
NB Foxham en Foxhol: locaties bij Hoogezand/Groningen
foxhound (hound) = brak (# oude soort jachthond) > PgAng/Brak
foxhunta = vossenjacht = jacht op een vos met vele honden tegelijk
frae = fraai > PgLng (Caedmon)
fraegan (frignan) = vragen; AS vraogen
fralic (frolic) = vrolijk
fram = van, vanaf; ME from
fram = ferm, dapper
frama = speer
De farma heeft een korte en smalle punt, maar is scherp en makkelijk te hanteren en is daarom goed te hanteren op korte en lange afstand. (Germ/6)
Franca {mv Francan} = zn Frank = stamlid Franken
Franca = zn Frankisch = taal der Franken
franca = zn speer
Francan {ev Franca} = Franken
Francland = Frankenland
frange =A fringe
frasa = vrees
frasian = ww vrezen
fraw = vrouw, non; ASoud fraw; AS/Gro/1605 frow; > PgAng/Beckum
frawcloster = vrouwenklooster, nonnenklooster
fray = fraai, vrolijk, opgewekt; ON fraey
frea (frigea) = vrije, heer
freagd = vreugde; > gleo
freasan = vrezen
frease = vrees, angst
freasewund = vresewonde (# heilzame kruid)
frec = zn gevaar
freca = krijger, soldaat
frecc = vrek, gierigaard; ON vrec
freccig = vrekkig, gierig
freccniss = vrekkigheid, gierigheid
frecenes = gevaar
freclic = gevaarlijk
frecig = vrekkig
freht = vracht; ON vrecht; ME freight
frem = zn voordeel
frem = vz buiten
fremd = vreemd
fremde = vreemde
fremed = zn durf
fremede = bn vermetel
fremful = voordelig
fremfulnes = voordeligheid
fremian = profiteren, helpen
fremman = doen, begaan, opvoeren
freo (fri) = vrij; AS frie
freogan = ww vrijen
freond (win, wine, wyn) = vriend
freondscip = vriendschap
freosan = ww vriezen; AS vreezen
freothu (freth, frith, ferth, fridhu) = vrede
freothuwebba = vredestichter freothuwebban = vrede stichten
Fresna = zn Fries, Friezen
Fresne = zn Fries (taal); bn Fries
freth (frith, ferth, fridhu, freothu) = vrede
Freya =A Frigg
fri (freo) = zn omheining; AS/VWoud vreefri
(freo) = bn vrij, omheind; AS vrie; ASoud vri, vree, vry
fri gudh = eigen goed of bedrijf; ASoud vrye guet
frian = ww vrijen; AS vrieën
frian (afrian, frigan) = vrij laten, vrij houden; ASoud frien
frician = ww dansen
frickedille = fricandel; ON frickedille
frid = mooi, vredig
fridhof = omheinde plaats, begraafplaats; ON fridhof, vrithof, vrijthof
fridhu = vrede
frigan (frian) = vrijstellen; ASoud vrygen, vryen
frigea (frea) = vrije, heer
frigedaeg = vrijdag; genoemd naar de god Freya (Frigg); ME Friday
Frigg = Freya, godin van de liefde en vruchtbaarheid, gemalin van Wodan
frignan (fraegan) = vragen
frihad = vrijheid, grondgebied; AS friheit; AS frihiet
frihave = vrijhof = omheind hof = tiendvrij hof; AS/LM vreehof
friland = vrijland = omheind land = teindvrij land; AS vreeland
frimaerct = vrijmarkt; AS vriemarkt
fringe (frange) = franje, rand, zoom; ON fringe, frange
fritan = bakken, braden; ON friten
frith (ferth, fridu) = vrede; ASoud friet
frithian = tot vrede brengen, bevredigen
frithian = beschermen, verdedigen, schuilen
frocc = overjas; ON froc
frod = vroed
frodfraw = vroedvrouw
frofor = gemak
froga = bn/bw vroeg
frogga (frox) = kikker
frolic (fralic) = vrolijk; AS vrolik
frolican = ww vermaken, pret hebben
frolicniss = vrolijkheid
frome = bn vroom, braaf, flink, dapper; ASoud vrum
frome = zn opbrengst, nut; ON vrome
NB Frome/Glouchesterhire en Froombosch/Slocheteren. Beide historisch Anglische regio's.
frona = vrone, vroon, domein, heer
frondeanst = vroondienst, heredienst
fronland = vroenland = land van de heer, gemene grond, meente
frosta = vorst, vrieskou; AS vrost; ME frost
frouger (geara) = vroeger; AS vrouger, vrogger
frox =A frogga
fruht = fruit, vrucht
fruhtenere = fruitboer; ON frutenier
fruma = zn begin
fruman = beginnen
fryg = bn/bw vroeg
fryge fugol = vroege vogel
an fryge fugol fangt the wyrm = een vroege vogel vangt de worm
fuccan = ww fokken, fukken, neuken
fuccere = fokker
fuccery = fokkerij; AS fukkerie
fugol (fogle, vogal, brid) = vogel; ON vogal, vueghel; AS voggel
fugolcopere = vogelhandelaar
fugolere = vogelaar = vogelvanger, vogelhandelaar
fugolery = vogelhandel
fugolsang = vogelzang; ON vogelsangh
fugolweda = vogelweide = land ongeschikt voor akkerbouw; ASoud vogelweide
fugolwielle = vogelweelde, vogelrijk = rijk aan vogels
fuht = vocht
fuhtan {fuht, foht, fohtan} (feohtan) = vechten; > gefuhton = gevochten
fuhton =A fuhtan
ful (fuyl) = bn+zn vuil; ON vuul; AS vuul; ME foul, dirty, etc
ful (fela) = veel; AS veul
ful oft = heel vaak
ful oft ne alaeg = heel vaak niet vaak = soms
fulac (fuylac) = vuilak, viezerik; AS veulak
fulge = zn folie; ON foelge
full = vol, helemaal, zeer; AS vul
full maen = volle maan
fullcoman = volkomen, heel; ASoud vollencomen
fullcomantlic = volkomen; ASoud fullenkomelich
fulldaen = voldaan; ASoud fullgedaen
fullian = ww dopen
fultum = zn leger, troepen
fultuman = helpen
fultume = hulp
fultumian =A fultuman
funda = vondst
funde = vond
funkan = ww vonken
funke = vonk
funniss = vonnis; ON vonnesse
fur (fyr) = vuur
thä Wealas flugon thä Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engle als voor vuur
fur- (for-) = ver-, vuur-
furan = voeren, vervoeren, dragen; ASoud voeran
furbeacan (fyrbeacan) = vuurbaken
furbin = verbene (# geneeskrachtig kruid)
furbrassan = verbrassen
furcassan = verkassen, verhuizen
furcorb (fyrcorb) = vuurkorf = korf met brandend hout
furcyrad = verkeerd
furcyran = verkeren, vergissen
furcyrsal = vergissing; AS/Gro1724 vercyrsel
furdere = voerder, vervoerder, schipper; ON voerder
furdingan = bedingen, afkopen
furdongan = afgekocht; ASoud verdongen
furdrag = verdrag, overeenkomst, ontheffing, kwijtschelding; ASoud verdrag
furdrag up = gedeeltelijke kwijtschelding of ontheffing
furdragan = ww verdragen, overeenkomen, ontheffen, kwijtschelden
furdread = verdriet
furdread = slecht stuk land; AS/VWoud verdriet
furdreadig = verdrietig
furdruckan = verdrukken, verstikken
furgeafan =A furgievan
furgiefan (furgeafan) = vergeven, weggeven, afstaan; ASoud vergheven
furgod = voorgoed
furgodan = vergoeden
furh = zn voor = spoor gemaakt door ploeg; ME furrow
furh = den (# boom)
furheadon = voorheen; ASoud voerthiden
furhiearan = verhoren, behoren; ASoud verharen
furlaeton = ww verlaten
furleapan = ww verlopen, vertrekken, vervallen; ASoud verloepen
furlorn = verloren
furmaels = voormaals; ASoud voermaels
furmakeniss = vermaak, ontspanning, plezier; ON vermakenisse
furman (carrman) = voerman, vrachtvervoerder
furpeandan = verpanden
furpeandscap = verpand
furpeandscappan = verpanden; ASoud verpandschappen, verpandschaften
furpensionan = belenen, verpachten, verhuren; ASoud verpensioneren
furpensionad = beleend, verpacht, verhuurd; ASoud verpensionet
fursaegan = ww verzaken
furpondan = ww verponden, belasten in ponden (geld)
furponding = verponding, belasting in ponden
fursaetan = verpachten; ASoud vorsaeten, versatten
fursatan =A fursaeten
fursculdan = verschulden
furseon = over het hoofd zien, vergissen; ASoud versehen
fursoonan = verzoenen; AS versonen
furspod = voorspoed
furspodig = voorspoedig; AS veurspoodeg
furthum = even, gelijk
furthornig = verdoornd, vol dorens; ASoud verdornig
furweard = verward; ASoud verwerd
fus = haast
fusan = haasten
fusig = haastig
fusle = voezel = aardapeljenever; AS voezel
futhorc = futhark = Anglisch letterschrift > PgAng/Futhark
fuyl (ful) = zn+bn vuil
fuylac (fulac) = vuilak, viezerik; AS veulak
fuylbac = vuilbak, afvalbak
fuyle = zn vuil, afval
fuyle (weod, rut) = onkruid; AS/VW vuyle
fuylic = vuilnisbelt, stortplaats; ASoud vulik
fuylniss = vuilnis; ON vullicheit; AS vulnis
fyga = vijg (# vrucht); AS vige
fyl = bn vuil; ASoud vuyl
fylan = bevuilen, vervuilen, vuil maken
fylgan = volgen
fyllan = vullen
fylliednes = vervuldheid
fyne = zn vochtigheid, schimmel
fynig = vochtig, schimmelig, vunzig
fyr (fur) = vuur
fyrbeacan (furbeacan) = vuurbaken
fyrcorb (furcorb) = vuurkorf = korf met brandend hout
fyrd = leger
fyrde = fjord = diepe inham van de zee
fyrdman = strijder, soldaat, militair
fyrdmen = strijders, soldaten, militairen
fyrholt (fyrwud) = brandhout
fyrht (forht) = vrees, angst
fyrhtan = vrezen, bang zijn
fyrig = vurig
fyrm = ferm
fyrmeast = zn eerste, baas, chef
fyrpleats = vuurplaats voor koken, bakken, smeden, etc.
fyrst [fi:rst] = bn eerst, eerste; ES [fi:rst]
fyrst = zn 1: vorst; 2: nok, dakvorst (=A first); AS/VWoud furst
fyrstdom = vorstendom; AS/VWoud furstdomb
fyrtig = rot, bedorven; ON vortig
fyrtoran = vuurtoren
fyrwud (fyrholt) = brandhout
fyst = vuist; AS vuust
 
g::
g [als in Engels good]
-ga (-gaw, -gawe, -gowe, -ge) = -gouw = regio
VB Fivelga (oudste naam) = Fivelingo (NO Groningen), in 300vC-750nC overwegend bewoond door Angelen.
Regionamen met -ga zijn Anglisch. De uitgang -go is Fries. Vaak zijn deze van oorsprong Anglisch. Op de kaart Herzogtum Sachsen um 1000 (1886) staan o.a. Fivelga (Fivelingo), Hunesga (Hunsingo), Emesga (Eemsland), Asterga (Ost Frl), Wanga (Wange), Leriga (Lahr), Ostergo (Frl), Waldago (Frl/Drente), etc.
gaan (gan) = gaan; AS/Gro goan
gaderian (gadderan) = garen, vergaren, verzamelen; ON gaderen; AS gadderen; ME gather
gadde = verzameling, samenraapsel; AS gadde
gadderan =A gaderian
gadrian =A gaderian
gabbelan = stiekem praten, fluisteren; AS gabbelen
gaebber = gabber, makker, kameraad
gaebberan = gabberen, snateren, lachen
gaens = bn gezond, heilzaam, zuiver, oprecht; ON gans
gaensacre = vruchtbare akker; ON gaensacker
gaensan = ww genezen, zuiveren, reinigen; ON gansen
gaensniss = gezondheid, zuiverheid
gaer = altegaar, helemaal, totaal; ASoud gar
gaeran = ww garen, gaar koken
gaerd = gaard, tuin; ON gaerde; ASoud gaert, gaerde, garde; ME garden
gaerdenere = tuinman; ON gaerdenare
gaere = puntig stuk land; ON gere
gaerf = garve, bos gemaaide en gebonden graanhalmen
gaerfgudh = erf met plicht tot geven van de garve
gaerfland = land met plicht tot geven van de garve
gaers (graes) = gras
gaesne = onvruchtbaar
gaest (geast) = geest, geestgrond, hoog droog land; ON gest, gast
gaeth = gaat (AVA gan)
gafeluc = speer
gafol = voordeel, winst
gaggel = gagel (# struikgewas)
gal = geil, dartel, lichtzinnig, vrolijk
galparan = galopperen, hardlopen, draven; AS galpeeren
galmod = vrolijkheid
galmodig = goedgemutst
gamen = zn spel, sport
gamenian = spelen, sporten, dobbelen
gan {gaet, gung, goan} (gaan) = gaan
ganc (gong) = zn gang, doorgang, vaarweg, reis, manier; ON ganc; AS gank
gapan = ww gapen, snakken, nastreven
gar (spear) = speer, puntig voorwerp; ON geer
-gar =A -ger
gara = landtong, driehoekig stuk land; > gor
garite (waectoran) = wachttoren, -huisje; ON garite
garleac = knoflook
garsecg = zee, oceaan
gas = gas
gasbagge = gasbalg of -buidel = balg waarin moerasgas wordt bewaard; > PgAng/Moerasproducten
gaspe = gesp, haak; ON gaspe
gaspelthorn = gaspeldoorn, steekbrem (# stuik)
gast (geast) = zn geest
gast = 4 garven (maat)
gastlic = geestelijk
gasticc = wandelstok; AS gostok
gat {mv gatas} = geit
gaw = zn gouw = graafschap; >A -ga
gawe >A -ga
gawe = gouwe, schellekruid (# papaver, kruid)
gawgerefa = gouwgraaf = bestuurder van een gouw
gawgeriht =A gawthing
gawleadere = gouwleider = leider van een gouw
gawthing = gouwding = gouwgerecht, gouwrechtbank
ge- = ge- = BT actie VB gedoe
ge... = ZE ...
-ge (-ga) = gouw >A -ga > PgBrit/Gewisse
geabel (geawel) = gevel
geac (cucu) = koekoek (# vogel)
geac = bn gek, raar
geador = samen, tezamen; ON gader, tegader; ME together
geaffel (piccforc) = gaffel = hooivork met 2 punten; AS gaffel
geafan (giefan) = ww geven
geagnian = geëigend, geschikt; eigenen, toeëigenen
gealga = galg; ON galge; ME gallows
gealla = gezwel; ON gale
gean (gin) = bn geen; AS gin; AS/Gro gain; ASoud gen, genne
geant = gent = mannetjes gans
gear (year) = jaar; AS/Gro/oud yaer; MA year
gear = speer, spitsvormig stuk land; AS/VW gheer, geer
geara (frouger) = vroeger; ME yore
geard (gyrd) = gordel, band, kouseband; ON gort
geard = gaard, omheinde ruimte, hof, woning; VB boomgaard; ME yard
gearn = zn garen; AS gaarn; ME yarn
gearst = gierst
gearu = gaar, gereed
geascian (# ascian) = gevraagd, gehoord
geast (gast) = geest (# religie)
geast (gaest) = geest, geestgrond, hoog en droog land, onvruchtbare zandgrond; ON gest, gast
geastgrund (geast) = geestgrond
geat = gat, hol, grot, deur, poort, gehucht; ON gat; AS gaet
geat = gat = opening, doorgang, gehucht, kuil
geat = gat = gat in grond gevuld met water
geatan = ww gieten; AS geten; AS gethen
geatling = geteling, merel (# vogel)
geawel (geabel) = gevel; AS giewel
gebed = gebed
gebedhus = gebedhuis, kerk
gebeorgan = geborgen, gered, beschermd
geberan = geboren
gebiddan = ww gebieden
gebit (tandgebit) = gebit; ON ghebit
gebur = bewoner, landman; ON gebuur = buurtbewoner, inwoner; > bour
gecweme = bekwaam
gecwemniss = bekwaamheid
gedanc = gedank, dankzij
gedryht = zn gedrocht
gefanganes = gevangenis, gevangenschap; ASoud gevenckenisze
gefeoht = gevecht
gefera (fera) = gezel, metgezel, maat
geforthian = veroorloven, toestaan
gefuhton = gevochten >A fuhton = vechten
Gefwulf = jongensnaam
gegada = gegadigde, gade, gezel, partner
gehat = belofte
gehatan = beloven
gehiersum = gehoorzaam
gehiersuman = ww gehoorzamen
gehorig = behorend; ASoud gehorich
gehuded = in gebruik hebben; ASoud gehudet
gekweden = genaamd
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford)
= die stad die Cerdicesora is genaamd
gelafan = beloven, toezeggen; ASoud gelaven
gelathan = bw gelaten
gelathon = ww gelasten, opdragen
gelathod (vd gelaton) = gelast
gelf = golf; ON gelve
gelfan = ww golven
gelic = gelijk; AS geliek
gelicniss = gelijkenis; AS gelieknisse
gelicthidig = gelijktijdig; AS geliektiedig
geliefan = geloven
gellan = ww gillen, jellen; AS gellen
gelli = gelei; ME jelly
gelu = geel, blond
geluc (luc) = geluk
gelucig = gelukkig
gelucigniss = gelukkigheid
gemaec = gemak, passend bij; AS gemaak
gemaecca (maeccar) = makker, maat, genoot
gemaecnisse = gemakkelijkheid
gemaedemead =A mead
gemaedan =A meadan
gemaedniss =A meadniss
gemaene = bn gemeen, gemeenschappelijk; ON meen; >A maen
gemaerd = bn vermaard; > PgAng/Widsith/42
gemang = mengsel, samenstelling
on gemang = tussenin; ME among
gemayne (mayne) = gemeente, verbond
gemeltan = genoemd
gemod = gemoed; AS gemood
gemul = stof, veegsel, opgeveegd vuil; ON gemul
genamon = gevangen nemen
genamon unarimedlicu herereaf = namen gevangen talloze legerofficieren
genara = algemeen; ASoud genere
geneatan = genieten; ASoud genaten
genemned = genaamd
geniht = zn nicht; ON ghenicht
genierwan = lastig vallen; MA nierwan
genip = zn geniep, nevel, mist
genipan = donker worden
genog (enog) = genoeg; AS genog; AS/AH enoeg; ME enough
genota {mv genotas} = bondgenoot, reisgenoot, metgezel
gensa = soort mes; ON gense
geo = vroeger
geo geara = lang geleden
geoc = juk; AS jok
geoc (juc, joc, yok) = juk = AS juk = landmaat = hoeveelheid land dat een juk ossen in één dag kan ploegen; Lat.: iugeris
geogelere = goochelaar, tovenaar, jongleur
geogoth =A geogudh
geogudh = jeugd; ME youth
geolca = eigeel; ME yolk
geolec = gelig, geelachtig
geolo = geel; ME yellow
geomring = gejammer, klacht, klaagzang
geon = ginder, gindse; ME yonder
geond = ginds, door, naar, doorgaans; >A begeond
geondferde = gindsverder, verder ginds, elders
geong (yong) = bn jong
geongling = jongeling
georn = graag
georne = gaarne
geornlice = volgaarne, jaloers
geornlig = bn jaloers
geornniss = jaloersheid
geotan = gieten; AS geten
-ger = (-gar) =* gerei, gedoe
geraede (raede) = gereed, vlug, eenvoudig; ME = ready
geraede = gerei, gereedschap, uitrusting
gereawe = werktuig, apparaat, machine
gerefa = graaf, ordebewaker; ON gerif; ME sheriff, afgeleid van scirgerefa
NB Anglisch refan = effenen, etc.
NB Saxish girivon = ten gebruike
gerefan = ww gerieven, plezieren
gerefatende = graventiende = tiende van het koren; ASoud graventende
gerifod (rifelede) = gerimpeld
geriht [geraith] = gericht, gerecht (eten, rechtspraak)
gerihtas (ev geriht) = gerechten (eten, rechtspraak)
Germanie = Germanen, Germanië, Germaans
gerouf = bn grof, lomp
gerra = gard, roede, dunne stok, twijg; AS gerre
gesceon (sceon) = geschiedenis
gesceot = geschut, geweer, kanon
gese (gise) = ja; ME yes
geseat = gezet; ASoud geset
gesel = gezel, makker, kameraad; ON ghesel
gesellig = gezellig; ON ghesellig
gesellighed = gezelligheid
gesewen = gezien
gesewen secgum = gezien en gezegd
geseys (AVA seysan) = bouwand; ASoud geseys, geseeijs
gesihth [gesait] = gezicht, zicht
gesin = gezin; ZF gesin
geslog = geslacht, geslagen; veroverd
gesnot = gesnotter; AVA snot (ZA)
gesothon = gezeten, welgesteld, trouw, toegewijd
gesund (sund) = gezond; AS gesund; ME sound
gesundhad = gezondheid
gesundniss = gezondheid
geswell = zn gezwel
gesweorc (sweorc) = gezwerk, bewolkte hemel
geswerian = gezworene; ASoud gezworne
gesyd = plas, poel
get = gaat, gaande; ASoud get; ME yet
getawe = getouw, uitrusting
getenge = zich bij iets bevinden
getheon = ww gedijen
gethidan = zn getijden; ww duiden; >A tidan
Gethorne = Giethoorn; dorp in NW Overijssel
getimbrian = getimmerte, bouwsel; > timbrian
gewat = 1: gewater, water; 2: doorwaadbare plaats, brug, veer; 3: rivier, kanaal, gracht, sloot, diep; 4: wed, drinkplaats voor dieren; ON ghewat
gewaerd = gewaard, deelhebbend; ASoud gewaert
gewiht [gewait] = gewicht; ME weight
gewiss {mv gewisse} = bondgenoot > wiss; > PgBrit/Gewisse
gewisse >A gewiss
gewona = gewoon
gewrit = geschrift, schrijfsel
gibada = geboden, nodig; >A gebiddan
gidanc = gedank, dank
giefan (geafon) = geven; LW duon
giefan, gaef, giefan
giefta = huwelijk
giefu = gave, gift
gield = oogst, opbrengst, geld; ME yield = opbrengst
gieldan = gelden, oogsten, betalen; ME yield
gielte = gelt = gesneden zeug
gierne = gaarne, graag; AS geerne
giernan = ww verlangen; ME yearn
gierela = mantel
gierwan = kleden, aankleden, voorbereiden, uitrusten
giescaemp = ganzenkamp, ganzenwei; ON giezencamp; AS giezenkamp
giese {ev gos} = ganzen; ON giezen
giestrandaeg = gisteren; ME yesterday
giet = nog, toch, nog steeds, verder, gaande; ASoud giet (get) = gaat; ME yet; > nu giet
gietan = ww krijgen; ME get
gif = gegeven, als, indien; ME if
gihwaes = zn gewas; ON ghewas
gift = gift
giglan = ww giechelen
gild = gilde; ON ghilt
gilpan = ww janken; ASoud galpen
gimbre = gember (# kruid)
gin (gean) = bn geen; AS gin; AS/Gro gain; ASoud gen, genne
gise (gese) = ja; ME yes
gist = gist; ME yeast
gistan = ww gisten
glaed = glad
glaefe = speerpunt, lancier
glaem = glim, glans
glaeman = glimmen, glanzen
glaes = glas; ON glas, gelaes
glaesan = ww beglazen
glaesblaesere = glasblazer
glaesblaesery = glasblazerij; AS glasblazerie
glaesofen = glasoven
glaeswerc = glaswerk
glaeswercere = glazenier, glazenmaker, spiegelmaker; ON glasewerkere
glaeswyrhta = glasmaker, glasblazer
glaran = glaren, gloren
glead = blij
gleadniss = blijheid
gleaw = voorzichtig, wijs
gled = gloed, vuur
glengan = versieren
gleo = vreugde >A freagd
gleoan = gloeien, glunderen, blij zijn, verheugen
glidan = glijden; ON gliden; AS glieden
glintan (glittan) = glinsteren, schitteren
glinte (glitte) = zn schittering, pracht, praal; ON glint, glind
glinte = zn henk, omheining; ON glint
glittan (glintan) = glitteren, glinsteren; ON glittan
glitte = glitter
glof = klip; VA NL gleuf
glomung = gloed
gloran = ww gloren
gloran (gloweran) = ww gluren, staren; ME glare
glowan = ww gloeien
gloweran =A gloran
glupan = ww gloepen, gluren
glupe = gluurpost, heimelijke waakkpost; AS gloepe
gnaet = mug; ME gnat
gnagan = knagen
gnidan = kneden, beuken, stampen
gnornian = knorren, treuren, klagen
God = God
NB LW Dewa = god; goda = eer
God wot = God weet
god = bn goed; AS good; EZ gued; MA good; > gudh
godceap = goedkoop (= goede koop)
godcundnes = godheid, heiligheid
godniss = goedheid
godspell = gospel
godsunu = peetzoon
goer =A gor
goindaeg = woensdag; ON goinsdaech; AS gooindag
gold = goud; AS gold; ON gold; ME gold
goldblom = goudsbloem (# bloem)
golde (daegeseage) = madeliefje (# bloem)
goldhord = goudhaard, schat
goldmine = goudmijn
goldrodd (wyrmcrod) = guldenroede (# kruid)
goldsmidh = goudsmid
gole = moeras; ON gole
gong =A ganc
gor (goer) = moeras, modder, drasland, mest; ON goer
gorel = gareel = halsjuk van trekdier (paard, os, e.d.)
gorelmakere = gareelmaker
gorga = zn keel; AS gorgel
gorgalan = ww gorgelen
gorge (gorgere) = halsstuk van wapenrusting; ON gorgere
gorge = kloof
gorgere (gorge) = halsstuk van wapenrusting; ON gorgiere
goriser (mosiser, uriser) = moerasijzer, oerijzer
gorman = veenwerker; ON+AS goorman
gorn = gaarde, tuin, hof, puntvormig land; AS goarn
gorse = buitendijks land, aangeslibt land; ON gors, gorse
gorst (baerlic, bere) = zn gerst
gos {mv gose, giese} = gans; ON goose (mv giezen)
goscaemp = ganzenwei; ON giezencamp
NB Giezenkamp/Vorden = Ganzenkamp. Aldaar was ooit een grote ganzenboerderij.
NB Goosemarkt/Almelo
gosdrifere = ganzendrijver
gosfether = ganzeveer
goshodere = ganzenhoeder
goslad = ganzenjongen
gosmaerct = ganzenmarkt; ON goosemarct
NB Goosemarkt in almelo
gospenning = goospenning = loon van een boereknecht of- meid
gospluccere = ganzenplukker
gosplume = ganzeveer, schrijfpen
gosscaelc = ganzehoeder; ON gosschalk
gossery (giescaemp) = ganzenhouderij, ganzenfarm; ON giezencamp
gossey = ganzeneiland = eiland waar vele ganzen bivakkeren
gossey = dikke wollen trui (# kleding)
gosweda = ganzenwei
-gowe >A -ga
graed = begeerte, hebzucht
graedig = gretig, begerig, hebzuchtig,
graef = graf
graefcest = grafkist
graeffeld = grafveld
graefgeard = graftuin
graefplate = grafplaat
graefsten = grafsteen
graeg = grouw, grijs
graes (gaers) = gras
graes = gras = landmaat; 1 gras = 0.5 Ha
graesan = grazen
graescaemp = stuk grasland, weiland; AS graaskamp
graesere = grazer; i.e. koe, paard, rund etc
graesland = grasland
grafan = ww graven
graft = gracht
grain = graan; ON graen; AS graon
grainacre = graanakker
grainfeld = graanveld
grainmyl = graanmolen; ON graenmul
grainmylen = graanmolen
grainre = graanzolder; ON graenre
gram = gram, boosheid
gramscip = gramschap, boosheid
gran = zn kreun
granat = soort krab
grane = baardhaar, snorhaar; ON grane
granhus = klaaghuis, sterfhuis
granian = kreunen, steunen, grienen, grijnen, klagen
grand = grind; AS grand, greend
grandstin = grindsteen = steen gemaakt van grind; AS grandsteen
granta = gekreun, gesteun, geklaag, klaagzang
grapplan = ww grabbelen
grasian = ww grazen
greaf = greef, houweel
greafel = greffel, gruis, grind, steengruis; AS grefel
greafeldic = greffeldijk = dijk gemaakt van greffel
NB Grefeldijk te Lemelo in Overijssel.
greaffa = grootvader; AS groffa
greamma = grootmoeder
great (grut) = groot; AS grut
Grecas = Grieken
grendan = malen, slijpen, knarsen, slijpen; ON grenden; ME grind
grene = bn groen; AS green, greun
grene = zn green = grove den
grenholt = greenhout = hout van een green
grenn (grin) = grijnz
grennian (grinnian) = grijnzen
grenta = zn weide, gecultiveerde heidegrond; ON groent, groende
grep (grup, gribba) = greppel, sloot, gracht
grese = gruis, kiezel, zand; ON grees, gruus; AS gruse
gretan (groetan) = groeten, aanspreken, aanvallen
gribba (grep) = zn greppel, gracht, sloot, goot, geul
grift = wetering, gracht
grillan = ww grillen
grillad = gegrild
grim = grim, streng, wreed, boosaardig
Grim = bijnaam van Wodan, oppergod van de Angelen.
grima = masker
grimaran = grimeren = gezicht kleuren
grimas = grimmas = onechte grijns
grimig = grimmig
grinn (gren) = grijnz
grinnian (grennian) = grijnzen
gripan = grijpen; AS griepen
grislic = griezelig, afgrijselijk
groat = 4 penny munt; ON grote
groet = zn groet; AS groat
groetan (gretan) = ww groeten; AS groaten
gropian = ww grijpen; AS griepen
grot (grut) = zn gort (# voeding); ON gort, grutten
grouf = bn grof
grouftende (gerefatende) = groftiende, grove tiende
grove = groef, groeve
grow = zn groei
growan = ww groeien; ON groien
grub = greppel, goot, mestgoot; AS grub, gruppe
grumbel = zn lawaai, rumoer, herrie, gerommel, donder; ON rombel, rommel; AS grommel, grummel
grumbeldeoc = grummeldoek, rommelkont, grombaard, valsaard, bedrieger
grumbelscyr = donderbui, onweersbui; AS grommelschoer
grumbelsleg = donderslag; AS grommelslag
grumblan = ww grommelen, rommelen; AS grommeln, grummeln
grund = grond; AS groand; ASoud grund
grundan = ww gronden, stoelen, baseren op
grundwercere = grondwerker (# bouw)
grup (grep, gribba) = greppel, sloot, gracht; ASoud/Gro gruppe
grup = zn groep
grupan = ww groeperen
grut (grot) = zn grut = gebroken graan
grutpappe = gortepap, grutten
grut (great) = bn groot; AS grut
NB Grut Muldersland in Nijbroek/N.Veluwe
gryterny = grieternij = ambstgebied van een grietman
grytgeriht = grietgerecht, grieternijgerecht
grytman = grietman = bestuurder, burgemeester, rechter
gudh = zn goed, landgoed, god, godheid; ASoud guet; >A dugudh = deugd; god
gul =A gyl
gulp = zn slok
gulpan = ww gulpen, gutsen, golven
gulsic = gulzig; ON gulselike
guma = man, echtgenoot, bruidegom
guman (hiwan) = huwen, trouwen
gume = aandacht, zorg; ON goem, gome
gumme = gom, hars; ON gumme, gomme
gunne (gynne) = land; AS/VW gunne
guran = ww strooien
gust = bn onvruchtbaar; ASoud gust
guth = strijd, veldslag
guthan = strijden, vechten
guthas = moed, durf, strijdvaardig; ME guts
gutta {mv guttas} = goot; AS/LM gutte; ME gutter
guttan = gutten = verwijderen van ingewanden van geslacht dier of vis
guttan = ww gutsen, stromen
guttas >A gutta
gybel = drijfbalk rosmolen; AS geubel
gycce = jeuk; AS jok
gyccean = ww jeuken; ON jucchen; AS jokken
gyl (gul) = zn geul
gynne (gunne) = land; AS/VW gunne
gyldan = gulden (munt)
gyr = zn geur
gyr = bn guur, goor
gyr = zn kind
gyran = ww geuren
gyrd (geard) = zn gordel; ON gort, gurdel
gyrdan = ww gorden, omgorden
gyrig = bn geurig
gyrle = klein kind, meisje
gyrta = gort
gyrtpappe = gortepap
gyrwefen = moeras; AS goar = moeras, veengebied
gysarm = tweesnijdende strijdbijl; ON ghisarme
 
h::
h... ze ...
ha (ho) = have, hoeve, gehucht
haa (hoo, hoe) =A ha
habban (hewan) =A hebben
habuc (heafoc) = havik
habuccrod = havikkruid (# bitterkruid)
hac = hak, houweel, schoffel
hac = soort korte bijl met dwars blad om houtvlakken te effenen; o.a. gebruikt in de botenbouw
hac = soort bijl met lange steel en dwars blad om grond om te spitten; ML tjankol
hac (hacta, hax) = uitsnede, uitgehakt stuk bos, clearing in bos
haca = grendel
haca (hac, hoc, wincelhaca) = haak, hak, houweel, winkelhaak, hoekhaak
NB in de haak = in de winkelhaak = in orde
hace (haecce) = haak
hacce = hak, hakmes, pikbijl
haccebord = hakkebord (# muziek)
haccian (haxan) = hakken, schoffelen
haccle (bracce) = soort ijzeren kam om vezels (vlas, hennep, e.d.) te scheiden; vlas- of hennepkam
hacod = hecht, snoek (# vis); ON heket
hacta (hac) = uitgehakt gebied in bos
NB Hengelo/TW De Hakte (buurt)
-had (-hed, -hod) = -heid, -dom, -schap
VB cildhad = kindheid
hadric = knopherik (# kruid); ON haderic
haec (hec) = hek, poortje
haecce (hace, hoecce) = haak, kromstaf, bisschopstaf
haedh = heide; AS hiet; ME heath
haedhe (heddeman) = heidebewoner
haedhland = heideland; AS heetland, hietland
haedhen {AVA haedhe = heidebewoner} = heiden; zo noemden christenen mensen die zich niet hadden bekeerd tot het christendom
haefen = zn haven; > heafan = hemel
haefot = inhoudsmaat voor graan; ON havot
haefre = haver; ASoud hawer
haefresacc = haverzak (# matras)
haeft = zn heft, handgreep
haegl (hagol) = hagel; ON haghel; AS haegl, hoagl
haeglan (hagalian) = hagelen; ON haghlen, hagglen
haeglcruc = hagelkruis = kruis om gewas te beschermen; AS haeglkruus
haeglscyr = hagelbui; AS haeglskoer
haeglsten = hagelsteen
haeglstorm = hagelstorm; AS haeglstorm
haegtes = heks; ON haghetisse
hael (hal) = heel, gezond
haelan = helen, gezond maken, halen
haelcunst = heelkunst, heelkunde, geneeskunde
haele = heil, held
haelster = halster
hael = zn heil
haelig (hilg) = heilig
haelth = gezondheid
haer (her) = zn haar (# lichaam); ON haer, hair; ME hair
haer (her) = bz haar; ON haer, hair
haera (haru) = zn haar = begroeide hoogte, zandrug, zandhoogte; AS har
haerdrag = haardracht
haerefst = herfst; ON herefst, hervest; AS harfst, harfs, haarfs
haerf = zn oogst
haerfan = ww oogsten
haerfest = zn oogst
haerfestan = ww oogsten
haernett = haarnet; gebruikt om haar in vorm te houden
haerfsan = rouwen > PgAng/Harfsen
Haerfsen = Rouwtijd (herfst) = tijd van bezinning en rouw > PgAng/Harfsen
harfssunna = herfstzon; AS harfszunne
haerfta = oogst, herfst
haesa (heasa, haessa) = heze, hees = bos van bomen of struiken van één soort; kreupelhout; ON hese
NB Wolfheze (dorp bij Arnhem) betekent Wolvenbos. De regio valt binnen oud Anglisch gebied. Wolfheze is al vóór 800nC bewoond. Dus voor de instroom van Franken en Saxen in NO Nederland.
haering = haring (# vis)
haesel = hazel, hazelaar (# boom); >A hassle
haeselnut {mv haeselnutu} = hazelnoot
haeselnutu = hazelnoten
haessa =A haesa
haest = haast; heftigheid; ON haest
haestig = haastig
haet (hod) = hoed; ON huet; AS hood
haett = heet > ww heton
haetu = hitte
hafenian = grijpen; VA NL havenen = toetakelen, beschadigen
haga = haag; ON haga, hage
hagalaz = harmonie, heil en geluk > PgAng
hagalian (haeglan) = hagelen; ON haghlen, hagglen
hagathorn = hagedoorn (# struik)
hagol (haegl) = hagel; ON haghel
hagolcruc = hagelkruis = kruis om gewas te beschermen
hagunnan = ww beginnen
-haid = -heid; AS/Gro -haid
haitha (hedde, haedh) = heide
Haitabu = Heideborg
hal = zn hal
hal zn =A hel; >A heall
hal (hael) = bn heel, gezond, ongeschonden; ME whole; MA hael
hal- (hel-, half-) = half
halcunst =A haelcunst
haldan = houden, vasthouden, pachten, huren; ON halden, holden; ME hold
haldere = houder, pachter, pachthouder
halding = pacht, pachtland, pachthoeve
hale = bn heel, hele; AS/Gro haile; MA hael
haleg = heilig
Haleg Aefen = Hielige Avond; AS hilligen aovend
Haleg Maent = Heilige Maand = december
half (healf) = half; ASoud helv
-halfa = -halve, omwille van
halfwaeg = halfweg, halverwege
halfsaed = halfzaad = mix van twee graansoorten in gelijke verhouding
halge = heilig
halgian = ww heiligen, vereeren
hallinc (hellinc) = halve penny (# munt)
hals = hals
ham = ham = gerookt rundvlees
ham (hem, heym) = huis, woning, woonplek, oord
ham (um, stedt) = locatie, plek, plaats, huis, stede, oord
ham = onderlopend grasland aan water > hamric
hama = haam = jukband voor paarden, borstriem
hamer = hamer; ME hammer
hamlet = klein oord, gehucht
hamma = beboste hoogte in moeras; AS hamme
hamol = hamel = engerling = larve van meikever
hamric = versterkt huis, borg, burgt
hamric = onderlopend grasland bij hoogland
hamstede = heemstede = groot landhuis, omgracht en met singels (= buitenmuren, ringmuren, wallen)
hamweard = huiswaards; ME homeward
han (he) = hij; *= van hem, zijn
han (hume, hyme) = huis, tehuis
han = slijpsteen
hana (rystar, roastar) = haan; AS hoane
hanan = ww slijpen
hanc = hang, neiging, helling, kram, rek, droogschuur, trek; AS hank
hanc = kreek, rivierarm; ON hank
hanc = heup, schenkel; ON hanc
hanciser = hangijzer = ijzeren ketting met haak (# gereedschap)
hand = hand, handvat, greep, wegwijzer; ON hand; AS+SW haand
handaex = handbijl; ON handaex
handtreowa = belofte van trouw; ON hanttrouwe
hangian = ww hangen
handig = handig
hann (crane) = kraan, tapkraan
happe = hap, mondstuk, fopspeen; AS happe
happen = happen, gebeuren
happening = geruststelling, gebeurtenis
happig = happig, verlangend
happigniss = tevredenheid, blijheid
har = bn grijs
har = grijsaard; ON her = heer; > here
har =A haera
hara (hasu) = haas; ME hare
harant = arend (# roofvogel); ON harent
harg = vesting
harkan (lystian) = horen, luisteren; ON horken
harle =A herle
harsc = bn ruw, grof, stug
hartha = zn de harde, sterke, ruige
hartha = zn hard en ruig gebied
hartha (heard) = bn hard, gehard, sterk
haru (haera) = hoogte, heuvel (# ZWHp9)
Harvel = Harreveld/Achterhoek > PgAng/Harreveld
harwan = ww eggen (# landbouw)
harwe = zn eg (# landbouw)
hassle *=A haesel
NB Locaties: Hasselo, Hasselbach, Hasselfelde/Harz
hassuc = graspol, knielkussen
hasta (lance) = speer, lans; > PgAng/Hasten
hasu = bn grouw, grijs
hasu (hara) = zn haas; ON hase; > PgAng/Koolhaas
hasufot = hazevoet (# plant)
hat = bn heet
hatan (heton) = heten; heht = hij/zij heet; ON hieten; MA hetan
hatian = haten
hathir (haitha) = heide
haugh = bn hoog; ON hoghe
haugh (hog, hiog) = zn hoogte, hooggelegen plaats, plateau; AS/HZ/Aalden hooghe
haugh = zandige rivieroever
haughstrate = hoogstraat = winkelstraat
haukan = stelen; ON heuken
haukar = dief; ON heuker; ME hawker
hauw = houw, slag
hauwan (howan) = houwen, slaan, vechten
hauwberc = maliënkolder
hauwel = houweel; ON hauweel
hauwlan = halen, slepen, trekken
have (hof, hofe) = have, hoeve, vee, bezit, eigendom > PgAng/Have
haveland = land van de have; ASoud havesland
haveling = bestuurder; ASoud hoveling
havesatu (satu) = havezate, zate
hax *=A hac, hacta = clearing in wildernis of bos
NB Haaksbergen was vroeger Haxbergen. In Yorkshire ligt twin Haxby, wat hetzelfde betekent.
haxa = gehakt, gerecht van gehakt beenham; AS/HZ haxe
haxal = gehakt veevoer, e.d.; AS haksel
haxalan = haxelen, fijn hakken, mengen
haxan (haccian) = hakken
he [hie] (hy, hie, han*, se) = hij; ON hi; AS he [hee], hi; SW hi
heada = hede = vlasafval
headha (haitha, hedde) = heide; AS heedt, hiet, hedde
headon = heden, tegenwoordig; ASoud hiden
heafan = ww hebben
heafan (heben) = zn hemel, hiernamaals; ON hevan; > haefan = haven
heafanricae = hemelrijk; ON hemelrice
heafoc (habuc) = havik; ON havec, havic
heafod = hoofd; ON hovet
heagan = omheggen, omheinen, beschermen >A heage
heag =A heah = hoog; AS heeg, heech; EZ hech
heagde (hiehta) = hoogte; AS heegde
heage = heg, haag; ON hege, heghe, haghe
heah (heag) = hoog; EZ hech; ME high
healdan = houden > heoldan
healf =A half; AS helv
healh = hoek
heall = zn hal, zaal, huis, landhuis, landgoed, paleis >A hel
healm = halm, stengel
hean = bn veracht, laag
hean = hoon, schande
hean = rust, kalmte
heanding =A heaning; ON heindinge
heanes = hoogheid (# titel)
heanig = rustig, kalm; AS heanig
heaning = omheining; ON heinige
heoldan = ww houden; AS holden
heap (hyp, hoope) = hoop, stapel, hoogte; ON hoep, houph; AS haep, heup
heapan = ww hopen; ASoud haepen
heapian = ww ophopen, stapelen
hearcnian = horen, luisteren; ME hearken
heard (hartha) = hard; ON harde = 1: zeer, erg, sterk; 2: nauwelijks, matig (= ME hardly)
Heardingas = Hardingers = volk van Hardingen > PgAx (Hardingen)
hearic = herik (# akkerkruid)
hearm = schade, letsel, kwaad, leed, ellende, smart, pijn; ON harm
hearmian = schaden, pijnigen, kwetsen
hearnes = harnas; ON hernas
hearpan = zn harpen, harp spelen
hearpe = harp
hearpere = harpist, harpspeler; ON harpere
hears = zn hars; ON hars(t), hers(t)
heasa (haesa) = kreupelhout
heasta = land met veel kreupehout; ON heast
heawan = houwen
hebban = heffen, oprichten, optillen; vt hefde
hebben {hev, had, had} (habban, haefan, hewan) = hebben; MA hebban
hebban, hev, had, had; Ick, ye, he/se, we, ye, se hev/had had
heben =A heafan
hec =A hecce
hecce (haec, hec) = hek, poortje; AS = hekke
hecg [hedge] (heg, hegge) = heg, haag; ON hecge, hegge; AS hegge
hecghog = egel; ME hedgehog
hecgmusge = heggemus (# vogel)
hecle = hekel = 1: plank met spijkers om vlas te bewerken; 2: afschuw
heclian = ww hekelen = 1: vlas over een hekel halen; 2: verwijten
-hed >A -hod
hedde (haitha, haedh) = heide; ON hedde
heddeman = heideman = heidebewoner
hede =A hedde = heide
NB Hedeby = Haitabu = Heideburg = oude hoofdstad van Angeln
hedehus = heidehuis, huis op de heide
heeg = haag, heg; ON hage, hegge; AS heeg, heege; AS/Zalk hieg; ME hedge
heegde = bouwland omheind met haag; AS heegde
heegweard = landwacht = bewaker van heegden; ME hayward
heel = zn heel = nageboorte van koeien
hefan = ww heffen
hefbeam = hefboom
hefcrane = hefkraan
hefde = hief (vt hebdan)
hefig = bn hevig, zwaar
hefigtieme = bn lastig, zwaar, belastend
heg (hecge, hegge) = heg, haag; ON hecge, hegge; AS hegge
hegge =A heg
heir (her) = heer, landeigenaar; ON heir, heyr, here
hel (hal) = zn rijp, bevroren grond, hel; NB >A hell, heall
hel = zn hel
hel = bn hel, leder, licht
hela = zn hiel; ME heel
helhound = hellehond (# Mythologie)
hell = zn helling, schuinte, hellend vlak, schuin vlak
hellan = ww hellen, schuin staan, schuin aflopen
hellig = bw boos, woedend; AS hellig
hellinc =A hallinc; ON hellinc
helm (helmet) = helm (hoofddeksel)
helma = helm = stuurwiel om roer van schip te regelen
helmbart = hellebaard (# wapen)
helmet (helm) = helm; ON hellem
help = hulp
helpan = helpen
helspittan = hielspitten = vestingseis (traditie) in markegronden; > PgAng/Hielspitte
helstan = kristal
hem =A ham
hemedhe = hemd
hemman = ww beteugelen
hemmol (sceo) = zn hemel, lucht; AS hemmel
hemmolcaeg = hemelsleutel (# donderkruid)
hemp (henep) = hennep
hempbracce (haccle) = hennepkam = plank met spijkers om hennepvezels te scheiden
hempsaed = hennepzaad = oliehoudend zaad
henep (hemp) = hennep
henepacre = hennepakker
henepsaed = hennepzaad
Heng- = Eng-, Ang-; > PgAng/Heng-
henge = hengsel; ON henghe
hengest = hengst; ON henxt
hengist =A hengest; ON hinxt
henn = hen (# pluimvee); ON henne, hinne
hensi = tenzij
heod = hut; AS hot
NB Hottenvoortsweg in Raalte.
heoda = gehucht; AS/AH hoede
NB Armhoede (gehucht in Lochem) AVA earm (arm) + heoda (gehucht)
NB Armfield in Engeland
heoldan = hielden; > healdan
heolstor = holster (# pistool)
heopa = hiep = bes van hagedoorn
heopa = joop (# plant)
heord = horde, kudde; > hirde
heorde = vlasvezel
heorot (heort) = hert (# dier)
heorr = scharnier
heort (heorot) = hert (# dier)
heortbal = hertenbal = voorjaarsfeest (3o april) waarbij ongehuwde mannen vermomd als hert een nacht lang feest vieren in een drinkhal
heorte = hart
heortfeaste = hertenfeest, bokkenbal
Feest waarbij ongehuwde mannen vermomd als hert een nacht lang feest vieren in een drinkhal.
heortweda = hertenweide
heordh = haard
heordhfyr = haardvuur
her (haer) = zn haar; ON haer, hair
her (heir) = heer, landeigenaar; ON here
her = vz hier; ON her; AS heer; ME here
here 1 = heer; ON her > har
here 2 = leger; ON heir
herebaen = herebaan = brede en belangrijke weg voor verplaatsing van troepen; ON heirbaen
hereban = dienstplicht; ON heirban
herebeorg = AVA here (leger) + beorg (borg) = legerplaats, kazerne, herberg; ON hereberghe, heirborg
hereman = soldaat
herereaf = legerleider, legerofficier
herescare = legergroep; ON heirschaer
heretoga = veldtocht; ON heirtocht
herfe = vererfbaar stuk grond; ON herve
hergan = ww eren
hergian = ww plunderen, teistern, martelen
hergy = hond voor de lange jacht
heriman = legerheld, oorlogsheld
herkien = ww horen; ME hark > hieran
herle (harle) = weefsel van vlas of hennep
herlic = heerlijk, van de heer (landeigenaar)
herlicdom = heerlijkheid; ON heerlijcheit
herr =A her, heir
herscop = heerschap, landsheer, leenheer; ASoud herschop
herse = paardekar
hertuge = hertog, generaal; ON hertoghe
heru = zwaard
hesp = heup, gewricht; ON hespe
het = had; SW het = heeft
heton = heten, verzoeken; ON hieten > haett
heton him secgan = laat hem zeggen
heton him secgan Bretweala nahtnesse = vertelt hem over de rampspoed in Brittannia
heton him sendan maram fultum = vraagt hem meer troepen te zenden
NB ON (1591): Joncheer Johan van Steenwijk hadde Verdougo hieten doen ... had hem laten weten
hetting = weide, weiland; AS hetting
NB Hettingstraat in Bronkhorst.
hev = heb, heeft; AS hev; >A heafan
hevan {hev, had, had} = hebben >A hewan
hevet = heeft; ASoud hevet
hewan (hevan, hebban, habban) = hebben; AS hewn; ASoud hewenn
heym (ham) = heim, heem
Hic (Ick) = ik
hid (higid) = 120 acres = hoeveelheid land nodig om 1 hiw te onderhouden; 1 hiw = 1 huishouding = 1 familie + medewerkers
hidan (hydan) = verschuilen, verbergen
hide (hyde) = schuilplaats, bergplaats
hider = vz hierheen
hie =A he
hieg =A hoy
hiegan (hoyan) = ww hooien
hiegbaerg (hiegsticc, hoybaerg, hoysticc) = hooiberg
hiegland (hoyland) = hooiland
hiegslaeg (hoyslaeg) = hooislag, laaggelegen hooiland
hiegsticc =A hiegbaerg
hiehta = hoogte; AS heegte, heegde, heghte
hieldan = buigen, hellen; ON ww helden
hielf = handvat, steel
hier = hier
hier die = deze; NB ZuidHollands/ZuidAfrikaans hierdie = deze
hiera dagum = deze dag
hieran (horan) = ww horen; ASoud haren
hiere = bn vriendelijk, zachtmoedig
hiere (hire) = bz haar
higian = streven naar; VA NL hijgen
higid =A hid
higora = meerkol, ekster, specht
hilbe = ?; NB Hilbing (fam.naam)
hilg (haelig) = heilig
him = hem; ON him; SW him
himthigi = ter ere van hem
hin = heen; AS hin
hinaef = hiervan; ON hinof
hinase = behalve
hind = hinde
hinde =A te + inde = ten/ter einde; AS/VWoud hinde
hindrian = hinderen
hinny (hunig, honech) = honing
hiog =A haugh
hire (hiere) = bz haar
hirde = herder
hirdhound = herderhond
hirdstaef = herderstaf
his = bz zijn, van hem
hiscrane = hijskraan
hissan = ww hijssen
hit = het, had; AS et; SW et
hiw = huishouding; 1 hiw = 1 familie + medewerkers
hiwan (guman) = huwen
hiwlic = huwelijk; AS hylik
hladan = ww laden
hlaedder = ladder; ON+AS ledder
hlaeder =A hlaeder
hlaedig (laedig) = bn leeg, vrij, ongehuwd; ON ledich, ledig
hlaedige (laedige) = jongedame; Elzas: Ledige = vrijgezelle dame; ME lady
hlaefdige =A hlaedige
hlaera (hlar) = laar = clearing, open plek in bos, weide, boomgaard, drasland; ON laer, lare
hlaes =A hlot; ON laes
hlaest = last
hlaf = loof, blad; ME leaf
hlaf = stuk brood
hlaford = broodheer, landheer, leenheer, heer; ME lord
hlar =A hlaera
hleapan (leapan, luppan) = lopen; AS leupen, luppen; ASoud loepen; MA leapan
hleapwince (cifwit, ciwit, pewit) = kievit; ME lapwing
hlehhan (lehan) = lachen; AS lahhen
hleo = lij, oever, laagte, luwte, beschutting, schuilplaats; AS/AH lei; ME ley; zt -lee
hleodryhtne (leodryhtne, torcca) = torque (# gouden sieraad)
hleom = soort plant; >A hleomoc
hleomoc = soort slootplant; uitgang -oc = -achtig; de plant lijkt dus op een plant met de naam hleom
hleonian = leunen
hleowe =A low, hliwe; ME low, -low
hlid = deksel
hliehhan (liehan, hlehhan) = lachen
hliodh (sang) = lied; AS leed
hliwe (hleowe, hly) = bv luw, zonnig, warm; ON hly = warm
hlot (hlaes, las) = lot, stuk land; NL lot, bebost strook land > PgAng/Kyllot
hlowan = loeien; BT koeien
hlud = luid; AS luud, lude
hlutor = louter, helder, zuiver
hly (hleowe, hliwe) = zn luwte, warmte; ON hly = warmte; ME -ley, -ly
hneaw = karig, schriel; VA NL nauw
hnaep = nap
hnecca = nek; AS nekke; ME neck
hnigan = nijgen
hnitu = neet (# insect)
hnoll = nol, duin, zandheuvel, bult, kruin
hnoppa = wolvlok; ON noppe
hnutu (nutu) = zn/mv noten
ho =A hoe
hoc (hoecce) = hoek, haak; ON hoec; AS hoak, hook
hoc (hoecce) = stuk land, buurt, streek, oord; ON hoec; AS hook
hoc (hoecce) = scherpe punt, priem, steekwapen; ON hoec; AS hook
hoc (angul) = vishaak; ON angel
hoc (haca, wincelhaca) = winkelhaak, hoekhaak
hocan = ww hoeken, aan de haak slaan, arresteren, steken
hocer = hoeker (# visboot)
hochpott = hutspot (# gerecht)
hocig = hoekig (# vorm); hoekig, stroef, stijf (# gedrag)
hod (haet) = hoed, huif, hoogte; AS hood; > PgAng/Hoed
-hod (-had, -hed) = -heid, -dom, -schap
hoda = schuiloord, gehucht; AS hode, hoed
hodan (hutan) = ww hoeden, schuilen, beschermen; AS hoden
hodcarre (sealwaegn) = huifkar
hodere (cepere) = hoeder, opzichter
hodig = groot gebouwd; AS hodig
hodig = zn soort kraai
hodmakere = hoedemaker
hodmakery = hoedenmakerij
hoe (ho, hoo, how) = hove, gehucht
hoecce (haecce, angol) = hoek, haak, kromstaf, pikhaak, etc
hof = hoef (# paard, etc); AS hoov
hof (hofe) = hof, woning
hofdaegas =A hoffeastes = hofdagen = Middeleeuwse traditie waarbij de koning iedereen uitnodigde om gratis bij hem feestelijk te komen eten; > PgAng/Hofdagen
hofe =A have
hoffeastes = hoffeesten =A hofdaegas
hofiser (horssco) = hoefijzer; AS hoofiser
hog (haugh) = zn hoogte; ON hoghe
hog (haugh) = bn hoog; ON hogh
hog = varken, zwijn
hogan = ophogen, hoger maken; ON hoghen
hogh (hug) = omarming, knuffel
hoghan (hugan) = ww blij maken; ON hoghen
Hogmanagh = Oudjaarsdag, 31 december
hoh = zn hoogte
hol = zn hol, boog, gat, laagte, grot, gehucht; ON hol, hoel; AS hool
holbloc {mv -s} (clump) = klomp; ON holleblok
holblocs = klompen, holleblokken
holbrigge = boogbrug; ON hoelbrughe
holc = holle ruimte
hold = genadig, genegen, trouw; ON hold
hole (houle) = riool, afvoer, greppel; ON hoele
holh = bn hol; ME hollow
holm = schiereiland
holstede = kleine woning; ASoud holstede
holt = hout, groep bomen, bos, boom; ON+AS holt
holtan = hout kappen en bundelen; AS holten
holtbreal = houtzaak, houtmarkt; ON houtbriel
holtbrecere = timmerman, houthandelaar; ON houtbrekere
holtbrecery = timmertoko, houtzaak
holtcopere = houthandelaar
holtcopery = houthandel
holthoc = berghoek voor hout; AS holthook
holting = vergadering; AS holting, hulting
holtman = houthandelaar; ON houtman, houteman
holtrihter = voorzitter van een vergadering; AS holtrigter
holtspraec = rechtszitting; ON holtspraek; AS holtsproake
holtslaeg = nat laagland met bomen; AS holtslag
holtwaeg = weg door of langs bos; ON holtweg
holtwerc (wudwerc) = houtwerk, houtbewerking
homm = kniebocht, schenkel (# vlees)
hommic = hommel (# bij); AS hommike
homor = hamer, steen, rots; AS hammer
hona = haan (# pluimvee)
honan = ww hangen; AS hungen
hondere = hoenderhouder
hondery = hoenderij
hone (houndre, houn) = hoen, hoender; ON hoen, hon (mv hoendre); AS hoon
hones = hoenders
honta =A hounta
hontheof = kippedief; ON hoenredief
honwaithe = hoenderwei
honech (honig, hinny) = honing; ON honich; AS honnig
honechmaerct = honingmarkt
hoo (hoe) =A hoe
hoope =A heap
hoose (hus, huus) = huis; AS huus, hoes
hop = droog land in moeras
hop = hop = blaasinstrument van bast van een lijsterbes; AS hopke
hopa = hoop; ON hope, hoep; AS hop, hope; ME hope
hopp = hop (# gewas)
hoppian = ww hoppen, huppelen; AS hopken
hopu = hop (# vogel)
horan (hieran) = horen, luisteren
horde = horde, troep
hord = voorraad, schat
hordere = voorraadbeheerder, schatbewaarder
hordian = ww vergaren, bewaren, sparen
hore = moeras, veen; AS/NO.Drente hore
hore (hur) = zn hoer
horle = zn horrel, bocht, gebogen stuk (hout, land, e.d.); AS horrel
horlefot = horrelvoet = misvormde voet
horlepipe (hornpipe) = horrelpijp, hoornpijp (# muziek); ON horlepipe; AS horrelpipe
horn (hyrne) = hoorn (van dier), stuk hoekig land, blaasinstrument (# muziek); ON horne; AS horn, heurne
hornblawan = hoornblazen
hornblawere = hoornblazer
horndans = hoorndans = oude dans waarbij mannen een hertegewei op hun hoofd dregen
hornec = hoek, hoekig land; ON hornec, hornic
hornig = hitsig, wellusting, wulps
hornpipe = hoornpijp; AS hornpipe
horrig = bn horig; AS horrig, hoarig
horrig = zn horige; AS horrige, hoarige
horrigniss = horigheid
horrwyrm = meikever (# insect); AS horrewurm
hors (hros, peard) = hors, paard; ON hors
horsblom = paardebloem (# bloem)
horscarre = paardenkar = kar getrokken door paarden
horscepere = paardenhouder
horscepery = paardenhouderij
horscopere = paardekoper
horscopery = paardekoperij, paardehandel
horscrodd (slufhacc) = reukgras (# onkruid); AS horskroed, slofhakke
horsfael = paardeveld, paardewei; AS peardeval
horsfeld = paardeveld
horshaer = paardehaar
horsmaerct = paardenmarkt
horsman = ruiter
horsmennere = paardemenner
horssco (hofiser) = hoefijzer
horsweda = paardewei
hose = beenbekleding, lange kous; AS hoos = broek
houlan (howlan) = huilen; AS hulen
houlbrygge (houle) = hoelbrug = hoge stenen brug over water
houle =A hole; ON hoele
houn (hone, houndre) = hoen
NB1 Hounslow (UK), Hoenlo (Ov), Hoenderloo
NB2 calquhoun = kalkoen
hounta = hoenderveld; ASoud hoonte
hound (hund, hond) = hond, jachthond; AS hund, hoond
houndre {mv -s} (houn) = hoender
how (hoo) = zn huis, oord
NB Vele namen met How of -how van kleine plaatsen in Cumbria.
howeard = dorpswachter
howan =A hauwan
howlan (houlan) = ww huilen
hoy (hieg) = hooi; ASoud hoy, hoey
hoy pluccian = hooi plukken
hoyan = hooien; AS/VWoud hoeyen
hoybaerg (hoysticc, hiegbaerg, hiegticc) = hooiberg
hoyland (hiegland) = hooiland; ASoud hoyland
hoymaent = hooimaand = juli
hoypluccere = hooiplukker (# ambacht)
hoyreac = hooirek, hooiberg
hoysceadd = hooischuur
hoyslaeg = hooislag = laag gelegen hooiland; ASoud hoyslaeg
hoysticc =A hoybaerg
hoywaegn = hooiwagen
hraeda (raed) = raad, advies, bestuur
hraegel = kleed, gewaad
hraefn = raaf
hragra = reiger
hratian = vallen, wankelen, haasten; NB NL rete snel
hreac (rec) = rek, rook
hreaw (reaw) = bn rauw
hreddan = redden
hremman = remmen
hrenian = ruiken
hreod (reat) = riet; AS reet, rait (Gro); ME reed
hreodan = versieren
hreosan = rijsen, opstaan
hreow = rouw; NB hreaw
hreowan = ww rouwen
hreran = ww roeren; ME stirr
hrif = rif, buik; ON href = onderbuik
hrim = rijm, rijp; ON rime; AS riem; ME rime
hriman = ww rijmen, rijpen; ON rimen; AS riemen
hrinan = aanraken
hring (ring) = ring
hringan (ring) = rinkelen; ON ringen; ME to ring
hringbeard (ringbeard) = ringbaard
hris (rese, ryse) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; AS rese, reise
hrisbusk = rijsebos = bos met veel rijshout; AS riesebos
hrisholt = rijshout = takken en twijgen van wilgen en andere taaie houtsoorten
hrissan = rissen, afscheuren, schudden
hrist = rijst
hroc = roek (# vogel)
hroeran = ww roeren, bewegen
hroering = beweging
wit and hroering = fitheid en beweging (Woluspa)
hrof (hrove, thaec) = roof, dak; ON roef, rouf, roof; AS rof; ME roof
hropan = roepen, schreeuwen; MA ropan
hros (hors) = ros, hors, paard; ON ros; AS ros
hroscomb = roskam
hrosdeoc = rosdoek = zak voor paardevoer
hrosmaesse (cawtar) = rosmes = scherp puntmes in ploegbalk
hrosmylen = rosmolen
hrost = hoenderhok, hoenderstok; AS roest
hrostar (russal) = rooster, luik
hrove (hrof, thaec) = dak, daken*
hrum = roet
hrung = rung = stang, trede, sport van ladder
hrutan = snorken, gonzen
hrycg = rug, bergrug; ME ridge
hrydher = rund
hrydhing (rade) = rode = gerooide plek, ontgannen land
hrympel = rimpel
hu = hoe?; ME how
huccle (uccle) = zn ukkel, ukkie, klein kind, iets kleins
huccle (uccle) = bn klein, teer
huccleberie = kleine bes (# vrucht, plant)
hudan = in gebruik hebben; AS huden
hueren = huren; AS/VWoud hueren
huf = huig; > hyge
hufe = muts
hug (hogh) = omarming, knuffel
hugan (hoghan) = ww blij maken; ON hoghen
hugan = heugen, herinneren
hugian = troosten
hulic = watvoor?
hulc = vrachtboot; ON hulc, holc
hulle (hyll) = heuvel; ON hil, hul, hulle
hume (hyme, han) = huis, tehuis; AS huume, heume; >A um (huis, oord)
hummock = heuvel, hoogte in drasland; > PgAng/Hummelo
humore = humor, temperament; ON humore
humore = vocht, lichaamsvocht
hump = zn homp, groot stuk, bult
hun = bn geelbruin, oker
Hun (Hune) = Hun; later Frank, Sax; ON Huyn; NL Hun; AS Huun; ME Hun
hun = grote kerel, gemene vent; AS hune
hund [hont] (hound) = hond, landmaat, tiental (AVA hand); AS hund; > hundred
hund [hont] (hundred) = tw honderd
hundcarre (dogcarre) = hondekar = kar getrokken door 1 of meer honden
hundeahtatig (LB 10x8; LV eahatatig) = tachtig
Hundingdum =A Hundigum
Hundingum *= Hunzingo; gebied in Groningen
hundred [hondrid] (hund) = tw honderd; AVA hund (tiental) + red (rood, aantal) = rode hond; NB hund = tiental
hundred = legergroep van 100 man uit zelfde regio
hundred (scir) = deel van een graafschap; > PgAng/Hundreds
Hune =A Hun
hungor = honger >A hyngran
hungran = hongeren
hungrig = hongerig
hunig (honech, hinny) = honing; ON honich; AS honnig
hunta = jacht, jachgebied; AS hunte
NB Ysselhunten en Veldhunten bij Ulft in de Achterhoek.
huntan (huntian) = jagen
huntere (huntelere, huntman) = jager
NB Veldhunten en Ysselhunten zijn loacties bij Ulft in De Liemers. Mogelijk waren dit ooit jachtgebieden.
huntelere =A huntere
huntian (huntan) = jagen
huntinge = jacht
huntman (huntere) = jager
hur (hore) = hoer
hurding = afrastering, schutting
hurhona = hoerhaan (# raaf)
hurr = haast, gerucht
hurran = ww haasten
hurrig = haastig
hursel (hyrnet) = horzel (# insect); ON horsel, hursel
hurst = hoogte begroeid met struiken; ON hurst; AS horst; NB >A hyrst
hus [hus, hos] (hoose, huus) = huis; ON hus; AS huse, huus, hoes, uus (Giethoorn); EZ hüs; MA hus; ES/York hos
husbonda = man, echtgenoot AVA hus+band; ES/Yor hosband
husbow = huizenbouw
husbreccing = huisvredebreuk; ON huesbreckinghe
husgast = huisgeest; > PgAng/Geesten
husgos = huisgans; ON huusgans
husholdan = ww huishouden
husholding = zn huishouding
husian = ww huizen
husinge = huis + alles wat erbij hoort; ME housing
husleac = huislook (# kruid)
husman = pachter, boer
huswa = hoezo; ME howso
huswaeter = huiswater = water voor huishoudelijk gebruik
hut [hut] (heod) = zn hut, werkplaats, fabriek
hut [hoe:t] (horn) = zn schreeuw, hoorn; ME hoot
hutan (hodan, cepan) = ww hoeden, verzorgen
hutan = schreeuwen, hoornblazen, toeteren; ME hoot (claxoneren)
hutar (cepere) = zn hoeder
hutcom = hutkom; >A comheod (komhut)
hutman = hoornblazer; =* ON/AS/Gro hoetman
NB Hoetmansmeer, gehucht bij Bovenpekela in Groningen.
huus =A hus
hwa {whaet, whaes} = wie?; ME who
hwaeg = zn wei (melksubstantie); ME whey
hwaer (hwar) = waar?; ON waer; > waru
hwaerbi = waarbij; ON waerbi
hwaessan =A waessan
hwaet = bn gewet (van ww wetten = slijpen)
hwaete = weit, boekweit; >A weatha
hwaethre ofer = ww overtreffen
hwanne (hwenne) = wanneer?; ON wan
hwar (hwaer) = waar?; ON waer
hwat = wat?, wat, iets
hwealf = gewelf
hwearf =A wearf
hweather (weder) = zn weder, weer; ME whether; MA weader
hwelc (hwilc) = welk; ME which
hwelp = welp
hwehol =A hweol
hweohhol =A hweol
hweol = (hwehol, hweowol, hweohhol) = wiel
hweorfan = zich wenden, veranderen, gaan; VA NL werven
hweowol =A hweol
hwenne (hwanne) = wanneer?; ON wen
hwethrae (eagther, egtir) = echter, hoewel
hwett = bn nat
hwettan = ww wetten, slijpen, scherpen
hwettstan = wetsteen, slijpsteen, scepter*
hwi = waarom?; ME why
hwid (with, mid) = vz met
hwil = wijle, ogenblik; ON wile; AS wiele; ME while
hwilc =A hwelc
hwilpe = wilp, wulp (# strandvogel)
hwilum = bn wijlen
hwisprian = murmelen; ON wisplen; ME whisper
hwistlian = ww fluiten, sissen
hwit (wit) = wit; EZ wiss
hwiting (wyting) = wijting, witvis
hwopa = dreiging
hwopan = dreigen
hwosta = hoest
hwostan = hoesten
hwylfan = overwelmen
hy [hay] (he, hie, han*, se) = hij; ON hi; AS he [hee], hi; SW hi
hyd (hid) = huid; ON hude, huet; AS huud
hyd (hid) = huid = landmaat
hydan (hidan) = verbergen, verstoppen; ON huden, hiden
hydecopere = huidenkoper; ON huydecoper
hydecopery = huidenzaak; ON huydecopery
hyek = eik; ON heek, hyek >A ac
NB Hyekenduinen (DenHaag) = Eikenduinen
hyf (hyve) = korf
hyftar = hufter, schurk; AS hufter
hyg = bn hoog; AS heug
hygan = ww hijgen
hyge = zn heug, zin, trek; AS heuge
hyge = zn keel, strot
hyglic = trots, hooghartig; AS heuglik
hyglig = hogelijk
hygniss = hoogheid, adel; AS heugheid
hyll = heuvel; ON hil, hul, hulle; AS/VW hil, hul, heul; ME hill
hyme (hume) = huis, tehuis; AS hume, heume
NB De Heume, gehucht tussen Ruurlo en Halle (Achterhoek)
hyn = hoen; AS heun
hyndar = hoenderen
hyngran ww hongeren; > hungor
hyp (heap) = zn hoop, stapel; AS heup
hype = zn heup; ME hip
hyr = huur
hyran = ww huren
hyran = ww horen, behoren; AS hoaren
hyrdere = huurder
hyrdel = horde
hyrian = huren
hyrne =A horn
hyrnet = hoornaar (# horzel, insect)
hyrst [hurst] = horst, zandbank, hoog gelegen grond; ME hurst; NB >A hurst
hyrst = 1: rust; 2: tooi, wapenrusting
hyrstan (raestan) = ww rusten
hyvan = ww wonen, bergen
hyve (hyf) = hoeve, korf, bijenkorf; ON+AS huve
 
i::
ian (and) = en
-ic (-oc) = -ig; >A -oc
-ic = in plaatsnamen: afleiding van wic (wick) = wijk; VB Doornik
Ick (A, Ah, Hic) = ik; ON ick; ML Aku
idel = ijdel
iefers = bw ergens
iegland (ey) = eiland
ieldast = oudste (van); AVA eald = oud >A eald
ieldra = ouder (dan); AVA eald = oud >A eald
ieldu = ouderdom, leeftijd
ierfan (ierfian) = ww eren, bezitten
ierfe (aerfe, yrfe) = erfdeel
ierfian (ierfan) = ww erven, bezitten
iewan = tonen, aantonen
ifer = ijver; AS iever
ifig = eiloof (# klimop); AS efeu; ME ivy
ifrig = bn ijverig; AS ievrig
ilc (elc) = elk
ilcan daege = elke dag
ile = eelt
imbe = imker
imposta =A posta
in = in; EZ em
inbetwixt = intussen, ondertussen, tussen
ince = inkt; ON incte; AS enk
inde = einde; AS/VW inde
ing =A inga
Ing- =A Eng-
-ing (-ung) = -ing, -en
-ing = al wat hoort bij, horend bij, volk van, afkomstig van; > PgAng -ing
NB1 Brunting = Brunt (mansnaam) + al wat bij hem hoort
NB2 Brunting = Brunt + al wie bij hem hoort = volk (familie) van Brunt
NB3 huysinge = huis + alles wat erbij hoort; ME housing
NB4 Kieling = iemand afkomstig van Kiel (locatie)
inga (ing) = aanhang, familie, nazaat, volk, groep, stam
inga (ing) = regio, streek, gehucht, buurt
Ingal = Angel > PgAng/Ingaldinghem
ingast = hengst
Ingel >A Angel
Ingeldes = van, uit Ingel (Ingle, Angle = Angel, Angelen, Angelland)
Ingeldes ord = Ingeldes oord = oord van de Ingelen (Angelen)
Ingland = Engeland; ON Ingelant
Ingle (Angle, Engle) = Angeln
Inglisc = Anglisch
Inglish = Anglisch
Ingol = Angol = Angel, Angul, etc > Angol
inguran = ww instrooien; AS inguren
inhave = inboedel; ON inhave
-ink = versaxte vorm van Anglisch -ing; PgAng(ing/ink, Markelo, Versaxing)
innan (upbouran) = innen
innian = invoeren, inbrengen, opnemen
inning = inning
Iotena = van Iotum = van Jutland
Iotena kunn = volk afkomstig van Iotum = volk West Saxum (Wessex)
Iotene = Jutten
Iotum (Ytum) = Jutland
Ireland = Ierland
Ires = Ieren
irra = verward, verdwaasd
irran = vergissen, verdwalen, verwarren
is (isa) = zn ijs; AS ies
-is (-s) {AVA his} = van, iemand van, zoon van
VB Bennis = iemand/zoon van Benn; Lewis = iemand/zoon van Lew
isa (is) = zn ijs
isen = ijzer
iser = ijzer; ON iser; AS ieser
isergeatery = ijzergieterij; AS isergetery
iserhut = ijzerhut
isermine = ijzermijn
isermylen = ijzermolen = molen die blaasbalg aandrijft om vuur ijzeroven aan te blazen; AS isermul
iserofen = ijzeroven (# smeltoven)
isersmidh = ijzersmid
iserur (mosiser) = ijzeroer
iserweorc = ijzerwerk, ijzerfabriek
isern = ijzeren, van ijzer; AS isern
isig = ijzig; AS iesig
Isla >A Ysel
islan = ww ijzelen
isle = eiland; >A iegland
Isle >A Ysel
isle = zn ijzel
Islego = Ysselgouw = Overijssel; >PgAng/Overijssel
islig = bn ijzelig
it (yt) = lw het; ON it
itlig = ieder, elk; ASoud itlich
iw (eow, ew) = ijf = taxus (# boom); AS eef, ief; ASoud iew, yw
iwland (ewland) = land waar veel iewen (ijven) groeien; AS iewland, ywland
 
j:: > y
joc (juc, yok, geoc) = juk, span, raam, ingeheide paal
joc = juk = landmaat > geoc
jocc = jeuk; ON jock; AS jok
joccan = ww jokken, schertsen, grappen; ON jocken
joccan = ww jeuken, kriebelen; ON jocken; AS jokken
joccan = ww verbinden, samenvoegen; ON jocken
jocce = grap, leugen; ON joc, jock
joccere = joker, grappenmaker, lolbroek
joe (ju) = je, jij; AS/Gro+VL joe; >A ye
joen (yon) = jouw; AS/Gro joen
joffre (miss) = jufvrouw, jongedame
jol (yul) = plezier, vrolijkheid, gijn; ON jolijt
jolan (yulan) = ww joelen, lol maken
jolbeam (yulbeam) = joelboom, kerstboom
Jolfeaste (Yule) = Joelfeest > ZA/PgAng
jolig = jolig, lollig, leuk, vrolijk, gijnig
joncker = jonkheer
jonckhere =A joncker
jonckfraw = jonkvrouw
jou =A yu
joyan = plezier maken, neuken; ON joyen
joyart = pleziermaker; ON joyaert
joye = plezier, genoegen; ON joye
ju (yu, joe, jou) = je, jou; AS/Gro+VL joe; AS/Gro/oud ju
juc >A geoc
juwa = jouw, uw; ON juwe
 
k:: (ze c)
Kantware = inwoners van Kent
kas (kes) =A cass
-ke (AVA lutke) = -ke, -je, -tje; ON -ken; AS/LM -ke
-ken (-kin) =A -ke; ON -ken
keol (kyl) = kuil; AS kuul, koele; ASoud kel
kes =A kas
-kes = mv van -ke
kikan (cycan) = kijken; AS kieken; AS/Gro kaiken
kikkan = ww kikken, schoppen
killa = geul, diepte, bedding; ON kille
-kin (-ken) =A ke; ON -kin
kin =A cene
kinn (kunn, cynne) = kinne, bloedverwant, familie, groep, volk
kiva = gekijf, geschil, gevecht, strijd; ON kive
kivan = kijven
klagan (claegan) = klagen
knaa (cnawan) = knap, weten
knife [knaif] = mes; ON knif, knife; ME knife [naif]
knipa = kneep, klein stuk land; AS knip, kniepe
knipan (cnipan) = knijpen; AS kniepen
knipe = keersluis; AS kniepe
kol = kool (houts-, steenkool)
kram =A craem
kuning (cyning) = koning
kunn (kinn, cynne) = volk; VA NL kunne
Iotena kunn = volk van Jutland > Iotena
kust (mv kuste) = zn kust, zeekust
kuste = kusten
landes kuste = kusten van het land
kuthar = kundig
kuyl (ceol) = kuil, kiel, kielboot (boot met één zeil); AS kuul; ASoud cule; ME keel.
kwasa =A kwasing
NB Kwazenboschweg in Brummen.
kwasing (windbraek) = kwazing, rijshout, dun eiken hakhout of wilgenhout
kweda = inzet, naam
kwedan = kwijten, inzetten, noemen, heten
kyl (ceol, kuyl) = kuil, kille, geul, diepte, gat; ON kiele, cule; AS kuul, koel; ASoud kel > PgAng/Kyllot
kyrian = keuren, kiezen
 
l::
labor = werk, arbeid, moeite; BU pijn, ellende; ON labor, laborre
lac = gebrek; ON lac; ME lack
lace [lake] (lacu) = meer, plas; ON lake, laak; ME lake
lacu [lakoe] =A lace
lad (myge) = jongen, jongeman
lad = weg, reis, leiding
ladic = ladik (# plant); ON ladic, ladeke
ladna =A lad (weg, reis) + na (naar) = weg naar, reis naar
NB Er zijn nog enige wegen in NO Nederland die beginnen met "Weg naar ...".
laec = zn verwijt, gelijkenis, lak; AS laek
laecan = ww laken, afkeuren, verwijten; AS laeken
laecan = ww lijken
laecan = ww lakken
laece = bloedzuiger; ON lake
laecs = bn 1: laks, lui; 2: verwijtbaar: ME lax
laed (leada) = zn leiding, sloot, geul, wetering
laedan = ww leiden, voeren
leadere = zn leider, aanvoerder, gids; ON leeder, leder
laedig (hlaedig) = bn leeg, vrij, ongehuwd; ON ledich, ledig
laedig (hlaedig) = zn vrijgezelle dame; EZ ledig = vrijgezelle dame; ME lady
laedige (hlaedige) = jongedame; Elzas: Ledige = vrijgezelle dame; ME lady
laedseal = leidsel (# paard); ON leidseel
laedtug = leidsel (# paard)
laefan = lieven, loven, beloven; ASoud laven
laeg (lah) = bn laag; ON laege = laag, vlak; AS leag; ASoud leech, lege; ME low; >A lough, low
laeg = zn laagte; AS leagte
laeg = loo, open ruimte; ME lee, ley; >A lough, low
laeg = aardlaag
laegh = ligging, positie; ON laghe
laeks = laks
laekshad = laksheid
lael = buigzame twijg
laenca = onderlijf; ON lanca
laepan = lappen, verstellen, opknappen
laepe = lap, stuk stof, stuk grond; AS/VWoud lappe
laeppere = oplapper, versteller
laer (hlaera) = laar = clearing, open plek in bos, bosweide; ON laer
laer (laru) = lustoord
laeran (leornian) = leren
laerna = valk (# vogel); ON laerne
laerys = larix (# boom)
laes = zn grasland, weide, weiland > Breckles
laesan = ww lezen
laesbroc = weidebroek = broekland gebruikt als weide = natte weide
laest (latost) = laatst; ON leest; AS laotst; SW laest; ME last
laet (late) = bn laat; AS loat
laet = zn horige, lijfeigene, onvrije; ON laet, late
laetan {laet, laetan} = laten; AS loaten
laetland = land van een laet; ON laetland, cijnsland
laeth = landgoed, leengoed
laeth = leenbedrag
laetuwe = latuw (# sla)
laeu = lauw, onverschillig
laferce = leeuwerik (# vogel)
lafian = ww laven, wassen
lagh (lah, ley) = zn laag, laagland; ON laghe; zt -lagh, -ley
lagu = wet; ME law
lah (laeg, lagh, ley, loha, low) = lo, loo, laag, laagte; ON loe; zt -lo
lam = leem; ME loam
lamb = zn lam, jong schaap; ON lamb; ES lamm
lamban = ww lammeren; ES lamming
lambfel = lamsvel; ON lambfel
lambwulle = lamswol; ON lambwulle
lamone (sceaft) = lamoen = T-balk tussen twee paarden in span van rijtuig
lan = zn loon
lanan = ww lonen
lanas = zn lonen
lance (hasta) = lans; ON lance
lancefel = kramp, koliek, buikpijn; ON lancevel
land (lond) = land
landbowa = landbouw
landbowere = landbouwer
landcyse = grondbelasting; ON landcise, landcijse
landdaeg = landdag = vergadering van afgevaardigden van een regio
landes kuste = de kusten van het land
landford = voorde (doorwaadbare plek) naar akker of wei; AS landvoort
landman = landman = plattelander, iemand die woont op het platteland
landscap = landschap; AS landskap
landweard = landwacht, leger > PgAng/ABBA
landwer = landweer = verdedigingswerk; ON landwere
lane (lone) = laan, weg, straat; ON lane; AS loane; ME lane
lang (leng) = lang
langboga = langboog (# wapen); ME longbow
langbot = langboot = soort vikingboot
langwelig = langdurig; ASoud lanckwillig
lapel = lepel; AS leppel
lapian = lepelen, slurpen
lapp = zn lap, stuk leer of stof; ON lappe
lappan = ww lappen, schoonmaken
lare =A lariga
lariga (leariga, lare) = mooie regio, streek; > PgAng/Laar
laru (laer) = lustoord
las = (hlot) lot
lasciser = draadnagel, lange spijker; ON laschyser
last = voetspoor; ON leest
late (laet) = laat; ON laet, late; AS laot
lath = zn leed, verdriet
lath = bn laatdunkend, slecht
lathan = ww lijden, laden, inladen, uitnodigen
lathian = ww veradschuwen
lathodan = ww belasten
lathod = vd belast
latost (laest) = laatst; AS laotst; SW laest; ME last
latue = latuw (# plant); ON latuwe
laugh (lough) = kom van een dorp; AS/Gro lough
lauha = bosje; of?: laagte (=A lah) NB: low, laugh; > PgAng/Haarlo
lawerke = leeuwerik; ON lawerke
layan = leggen
laysig = lijzig, traag, lui; ON lijsig
le (ley, lo) = zn lij, laagland, loofbos op een oeverwal > PgAng/Brakel
-le (-el) = bn -el, -tje, klein; VB gyr = kind; gyrle = klein kind, meisje
lea (leada) = beek, rivier; AS lee
NB Loolee (Almelo), Potlee (Delden/Ov)
lea (leah, ley) = ligging, clearing, open stuk land in bos; AS lea; zt -lei, -ly
leac = look (# kruid)
leac = zn+bn lek; ON leck
leacan = ww lekken; ON lecken
leacer = bn lekker; ON lecker
leacere = lekkerbek; ON lecker
lead = lood (# metaal)
leada (lea) = rivier, beek, etc; ON lehde, lede
leada (laed) = leiding, aanvoerkanaal bij watermolen; ME lead
leadan = ww leiden
leadmine = loodmijn
leadwaeg (drifwaeg, utdrift) = weg waarlangs vee geleid wordt; ON leitweg, lijtweg
leadwit = loodwit (# stopverf)
leaf (blaed) = loof, blad, gebladerte
leafet = links (# richting)
leag (ley) = zn laagte
leag = sjamaan, dokter; ON leghen = vaststellen, bepalen NB diagnose
leag = loog (chemische vloestof)
leag (leg) = bn leeg, laag; AS leug
leagan = constateren, vaststellen, genezen; ON leghen
leagga = zn been (# lichaam)
leaggan = ww liggen, neerleggen; AS leggen
leah (ley) = ligging, open grond, clearing, bos, grasland, weide; NL lee, ley, lei; ME lee, ley; zt -lee, -ley, -lei
leah = luwte, bescherming
leahan = ww liggen
leasan = ww lozen, loslaten
leamp = lamp
lean = zn leen, lening, lap grond; AS lean = stuk grond
leanan = ww lenen
leaning = lening
leang = leng (# vis)
leanig = bn lenig, in leen
leanigan = ww lenigen
leapan (hleapan, luppen) = lopen; AS leupen, luppen; ASoud loepen
leapere (luppere) = loper
laeriga =A lariga
leas = loos, leeg, beroofd, vals
-leas = -loos
leastan = ww presteren; ON leesten
leat >A laet
leax = zn zalm
leax = bn+bw laks, gemakzuchtig
lecgan = leggen, neerleggen, wegleggen
leck = ruimte, territoir, woongebied, broedplaats
leg (laeg, ley) = laagte
NB Kaart 36 bron RZK (1773): Brandleg: dorp bij Hestrup (Westfalen) oost van Denekamp.
leger = leger = rustplaats, schuilplaats; ME laird
lehhan (hlehan) = lachen; AS lahhen
lell = lel, oorlel, huig
lemment = lampepit; ON lement
Lencten = Lente = Vastentijd; ON Lencten
lend = zn lende, zijkant
lend = zn leen
lendan = lenen, belenen
lending = lening (# geld)
lendreat = rietkraag; AS lendreet
leng (lang) = bn lang; AS leng
lengest = bn langste; AS lengste
lengthan = ww lengen = langer worden
lengthu = lengte
leni =A lyne
lente = lente
lentesunna = lentezon
lentefyr = lentevuur, paasbake = vreugdevuur ontstoken uit vreugde voor de nieuwe lente; AS lenteveur, paosboake > PgAng/Eostre
leod = zn lieden, lui, volk; AS leu
leodryhtne (hleodryhtne, torcca) = torque (# gouden sieraad)
leof (liaf) = bn lief; AS leef
leof [lof] (lufu, liafta) = zn liefde; AS leefde; ME love; ES [lof]
leofan = ww loven, lieven, gelieven
leofon = leven
leofond = levend
leofondig = levendig
leogan = zn leugen
leogan = ww liegen; ON loeghan
leoht (liht) = zn+bn licht
leoht = bn licht (# gewicht)
leon = leeuw; ON leoen, lioen
leornian (laeren) = leren
leos = lis, lisse, lelie (moerasplant); AS leus, lusse
lepper = stamelaar; ON leppere
lepperd = lepralijder
lepra = lepra
-lere = -laar; >A -ere
-lery = -larij; >A -ery
lesca = lies
-let (-lut, -le, -ke) = klein, -tje; AS -ke
VB hamlet = klein oord, gehucht; piglet = varkentje
lether = leder, leer
letherloiere (loiere) = leerlooier
lethermakere = leermaker
letherwyrhta = leermaker
lett = onderkomen, huisje, keet
letter (lettre, lettere, littere) = letter, brief, oorkonde, acte, e.d.
lettere =A letter
lettre =A letter
leuch = bv leeg, laag; AS leug
leuch =A ley = zn laagte
NB Beuceleuch = Buccleuch = Buckley = de laagte bij de beuken
leuch (loech) = zn plaats, verzamelplaats; AS/VW leug
ley (le, lea, leag, leuch, leg, low, ly) = lee, lij, laagte, laagland, oever >A hleo, lea
ley (lea) = land tijdelijk begroeid met gras
leyan {leyt, layt, leyd} = ww liggen; ON leyen
Ick ley, ye leyt, etc; Ick hev leyd, etc
liaf (leof) = lief
liafta = liefde
-lic >A -like; ON -lec, -lek; EZ -li
licc = zn lik, smalle strook
liccian = ww likken
-lice >A -like
licgan (licgean, leyan) = liggen
licgan, lacg, lacgan; Ick licg, ye licgt, etc; Ick lacg, ye lacgad, etc
licgean =A licgan
lichoma = lichaam; AS lichoam
lid (lut) = bn klein
VB Lidwicingum (# Widsith) = Klein Wicingum (Vikingham)
lidan = lijden; AS lieden
liefan = loven
lieg = zn laai, vlam
lieg = bn lichtelaaie
liegean = liggen; ME lie
liehhan (hliehan, hlehhan) = lachen
lies = bn los
liesan = lozen, losmaken, loskopen; ON losen
lif = lijf, lichaam, leven; ON lif = lijf, lichaam; AS lief
lifan = ww leven
lifdugh = lijfsbehoud, levensonderhoud; ASoud lifftuch
lifer = lever; ON lever; AS liever
lifercrod = leverkruid (# leverkleurig kruid)
liferwyrst = leverworst; ON levermare
lifstocc = veestapel
-lig (-ly) = -lig
liht (leoht) = zn licht
lihtan = ww lichten, licht worden
like 1 (lice, lyce, luce) = gelijk, zoals; ON like, lijk; AS liek
-like 2 (-lic, -lice, -lyce, -luce) = -lijk; ON -like; SW -lik, -like; > -ly
lilac = bn lila (# kleur)
lim = tak, twijg
lim = lijm, leem, kalk
limgrove = leemgroeve
limkuyl = leemkuil; AS leemkule; ASoud leemcule
limone = limoen (# citroen)
limston = lijmsteen, kalksteen
lincouc = lijnkoek = restproduct persen lijnzaad voor lijnolie; gebruikt als veevoer
lind = linde (# boom)
line = lijn, touw; AS lien
linen = zn linnen (# textiel)
linet = lint, verband
linmakere = touwslager; ON linemakere
linmakery = touwslagerij
linta = linnenveld, vlasakker; AS linte
-ling = achtervoegsel aangevend een gesteldheid, geaardheid, etc
-ling = horend bij, iemand van
VB Hasling (familienaam) = iemand die hoort bij Has (mansnaam)
lingan = aarzelen, talmen, twijfelen: rivier: meanderen, slingeren
linland = vlasland, bouwland met vlas
linsaed = lijnzaad, vlaszaad
linsaedmelo = lijnzaadmeel
linsaedoly = lijnzaadolie, lijnolie
linsel = linzen
linselsoppe = linzensoep
linta = linnenveld, vlasveld
linwat = linnengoed, ondergoed; ON linwaet
liode = lieden
lippa = lip
lispian = ww lispelen
lista = rand, zoom, lijst; ON leest; AS lieste
litere =A letter
littel (lid) = klein; ON littel
lo =A le
lo (loe) = bos, groep bomen
lo = uitgedund bos, clearing, open plek in bos
loc = zn zicht, kijk, verschijning
loc (log) = gat, kuil, poel, meer; ON lock
loc (slot) = slot; ON lok, loke, luk, luke
loc = luik, schot
locan = ww sluiten, afsluiten, opsluiten, omheinen; ON loken, luken
locere (oferlocere) = opzichter, bewaker, toezichthouder; ON lookere
locc = lok, haarlok
locc = lok, wollegras
locian = zien, kijken
locmaent = januari; ON lochmaent
locuste = sprinkhaan; ON locuste
loe (lo) = bos, groep bomen
loech (leuch) = plaats, verzamelplaats
lof = loef, loefzijde
log (lock) = gat, kuil; AS/Gro lough
logboc = logboek (# scheepvaart)
logge = houtblok
loggfyr = houtsvuur
logt (lougt) = lucht; AS logt
logt = zolder
logtan = ww luchten
loha = loo = hoog gelegen stuk bos
loian = looien (van leer)
loiere (letherloiere) = looier
loiery = looierij; ON loeyerey
loma = loom, lam
NB Loomdijk in Reutum/Twente.
lombaerd = geldwisselaar, bankier, handelaar; ON lombaert
lomme = ?; NB Lomme, oud veld in Nijbroek
lommere = lommer = schaduw van bomen
lond (land) = land
lone >A lane
Longbaerdum = Longobarden
longian = verlangen; ON langen
lop = takje, twijg
lopustre = kreeft; ME lobster
loran (louran) = ww loeren
loric = loeder, gluiperd; AS loerik
los = bn los, niet vast
losan = ww lozen, loslaten
lot = bedrog, pret; VA NL leuteren = ON bedriegen
lot >A hlot
lough (low) = laag, laagte, laagland; ON loo; >A laeg
lougt (logt, lugt) = zn lucht; bv licht van kleur; AS logt; AS/VW lougt, logt, lugt
louran (loran) = ww loeren
louwarblaed = laurierblad (# kruid); ON louwerblat
low = (lowe, hleowe, lough) = laag, laagte, laagland; ON loo; > laeg; > PgAng/Ihlow
lowe =A low
lox = los (# dier)
loyel = loyaal, eerlijk, oprecht, trouw; ON loyael
loymaent = januari; ON loymaent
lubba = bn slecht, dom, onhandig, schuin*;
zn afhangende strook, helling*, slip, kwab; ON lubbe; ME lubber = onhandige vent
lubbastoc = lavas (# kruid); ON lubbestock
luc (geluc) = geluk
luca = luik
lucan = ww luiken, wieden
luccan = ww lukken
luccig (gelucig) = gelukkig
luccigniss (geluccniss) = gelukkigheid
luflic = lievelijk, aardig; ON lieflijc
lufu = lief, liefde; AS leef, leefde
lugt =A lougt
lump = puitaal, kwabaal; ON lumpe, lompe
lump = lunch
lump (clump) = klomp, stuk
lump = vod; ON lompe = vod
lump = bn lomp
lumpig = bn lomp
Lundenburig = Londen; ME London; ES [Londen]
Lundes = van, uit Londen; ON Londsch, Lundsch
lungen = longen
lupp = zn loop; AS luppe
luppan (leapan, hleapan) = lopen; AS leupen, luppen; ASoud loepen
luppere (leapere) = loper
luran = ww loeren, bespieden
lurc = 1: bergplaats, schuilplaats; 2: vlegel, hufter, schoft; ON lurk; AS lork
lurcad = verborgen, verscholen
lurcan = 1: lurken, slurpen, opzuigen; 2: verbergen, schuilen; 3: misdragen
lus = luis; AS luus
lust = lust
lut (luth, lid) = bn klein
lute = zn luit, vedel; ON lute
luth =A lut
lutke (AVA lytel) = klein, heel klein; AS/LM lutke; >A -ke
luwa (low, lah) = luwte, laagte; AS lieuwe
-ly =A ley; > hleo
-ly = -lijk; AS -liek, -ly (Angeln/1971); EZ -li (VB ziemli = tamelijk)
lyce = zn lijk; AS like
lychus = lijkenhuisje, dodenhuisje
lycsem = litteken; ON licsem
lycwace = lijkwake; ME lyke-wake
lycwaegn = lijkwagen; AS liekwage
lycwat = lijkwade, lijkkleed
lydherlic = liederlijk, gemeen, slecht
lyne (leni) = leuning, stut, schoor; ON lenie
lyre = lier (# muziekinstrument)
lyre = verlies
lys = bn welig, sappig; AS leus
NB ME: lush fields = welig begroeide velden.
lys = lisse (# plant)
lys = zn sterke drank
lysan = ww lessen, blussen, stillen, drinken, zuipen
lysdodde (dodde, dodder) = lisdodde (# waterpalnt)
lyshus = drankhuis, slijterij
lysig = lijzig, dronken
lystian = luisteren; AS luusteren
lytel = bn luttel, gering, klein; ON littel, lettel; ME little
lytel = zn beetje
lyteran (cleppan) = ww leuteren, kleppen
lytwisard = wijsneus
lywta (luwa) = luwte; AS leeuwte
NB Leeuwte: dorp bij Jansklooster in NW Overijssel
NB Leeuwte: weg tussen Pesse en Ruinen.
 
m::
ma =A mara
maca (macca) = maaksel
macca =A maca
Maccel = mansnaam AVA Maegla; > PgAng/Mekkelenberg
macerel = makreel; ON makereel
macian = maken; MA makan
makan, makt, makad; Ick mak, ye/he/se/we/ye/se makt; Ick hev makad, etc
Macla = AVA Maccel; >A Maccel, mecla; > PgAng/Mekkelenberg
macla = zn plek, gat
macopin (popaeg) = papaver; ON macopijn
maeccar (gemaecca) = makker, maat, genoot
maecle = bn gevlekt
maect (maegth, miht) = macht
maecti = machten; > metudaes maecti
maed (maedwe) = made, maat, weide, grasland
maat = hooiland = laag gelegen grasland bestemd voor hooien
maedeke (meadeke) = klein weiland
maedere = maaier; ON madere
maedere = meekrap = plant waarvan verfstoffen worden gemaakt
maedland = weiland, hooiland; ON madelant
maedwe = weide, grasland, hooiland; ON made, mede, mate, maat; ME meadow
maeg = maag, bloedverwant
maegan {maeg, maegth, maegth} = ww mogen
maeger = bn mager
maegester (maester) = zn meester
maeget = maagd; ON maget
maegh = bloedverwant; ON maegh
maeghdom (bloedverwantschap; ON maeghedom)
Maegla = mansnaam; >A Maccel; > PgAng/Mekkelenberg
maegth (maect, miht) = zn macht
maegthan {vt maegan = mogen} = mochten, vermochten
maegthum = zn machten
maegthum Germanie = Germaanse machten
mael = maal, maaltijd, tijdstip
maelan = malen
maelan = in een vergadering spreken; NL malen = dwaze taal spreken; VA ON mallus = raad, stamvergadering; NB mal = raar
maelbroc = drassige grensstrook; ON maelbrouc
maellus = raad, bestuur; ASoud mallus
maeltid = maaltijd
maen (mon) = maan; ON maen
maen (mayne, gemaene, fronland) = zn meen, meente = onverdeelde gemeenschappelijk grond; ON meen, mein; AS meen, mien, men; > gemaene
NB Bathmen = meen van Batho (mansnaam).
maenan = ww manen, waarschuwen
maendaeg = maandag; gnoemd naar de maan
maene =A maen, mayne
maening = zn maning, waarschuwing
maenliht = maanlicht
maensaed = maanzaad
maenscine = maneschijn
maent = zn maand
maer = zn weiland; ON mair, maar
maer = bw maar > mar, buta
maer = bn vermaard, beroemd
maeran = meren (van boot); ON maren
maerc = mark, stuk afgegrensd land
maercan = merken; > merce
maercet (maerct) = markt; ON market
maercpal = grenspaal; AS markepaal
maercnot = markegenoot
maercrihter = markerichter
maercsten = merksteen, grenssteen
maerct = markt; ON market, marct
maercwaerd = markgenoot; ON markghewaarde
maerct (maercet) = markt; ON maerct, marct
maerctcraem = marktkraam
maerctcraemere = marktkramer
maerctdaeg = marktdag; ON maercktdag
maerctpleats = marktplaats
maere (mare) = mare, tijding, gerucht
maerels = meertouw voor aanleggen boot
maers = mars, korf; AS marsch
maersan (marasan) = ww meerderen, vermeerderen; ON maersenen, meersenen
maerscraemere = marskramer, ventende koopman
maesse = zn mes; AS messe
maesse = zn mis (Heilige Mis); ON messa; AS messe
maest (rae) = zn mast
maest = zn varkensvoer, eikels; ASoud mast
maest = zn mest; AS mast
maest = bn meest; SW meerst = meest
cynerica maest = meeste (grootste deel) van het koninkrijk
maestan = ww mesten, bemesten
maester (maegester) = zn meester; ON maistre
maestling = mesling, brons
maestlingsmidh = meslingsmid, bronssmid
maet = maat (# meten)
maetbiker = maatbeker
maete = weide; AS mate; ASoud maete
maew = meeuw
maga = maag
magan = mogen; SW meugen
AS he mait = hij mag, kan; ME he might [mait]
magu = jongen, zoon; AS maoge = jongen
maid = meid; AS/Gro maid
mal = zn vlek, huidvlek
mal = bn mal, raar, fout
mam = mam, mamma
mamorian = mijmeren over, zinnen op
man (mon, ceorl) = man (mv manna, menn); MA man, men
Het woord "man" wordt gebruikt zoals in gewoon Nederlands. Dwz: niet sexgebonden, maar mbt zowel man, vrouw, jongen of meisje.
man = bw maar; ASoud man
-man = -man, -werker, -boer, e.d.; VB reodman = rietman = rietboer = boer die riet oogst en verkoopt
manadh = meineed
manc = mank = gerecht van aardappels met saus van karnemelk en olie
mancs (sumtids) = soms; AS manks
mancsaed = gemengd graanzaad; ASoud manksaedt
mangan = ww mengen, mixen
mangol = zn mangel (# persmachine)
mangolan = ww mangelen; AS mongelen
manian = manen, voor gerecht dagen
manig (monig) = menig; AS mennig, menneg; EZ manchi; ME many
manigfald = menigvoud; ON manichfalde
manigly = meniglei
manna (menn) = mannen
manpaedh = voetpad; ON manpat
manriht = loon, salaris; ON manrecht
-mans = -mans; in familienamen: = (buitenechtelijke) zoon van -man
manslagt = manslag, doodslag, moord
manu = manen (van een paard)
manupleanc = manoeplank, keursneeplank = plank om linnen stoffen te bewerken
maota = maat, grasland
mar (mer, mor, maer) = maar; AS moar, mar; SW mar; EZ awwer; >A bot
mara = meer (dan)
ne mara = niet meer
maram = bw meer
maram fultum = meer troepen
marasan (maersan) = ww vermeerderen; ON maersenen
maran = meer (dan)
marc =A maerc
marclow (marcol) = vlaamse gaai; AS marklaow
marcol =A marclow
mare (mere) = merrie
; ON mare
mare (mere) = mare, boze geest, nachtelijke kwelgeest, nachtmerrie; ON mare
mare (mere) = slecte tijding; ON mare
maretaec (misteltan) = maretak = soort parasietplant die op bomen groeit; gebruikt in stallen om maren (boze geesten) te verdijven
marescaelc = maarschalk; oorspr.: paardeknecht; later: legerleider
margel = mergel = mengsel van klei een aarde gebruikt als meststof
margelgrove = mergelgroeve
mariz = bn vermaard
marjor = marjoraan (# oregano, kruid)
mars (mors, mersc) = mars = laag grasland dat vaak overstroomt; moeras; ON marsch
mase = mees (# vogel)
maser = knoest; VA NL mazelen
mastic = mastic = welgeurige hars; ON mastic
matar = machtig*
mate (met, maota) = maat, nat gelegen grasland; > PgAng/Oxe
mathe = mate, wijze
matholadan = mateloos spreken, oreren, malen
mattuc = soort pikhouweel met een ets- en een beitelkop; ME mattock; >A -ock
mawan = ww maaien; AS meuwen
mawere = zn maaier
May = mei; ON may, mey
mayan {mayt, mayet, mayt} = ww maaien; AS meien, mejen; ASoud meyen
mayans = 400x400 roeden; ASoud meyens, dach meyens
mayere = meier, pachtboer; ASoud meyer
Maymaent = mei; ON maymaent = maaimaand
mayne [meen] (maen, maene, gemaene, fronland) = zn meen, meente = onverdeelde gemeenschappelijk grond; AS meen, mien, men; > gemaene
mayne (gemayne) = gemeente, verbond > redmayne
maypal = meipaal, meiboom = versierde paal op 1e zondag van mei
mays = mais
me = me, mij; ON+AS mi
meace = stok, staf, scepter
mead (gemaede) = gek, dwaas, door; ON mede
meada = weiland; AS mede
meadan (gemaedan) = gek doen
meadcaeppe = dollehoed, gek
meadeke (maedeke) = klein weiland; AS medeke
meadhal (meodhal) = drankhal, zuiptent
meadhus = gekkenhuis, sanatorium
meadman = gek, dolleman, gekke man
meadniss = gekte, dwaasheid
meadu (meodu) = mede
meadwif = gekke vrouw
meaga = pis, plas
meagan (migan) = pissen, plassen; AS miegen
meahan {meah, meahet, meahet} = mogen; ME may
meahte = mocht (AVA maehan = mogen)
mealt = mout
Mout wordt gemaakt uit gerst en gebruikt bij het maken van bier. > PgAng/Bier
mealtere = moutmaker
mealtery = moutmakerij
mealwe = maluwe (plantensoor; Lat: malva)
meanan = ww menen, betekenen
meaning = zn mening, betekenis
mearc (merce) = merk, grens, grensgebied
mearce (mierce) = grens
mearcfolc = grensvolk
mearcgerefa = markgraaf = graaf van een grensgewest; ON mercgrave
mearcweard = grenswacht
mearcweardig = bn merkwaardig, opvallend
meardh = marter
mearg = merg
mearh = merrie; AS meerke
mearce =A mierce
mearle (mearul) = merel
mearsc = weidestreek
mearul (mearle) = merel
meatan = ww meten; >A maet
meatte = mat
meccel =A Mecla =A Macla
Mecla =A Macla
mecla =A micla = groot; ON mekel; AS mekkel
medhe = bn moede
medlere = mispelboom
meduseld = metgezel
megid = meid
melc (milc) = melk; ON melic
melcan = ww melken
meldan = ww melden
meldian = verklappen, aanklagen
melde = melde (# plant)
meledeaw = meeldauw (# schimmel); ME meldew
melig = bn van meel, saai, flauw
mella (mylen) = molen; ON mell, melle; AS mul, mulle
mellan = ww malen
melo (meolo) = zn meel; ON mele
melo = bn zacht, sappig, rijp, vol, zuiver
melt = zn vet, smeer, reuzel, olie; ON smolt, smout
meltan (mieltan) = ww smelten; ON smouten
mengan = mengen
menn (manna) = mannen
mennan = ww mennen
mennere = zn menner
mensc = mens; AS mensk
mentan = melden; ASoud menten
mentel = mantel (# kleding), omhulsel (# bouwsel)
menting = melding; ASoud mentie
meoc = bn meegaand, zachtmoedig, gedwee
meoca = zn zachtmoedige, zachtmoedig persoon
meoce = zn moeke, moedertje, oud vrouwtje; AS meuke
meocniss = zachtmoedigheid
meodhal = drankhal, zuiptent
meodo = mede (# drank)
meolo =A melo
meoloc (milc) = melk; ON melic
mer (mar, mor, maer) = bw maar; AS moar, mar; SW mar; EZ awwer; >A bot
mer = bn vermaard, beroemd
meran = meren, vastbinden
merce (mearc) = merk, grens, grenspaal
Mercum = Mark = munteenheid
mere = zn meer, plas, zee
mere (mare) = merrie
merran = hinderen, ruïneren, dodelijk verwonden; ON merren = hinderen; ME mar
merre =A mirre
mersc (mors, mars) = moeras; ON marisk, mars
-mes = ON -messe; > cermes, scirmes
meselfa [miself] = mezelf; ON meselve; AS miself; ES [miself]
meslic (mislic) = mislijk
met (mate) = maat
metan = meten, ontmoeten
meteseax = mes, dolk
metudaes maecti *= maker's machten; > PgLng (Caedmon)
meynan = ww mennen, drijven; ON meinen
mynelicne = ontembaar, mateloos
meynere = paardenmenner, paardendrijver; ON meinere
micla (mecla) = groot; AS mekkel
micla ege = grote vrees
mid (hwid, with) = vz met; AS mid; SW mit; EZ met; ME with
mid micla ege = met grote vrees
midan = mijden; ON midan; AS mieden
middel = middel, midden
middelbaer = middelbaar, middelmatig, gemiddeld; ASoud middelbar
middun = midden
middungaerd = middengaard, middentuin = de wereld (mythologie)
midwif = vroedvrouw
midwifery = vroedhulp
mieltan =A meltan
mierce (mearce)= grens
miere = merrie; AS mere, meerke; ME mare
miga = urine, pis
migan (meagan) = miegen, plassen, pissen, urineren; AS miegen
migga = druilregen
miggan = druilen, zeiken, licht regenen; ON miggelen
migh =A mighla
mighla = wolk, mist
miht [mait] (maegth) = macht
mihtig = machtig
mil = mijl; ON mile; 1 mil = 1.6 Km
milc (melc, meoloc) = melk; ON melic
milcbour = melkboer
milcman = melkboer
milde = bn mild
milte = zn milt
min = min (minder)
min = bz mijn; ON min; AS mien
minbow (mynbow) = mijnbouw
mine (myne) = zn mijn; AS miene
minere (minwercere) = mijnwerker
minte = mint, munt (# kruid)
minttay = mintthee = thee getrokken van mint
minwercere (mynwercere) = mijwerker
mirce (myrg) = bn donker, nat
mire = mier (# insect); AS miere
mirre (merre) = mirre, gomhars
mis- = mis-; ivm mislukken etc
misdaed = misdaad
misgield = misoogst
misgihwaes = misgewas, misoogst; AS miswas
mislic = mislijk
misliched = mislijkheid
mismodig = mismoedig; AS mismoodig
mismodniss = mismoedigheid
miss (joffre) = jongedame, juffrouw
missan = ww missen
misselgyr {mv -s} = boodschapper; ON misselgier
missive = bericht, brief
mist = mist
mistel = mistel (# struik)
misteltan (maretaec) = maretak = soort parasietplant die op bomen groeit; gebruikt in stallen om maren (boze geesten) te verdijven
misthorn = misthoorn (# scheepvaart)
mistig = mistig
mite = mijt (# insect); AS miete
moc = mok, beker
mod = moed, gemoed
to mod = te moede
modan = turf maken; AS modn
modde [mod] (mudde) = zn modder
moddig = modderig, besmeurd, vuil, vaal
modgidanc = LT moedgedank = dankzij moed; > PgLng (Caedmon)
modig = moedig; AS moodig
modigast = moedigst, meest moedig
modigast ealra = allermoedigst = moedigste van allen
modor (modra, mutha) = moeder; ON moder
modra =A modor
modracorn = moederkoren > PgAng/Roggemoeder
modraest = gemoedrust
modranect = Moedernacht = 24 december > PgAng/Modrenect
mold (molde) = mal, template
molder (mulder) = molenaar
molder = korenmaat (1 molder = 4 schepel)
VB 1 molder raapzaad = hoeveelheid raapzaad afkomstig van 0.53 Ha akkergrond
moldery (muldery) = maalderij
molde =A mold
mole =A molle
molle (mole, mulle) = mol; ON molle; AS molle
molt =A molder
mon (man) = man
mon (mona, monna, maen) = maan, maand
monath = maand, maan
moncynnaes = mokkenaars; ON muncken = mokken; > PgLng (Caedmon)
mond = mand
mondmakere = mandenmaker
mondmakery = mandenmakerij
mone = duivel; ON moene
monig =A manig
monna (mon, maen) = maan
mor (myr) = moer = zn woeste grond, heide; ON mor = moer, drasland; AS mor, moor, meur; ME moor
mor = zn moerbei; ON mour, moer
mor = bn week, zacht, teer, murw
mor (mar) = bw maar; AS mor, moar
mor = moeras, drasland; ON moer; AS mor
mor = modder; AS mor
mor (cwenbeo) = bijenkoningin; AS mor
moraet = moerbeiwijn; ON moraet
moran = ww meren, vastbinden; ON moren
moras = moeras; ASoud moras
morassig = moerassig; ASoud moraschich
morbeam = moerbeiboom; ON moerboem, mourboem
morclocc = moerasklok = vat waarmee moerasgas (morgas) wordt opgevangen
mordhor = moord; ON moerd
morgas = moerasgas
morhenn = waterhoen (# watervogel)
morig = bn wild, verwilderd
moriga = woest land; AS morige
morgen (morwen) = morgen, orchtend
landmaat: 1 morgen = hoeveelheid land dat een boer in 1 morgen (ochtend) kan bewerken = 0.86-1.3 Ha grond
morgen morgens gelic = morgen morgens gelijk = naar evenredigheid
moring = veenderij; ON moerinc
morland (wystland) = woest land, veenland, moerasland
morman = veenwerker; ON moerman
mormaed = veengrond; ON moermade, -maat
morran = ww morren, tegenstribbelen
mors (mars, mersc, myrs) = moeras; AS mors, mars, meurs
morsman = veenwerker
morwaeg = veenweg; ON moerweg
morwen (morwening) = morgen, ochtend; AS morren
morwen (morgen) = morgen
morwengief = morgengave = bruidschat
morwening =A morwen
mos = spijs, eten, warme maal, moes, brij; ON moes
mos = veengrond, moeras; ON mos; AS lage, drassige weide; ME moss
Mossbourne Academy London; mossbourne = stroom/beek in moerasgebied
mosbusk = moerasbos
moscat = muskaat (# specerij); ON moscaet
mosiser (goriser, iserur) = moerasijzer, ijzeroer
mosream = eetbare paddestoel
mosthun (mosthyn) = moestuin
mosthyn (mosthun) = moestuin
motan {mot, most, motan} = moeten; ASoud moten; ES most [most, moest]
motand = weshalve, omwelk; ASoud motan
mote = gracht
moththe = mot (# insect); AS motte
mott = zeug (moedervarken); ON motte
motta = motte = omwald en omgracht huis; ON mothe
mough = macht, vermogen, bevoegdheid, lust; ON moghe
mowan = ww maaien
mowe = maailand, grasland; ON meiland; ASoud meyland
moy = tante = zuster van vader of moeder; ON moy, moey, moei
moysunu = neef = zoon van tante; ON moyensoon
mud = bunzing
mudde [mud] (modde) = modder; ON mudde; AS modde; ME mud
mudh (muth) = mond, monding; ON mude, muyde, AS mud, modde, mouth; ME mouth
NB Angelmodde (Munster). Wichmond staat op kaart KGH1593 als Wichmouth.
mudhig = mondig, meerderjarig
muf = muf
muga (muha) = hooiberg, hooizolder, hoop koren
muha =A muga
mulder (molder) = molenaar, korenmaat (1 molder = 4 schepel)
muldery (moldery) = maalderij
mulle =A molle
mund = mondig
munda = beschutting
mundbora = voogd, gemachtigde; ON manbore, momber, momboor
munuc = monnik; ON moenac; AS/VW munnich
mure = muur; ON+AS mure
murhoc = muurhaak
murnan = ww treuren, rouwen
murne = lijkenhuisje
mus = muis (# dier, ongedierte); AS moes, moeze; ME mouse
musc = muskus
muscle =A mussel
musge = mus (# vogel)
musice = muziek; ON musike
mussel (muscle) = mossel; AS mussel
musselman = mosselboer; raapt mossels uit slib op strand en verkoopt ze
musspicer = muizensilo; AS moezenspieker
= silo op palen tegen muizen; > PgAng/Spieker
mussy = musse (# insect); ON mussie
mustart = mosterd
mustartmakere = mosterdmaker
mustartmakery = mosterdmakery
mustartsaed = mosterdzaad, zaad van de mosterdplant
muth (mudh) = mond, monding
mutha =A modor
myce = bn klein; >A micla
mycen = zn meek, kleine wei; AS meuke, meeke; ASoud mecken
NB Isidorushoeve (Twente): 't Meuken (veldnaam).
mycge (mygge) = mug; AS migge, mugge
mydda = mudde = 4 schepel = 0.5 Ha; AS mudde
mygan = ww mogen
myge = meug, smaak, zin
myge (lad) = jongeman; AS meuge
mygge =A mycge = mug; AS migge, mugge
myl = bn mul, los; VB mul zand
myl = zn stof, losse grond
myl = mul, meul (# vis)
myl = zn molen; AS mul
mylan = ww malen
mylbece = molenbeek = beek langs een molen
mylbeorg = molenberg = heuvel waarop een molen staat
mylbroc = molenbroek = drasland bij een molen
myldam = molendam = dam waarop een watermolen staat
mylen (mella) = molen; ON melle; AS meulen, mul
mylenere (molder) = molenaar
mylenery = maalderij
mylraed = molenrad
mylsten = molensteen, maalsteen
mylwearf = molenwerf = terrein rond de molen
mylweol = molenrad
mylwic = molenwiek
mylwinc = molenwiek
mynbow = mijnbouw
myne (mine) = zn mijn; AS/Gro main
myne (winde) = meune (# zoetwatervis)
mynet = munt; AS/Gro/oud monet
mynetere = muntmaker, geldmaker
myntan = van plan zijn, besluiten; NL munten = doelen op
mynwercere (minwercere) = mijwerker
myr (mor) = woest land, wildernis, moeras; ASoud meur
myrdhrere = moordenaar; ON moerdenere
myrdhrian = ww moorden, vermoorden; ON moerden
Myrginga = Myrgingum
Myrgingas = Myrgings > PgAng/Myrgingum
Myrgingum = Myrgingum =* Merum/N.Gro > PgAng/Myrgingum
myrs =A mors
myrgynne = moerasland, wildernis, woest land; ME wasteland
Mysse [meusse, musse] = rivier de Maas in Zuid Nederland
 
n::
n... ze ...
n... soms: n... = niet ...; soms: n... = an ... = een ...;
NB AS: soms: n... = ne ... = een ...; VB neik = ne eik = een eik
na (naer) = vz na, naar, voorbij; ASoud na
-na = avs -ne, -en. VB: Merna (1233nC) = Merne/N.Gro; Osnabrück = Ossenbrug/Dtl; Risnen (1188nC) = Rijssen/Twente; Ubbena (Drente) = voorbij Ubbe (mansnaam)
-na = vz naar; VB Aladna =A ael (heiligdom) + lad (weg) + na (naar) = weg naar Aalten
naa (noa, nay) = nee
naa = lw een; AS ne
naca {AVA naa aca = een aak} = aak (# boot)
nacod (naecad) = naakt; ON naket
naecad =A nacod
naecs = kwiek, vlug, snel, handig; AS naks
naedre (AVA an aedre) = adder; ON nadre, nater; ME adder
naefre = nooit; AVA naht aefre; ME never; > aefre
naegel = nagel, spijker
naeglan = nagelen, spijkeren, vastnagelen, vastspijkeren
naeld = naald, haarspeld; ON naelde
naeldmakere = naaldenmaker; ON naeldmakere
naenig =A ne aenig = niet enig = niemand
naep (raep) = raap (# gewas)
naer = vz naar
naes = landtong
naes = ne waes = was niet
nafola = navel
nafu = naaf
nafugar (AV an afugar) = avegaar = grote houtboor
naht = zn nood
naht [nait] (nat, nawuth, nit) = niet; AS/Salland neet; AS/Gro nait; MA nat
nahtnesse = zn nood, rampspoed
nahwaether =A nawther
nama = zn naam; ML nama
namian = ww noemen
nan (gin) =A ne ane = niet een = geen
narc = eendenkooi; ON nark; ES spion, lokeend
NB Narkveld en Narkveldweg in Beltrum.
narcere (coycer) = kooiker
narcery (coycery) = kooikerij
nat (naht, nit) = niet
natt = bn nat
nattelt = nat land; AS/VW nattelt; >A -elt
naw = nou
nawther (nahwaether, nother) = noch; ME neither
nawuth (naht) = niet
nay (naa) = nee
nayan = ww ontkennen
nayan = ww naaien; ON nayen
ne (ni, nit) = niet; AS nit, nich
VB Ick ne wiste = ik wist niet
ne = tw een, ene; AS ne
ne alaeg = niet vaak, soms
ne waes (naes) = was niet
-ne = -ne, -en
neafens = nevens, benevens; AS/VW neffens
neah = na, nabij, voorbij; ME near
neaht (niht) = nacht; LW naktis
neahst = naaste, volgende
nean = nooit; ON nien, niene
neapan = nijpen, knijpen, plukken
near = ijver, ongeduld
nearig = ijverig, gedurig; AS nerig
nearu = nauw; ME narrow
neast = vz naast; AS neost, naost
neast = bn vuil, vies
neastig = vies, vuil, onplezierig; ON nestig
neat = zn rund, koe, vee
neat = bn net, netjes, keurig, handig
neatheord = veehoeder
neather =A ne eather = niet ieder = niemand
neatniss = netheid
nebb = sneb, neus, snavel; ON neb, nebbe
nect (neaht, niht) = nacht; LW naktis
nefa = neef = man met dezelfde voorvaders; ON neve = neef, kleinzoon, vriend, bekende; AS neve; >A moysunu
nefas = mannen met dezelfde voorvaders
neffen =A neffens
neffens (neffen) = nevens, benevens; ON neffens
neigh = nabij, nabijheid; AS neeg
neighbour {mv neighbours} = buurman; AS naboar, naobers {mv noboars}
neighbourscip = nabuurschap; AS naboarschap
nemdon = noemden
nemman {nemt, naem, nomman} = nemen; AS nemmen
nemnan {nemt, nemdet, nemdet} = ww noemen
nendore = niendeur, achterdeur; AS niendoor, niendure
nene = vz achter; AS nien
nenewaeg = achterweg, buitenweg
nenhus = achterhuis = schuur met stal staat; AS achterhoes; ASoud nienhoes
nenne = oude vrouw; ML nènè; ME nanny
neod (nied) = nood; AS/Bremen nied
neoddryft = nooddruft; ASoud noetdrofft
neodian = ww noden, behoeven, nodig hebben
neodig = nodig; AS neudig
neogan = ww nodigen, uitnodigen; AS neugen
neotan = ww nutten, gebruiken, genieten, bezitten
neothan = bn laag
neothera = bn neder
neowel =A nihol
nepflod = doodtij (# waterstand)
ness = landtong; ON nes, nesse
-ness (-niss, -hed) = -nes, -heid
nest {mv nestas) = zn nest; > nistian
nestas = zn nesten
netele = netel; AS nettel; AS/oud nethel; ME nettle
nett = zn net
ni (ne, nit) = niet
niccan = ww knikken, knakken, schelden, belazeren; AS nikken; ES nick
nicnome = bijnaam, scheldnaam
nied (neod) = nood
niedig = nodig
nierwan = vervelen, lastig vallen
nift = nicht; VA NL nuffig
nigon = negen
nigontig = negentig
nihol (niwel, neowel) = voorover, stijl
niht [nait] (nect, neaht) = nacht; ME night
nihtgale = nachtegaal
nihtmere = nachtmerrie (vreselijke angstdroom)
nihtscada = nachtschade (# kruid)
nihtwacere = nachtwaker
niman = ww nemen
Nimwaeg = Nijmegen
nip = bn nipt; zn nevel
nipan = nijpen, donker worden
-niss =A -ness
nistian = ww nesten > nest
nit (ne, ni) = niet; AS/Gro nait; ASoud nit; EZ nit
nits = niets
nitwaerdig = nietswaardig, waardeloos; ASoud nichtwerdich
niowe =A niwe
niwe = nieuw; ON niwe, niew; ASoud new, ny
niwel =A nihol
niwland = pas ontgonnen of bebouwd land; ASoud nylandt
NB Nyland = kustplaats in Cornwal, ZW Engeland
niwstaet = nieuwe plaats; ASoud nienstat
no = niet
noa (naa, nay) = nee
nocc (first, fyrst) = nok, daknok
noman = ww noemen; AS noamen
nome = naam; ON name; AS noam; ME name
non = middag, 12 uur; ON non, noen
north = noord; ON nort, noert
North-Humbre = Northumbria
northlic = noordelijk
northweard = noordwaards; ON nortwaerd
nosream = neusriem (voor paarden)
nosu = neus; ON nose; AS nosse; AS/Bremen nees
nother (nawther) = noch; ME neither
novembre = november; ON novembre
nowiht = nul, niets
nowihtig = ondeugdend, stout
nu = nu, nou; ON nuwe; AS noe
nu giet = nog steeds; > giet
nucer = noteboom, okkenoot; ON nueker
nudh (nyde) = waterloop, geul; AS/VWoud noed, neude
nunne = non = vrouwelijke kloosterling; ON nunne
nut = zn noot (# vrucht); AS nut
nutu (hnutu) = zn noten
nuwe = nu, nou; ON nuwe; AS noe
nyde (nudh) = waterloop, geul; AS/VWoud neude, noed
nyllan {nyllet, nyllad, nyllad} = ww niet willen
 
o::
o = een, ene (onb.lidwoord)
o (a) = ooit, altijd
ock (auck) = bw ook; AS ok
ock (ac) = eik (# boom); ASoud ok
NB Okhorstweg in Delden/Achterhoek
NB Okkenbroek (Salland) = Eikenbroek = broekland waar eiken staan. In Derby (HAG, GB) ligt de plaats Ockbrook.
-oc(k) (-uc, -ec, -ic) = -achtig. Deze uitgang komt voor in Anglisch cranoc (kraanvogel) en hummock (hoogte in drasland). Naast cranoc kent het Anglisch ook crane voor kraanvogel. De term -oc of -ock is dus een toeving. Vrij zeker betekent -oc(k) = -achtig = lijkend op. Hummock is dan een heuvelachtig terrein. En cranoc een kraanachtige vogel, mogelijk dus een reiger. Een mattuc (ME mattock) is een soort pikhouweel met ets- en beitelkop.
ockbast (acbast) = eikebast > ZA/PgAng
octobre = oktober; ON octobere
od = tot, te; ME ad
oe (ey) = eiland; VB Beveroe (Angeln) = Bevereiland
oerta (orta) = oert = oude munt van 1/4 stuiver; ASoud oert
of = af, van (afkomstig van); AS af; EZ vun; ME off
ofen = zn oven
ofer (afer) = vz over; ASoud aver
oferal (ahwaer) = vz overal
ofereode = overvloed
Thaes ofereode, thisses swa maeg = Dat ten overvloede, dit mag zo
oferest = overigens, alweer, maar; ASoud overst
oferig = overig; AS auwerig; EZ awwerig
ofergewiht = overgewicht; ON overwigt
ofergrownet = verwilderd; ME overgrown
oferhauwlan = afbreken, neerhalen, demonteren, onderzoeken
oferlocere (locere) = opzichter, opziener
oferlocian = ww overzien
oferscyrte = overrok, overhemd (# kleding)
oferwiht = overgewicht; ON overwigt
ofet = ooft
offre = offer
offrian = ww offeren; AS offern
ofor = oever; ON over
ofslogon = afslachten
ofspring = kinderen, nazaten, resultaat
oft = vaak
ofta = of; ON ofte
ogest (oust) = oogst, oogstmaand, Augustus; ON oghest
ol (al) = al, alle
old = oud; ON old, out; AS old; SW oold >A eald
NB Oldebroek NoordVeluwe ligt in historisch Anglisch gebied.
olderman =A ealderman; AS olderman
ole =A old; AS ole
olla = alle
oly (ele) = olie; ON oly, oli; AS ollie
olyfleasc = oliefles
olyleamp = olilamp
olymylen = oliemolen
olymylens = oliemolens
olysaed = zaad waaruit olie geperst wordt
olysaedan = oliezaden
on (an) = vz aan, op (=A up); AS oan
on efn = nevens, naast
on flette thahan = op 't schild dragen (# eerbetoon)
on gemang = tussenin; ME amongst
on orette = op aarde
on- (un-) = on- = niet ...
onblidhe = verdrietig, droefig; ON onblide
onbutan = buitendien, zonder, ongeveer, over; ME about
ond (and) = en
onfengon = ontvangen
onfilti (ambilt) = aambeeld; ON aembelt
Ong- =A Eng-
onga (anga) = stekel
ongean = vz tegen
ongeand = aangaande, betreffend
ongeand = vz tegen, bij, nabij
ongel (angel, angul, hoc) = haak, vishaak
Ongel (Angel) = Angel; AS Angel, Ongel
NB Ongelnkamp in Harreveld > PgAng/Angelheem
onginnan = ww ontginnen
Ongle =A Angle; NB ML ongol = klein gebogen stukje deeg
ongon = toen
Ongull = Angel > PgAng/Ongel
onhagian = behagen
onleacan = uitlekken, uitstromen
onsundra = afzonderlijk, apart
ontendan = ontsteken, aansteken; > tynder
onweg = bw weg; ON onweach; ME away
onwocan = ww ontwaken, geboren worden
onwocan = bn ontwoken, ontwaakt, geboren
op (up) = vz op; ON up; AS up; EZ uff; ES op; > on
op (sop) = zn heuvel, top, hoogte, berg
Komt voor o.a. in de namen Esop (bij Elst/Bemmel), Pasop (Aalten), Brogteropslage, Spekopsweg (Dedemsvaart), Oosterop (famnaam), etc
open = open
openniss = openheid
or =A ar = eer, ...
ora = oer, ijzeroer; ON ore; AS/HZ/Orvelte orre; ME ore
ord = zn oord
ore = bn oer
orette (eard, eorthe) = aarde
orlege = oorlog
orranny = oranje (# kleur); AS orrannie
orsaeke = oorzaak; ASoud orsake, oersaeke
orta =A oerta; ASoud ort
ortegeard = boomgaard, fruitgaard
orthanc = oordeel, gedachte, idee
os =A ox
ost = knoest
ostar [oestar] (ustar) = oester
Oswine = Oswin
oth = erfgoed
othan = ww erven
other = ander
othmod = ootmoed, vriendelijke gezindheid
othniss = erfenis
oththe (aef) = of; ASoud ader, edder, eder; ME or
otter = otter
otterspear = otterspeer = speer om otters te vangen
ottor = otter
oust (ogest) = oogst, oogstmaand, Augustus
Oustmaent = Oogstmaand, Augustus
ould (ald, eald, auld) = oud; ON old; AS ald, old, ould; ME old
oule (ule) = uil; ON ule; AS ule, oele
oulflyht = schemering; AS oelevlucht
outa = oudje, grootmoeder; AS oote
oxa {mv oxas} (os) = os; AS oxe, osse
oxa = 1 morgen = 0.9 Ha = de omvang van land, dat een boer met een span ossen in 1 morgen kan ploegen.
oxblod = ossebloed; werd gebruikt als soort menie om muren te verfen
oxbour = ossenboer, ossenfokker
oxcarre = ossenkar
oxceapa = ossenhandel
oxenere =A oxbour
oxhorn = ossenhoorn (# blaasmuziek)
oxmaerct = ossenmarkt
oxtunge = ossetong (# gerecht)
oxtunge = ossetong (# bitterkruid)
oxwaeg = ossenweg = weg waarlangs ossen werden gevoerd naar ossenmarkt; > PgAng/Ossenweg
oxwaegn (oxwaen) = ossewagen
oxwaen =A oxwaegn
oyr = hun; ASoud oir
oyt = onbeduidend, beroofd; ASoud oit
 
p::
pac = zn pak, bundel, stapel; ON pac
paccan = ww pakken, grijpen
pacesol = pakezel = ezel die pakken op de rug draagt
pachors = pakpaard = bepakt paard, paard dat pakken op de rug draagt
packe = pak, net pak (# kleding)
Pad = mansnaam; > PgAng/Padinghem
pade = zn pad (# kikker); ON padde
pal = paal; AS poal; ME pole
paedh = pad; ME path
paell = zn pelle (# linnen stof)
paell = zn pelle = schil, vacht, bont; ON pelle
paell = rouwkleed = zwart kleed over doodskist
paellan = ww pellen, schillen
paellbour = schillenboer; ON pelleboer
paellweafar = pellewever
paepegay = papegaai; ON papegay
paerroc (parrock) = park; ON pearc; NB > pearroc
paes (peas, pas, pes) = paas, pas = heide, heideveld; AS pees, pes
paes (pas, pes) = vrede; ON paes
paes (pas, pes) = Pasen; ON paes
paesbeace (lentefyr) = paasbake, paasvuur, lentevuur; AS paosboake
paesbeorg = paasberg; NB Paasberg in Lochem
paesce (pasce, pesce) = klein heideveld
paeslic = vredig
paesman =A heddeman
paesman (pasman, heddeman) = heideman = heidewerker, heidebewoner
NB de naam Pasman komt erg veel voor als wegnaam in buitengebieden van NO Nederland. De betekenis is vooralsnog niet bekend. In Engeland komt de familienaam Paxman voor. Ook in NO Nederland kwam die naam voor. Paxman lijkt een variant van pasman. Verder is er de variant Paasman.
paesman =A paesmakere
paesmakere (paesman) = vredestichter, bemiddelaar
paesop = heideheuvel
paeste = heideveld
paesternaec = pasternaak (# eetbare wortel)
paet (strunt) = mest, gier, aalt; AS patte; AS/LM paet
paetstede (struntstede) = mestvaalt
pallyamalle = paljebaan; ON paljemalje
pallyan = soort balspel; ON paljen
palmestry = palmistrie = handleeskunde
pancoce = pannekoek; ON pancoke; AS pankooke
pancocery = pannekoekrestaurant; AS pannekoeerie
panhus = bierbrouwerij; AS panhuus
panne = zn pan, bakpan; ON panne
panne = zn pan = groot gat of kuil in de grond
panofen = panoven = steenbakkerij die dakpannen maakt
pansig = pensee (# viooltje, kruid)
papa = vader
papa (paws) = paus
papoeg =A popaeg
pappe (porrige) = pap; AS pappe
papyr = papier; ON papir
parlour = vergaderzaal, spreekkamer; ON parloer
parrock (paerroc) = park
part = deel; AS/VWoud part
pas (paes) = heide, heideveld
pas = pas, smalle doorgang; ON pas, passe
NB Wilgenpas in buitengebied Azewijn (Montferland) is een nauw weggetje met aan weerskanten oude wilgen. (#2010)
Pasce (Eostre) = Pasen
pasce (paesce, peasce) = klein heideveld
De veldnaam Paske komt voor in NO Nederland. O.a. als Peeske bij Beek in Montferland.
pasce = zeer smalle doorgang
pascoe = paaskoe > PgAng/Pascoe
pasman (paesman, heddeman) = heideman = heidewerker, heidebewoner
NB de naam Pasman komt erg veel voor als wegnaam in buitengebieden van NO Nederland. De betekenis is vooralsnog niet bekend. In Engeland komt de familienaam Paxman voor. Ook in NO Nederland kwam die naam voor. Paxman lijkt een variant van pasman. Verder is er de variant Paasman.
pastore = pastoor
pasture (pe) = weiland; ON pasture
pather = pater, priester
pawa (pea) = pauw
paws (papa) = paus
paxman >A pasman
payl (peal) = zandhoogte in moerasgebied > PgAng/Paylen
pe (pasture) = weiland
pea = pad, wegje; AS peake = paadje
pea (pawa) = pauw
peadlan = ww peddelen, roeien
peadle = peddel, roeispaan
peal (pedel) = peel = nat veengebied; ON pel
peal (payl) = peel = zandhoogte in moerasgebied; AS payl > PgAng/Paylen
peand = pand; ASoud pend, pand
peandan = panden = beslag leggen op een pand; ASoud penden
peanding = panding, beslaglegging op pand; ASoud pending
peandscap = bepand, met pand belast; ASoud pantschap
peandwering = verzet tegen panding
peappel (poppe, poppele) = peppel, populier (# boom); ON pappel
peard (horse, ros) = paard; ON pert, paerd; AS peerd
peardcopere = paardekoper; ON paerdecooper
peardcopery = paardekoperij, paardehandel
pearroc = perk (# tuin); ON pearc; NB >A paerroc
pears = bn paars
peas >A paes
peasce >A paesce
pec (pic) = pek; ON pec, pic
pece = pek; ON pece, peke; AS pekkel
peccan = ww pakken
pecce = zn pak, pakje; AS pekke
peccreat (ysop) = pekkeriet = hysop (# riet); AS pekkereet
NB Pekkenrietweg in Exel/Lochem.
pecsticc = toorts, fakkel; ON pekestok
pede = sponsige (turf)laag aan de oppervlakte van een veengebied; AS pedde > pet
pedel =A peal
peg (pog) = houten pen in gebinte; AS pog, peg
pegel = peil
pellican = pelikaan; ON pellecaen
pene = bn klein, gering
pene = zn straf, boete; ON pene, paine
penne = pen, veer, schrijfpen; ON penne
penning = penning; ON penninghe, penninck; ME penny
pension = opbrengst, rente
pensionan = ww opbrengen, renderen
Penter = Pinksteren
pentercrod = pinksterkruid (# plant)
Peothas = Picten
perbeam (pertreo) = pereboom; ON perboom
pere = peer; ON pere
pere = pier, strekdam
pertreo (perbeam) = pereboom
perscrod = perzikkruid (# akkerkruid)
perse = perzik; ON perse
persin = peterselie; ON persin
persistan = standhouden, vasthouden
peristearan = persisteren
perssan = ww persen, drukken, dringen
persse = zn pers, drukpers, druk, drang, angst; ON persse
pertrich = patrijs (# gevogelte)
pes =A paes
pesman =A heddeman
peste = pest (# ziekte)
pesthus = ziekenhuis voor pestlijders
pet (pete, pith, tarf) = turf, turfveld, laagveen; AS peet; HZ pet; ME peat; > pede
NB Norger Petgaten in Groningen. Petgaten zijn langgerekte veenputten ontstaan door turfafgraving in natte veengebieden. Ze werden verwaarloosd, waardoor de natuur vrij spel kreeg en de gaten dichtgroeiden met waterplanten.
petbogga = drassig turfveld
pete =A pet
petgeat (fenpyt) = petgat, veenput
petwerc = turfbedrijf, turfstekerij
pewit (cifwit, ciwit, hleapwince) = kievit
pibgorn = hoornschalmei (# blaasinstrument); ON pibgorn
pic = pik, piek, top, snoek; ON pic, pijc
pic (pec, pece) = pek; ON pic, pec
piccaex (hacce) = pikbijl, pikhaak, houweel (# wapen)
piccan (pician, piccian, piken, pikken) = ww pikken, pekken, pakken, bikken, hakken, stelen
piccere = 1: bikker; 2: maaier; 3: stroper, dief
piccforc (geaffel) = pikvork, hooivork = lange stok met twee punten
picchoc (ungol) = pikhaak
korte: korte stok met haak; o.a. gebruikt door vissers en maaiers
lange: lange stok met haak; soort enterhaak
piccian =A piccan
piccstric = wetsteen om zeis te scherpen; AS pikstrik
pice (pic) = piek, steekwapen; ON pike
pician =A piccan
pidha (pitha) = pit, merg van bomen
pigbenc (poggbenc) = piggebank = houten bank waarop varkens worden geslacht
pigge {mv pigges} (pogge) = big, varken; AS pog > PgAng/Poggen
NB Poggeheide en Poggebelt in Nieuw Heeten (Twente).
pigge (bigge, pogge) = bn groot
pigges = varkens
piggsceadd = varkenshok
piken =A piccan
pikken = pikken
pilow = pilo = half linnen half katoenen stof; ON peluw; AS pilow
pilows = pilobroek; AS pilowske
pilowtaw = pilogetouw = weefstoel om pilo te maken; AS pilowgetouw
pinc = pink (vinger)
pinc = pink = 1-jarige koe; ON pincke
pinca = punt
pinck = smalle zeilboot; ON pincke
pine = zn+bn pijn; ON pine; AS pien; AS/Gro pain; ES [peen]
pinlic = pijnlijk; ON pinelic; AS pienlik
pinson = wimpel, vaantje; ON pinsoen
pinsor = pincet (# gereedschap); bestaat al 650vC > PgAng/LACA
pint (pyntel) = pint (inhoudsmaat) = 6dL; ON pinte > PgAng/Pint
pint = beker, glas, kan of pot van 6dL
pipan = ww pijpen, fluitspelen, doedelzakspelen, trompetten; AS piepen
pipe = pijp, buis, koker; ON+AS pipe, piep
pipe = pijp = vat voor wijn of olie; geen vaste maat; ASoud pipe
pipede = pip, vogelziekte; ON pipeide
piper = peper; ON piper
pipere = fluitspeler, doedelzakspeler, trompetter
pir = pier, worm; ON pir
pirral = vuurvliegje; ON piralle
pirstecere = pierensteker = iemand die pieren (wormen) opgraaft met een stok waarna ze worden gebruikt om te vissen
pisan = erwten
Erwten worden al geteeld en gegeten sinds circa 1000vC. Sommigen menen al sinds 7000vC.
pisansoppe = erwtensoep > PgAng/Gerechten
pise = erwt (# gewas)
pissan = ww pissen, urineren
pisse = pis, urine; ON pisse
pith =A pet
pitha =A pidha
placaet = placaat = 1. munt van 1/2 stuiver; 2. bericht van de overheid
placke =A placaet = munt van 1/2 stuiver; ASoud placke
plaegan = ww plagen
plaege = zn plaag, onheil, ramp; ON plaghe
plaesc = plas
plaet (pleat) = bn plat
plaet (pleat) = zn plaat
plafan = plaveien; ON plaven
plagian =A plegan
plain = plein; ON plain
planta (plante) = plant
plantan = ww planten
plantan = zn planten
plante (planta) = plant
plaster = pleister = leemkalk
plasteran = pleisteren, stucaderen
plastere = stucadoor
plasterwerc = pleisterwerk, stucwerk
plat = bn plat, vlak
plat = zn plat, volkstaal; AS plat
platane = plataan (# boom); ON plataene
plate = plaat, vlakte, pan
pleac = plek; AS plak
pleag (sudda) = plag = afgestoken zode gras of heide; AS plach
pleagan = plegen, gewoon zijn
pleagast = gort, gepelde gerst; AS plegast
pleagbour = turfboer; AS plaggeboer
pleaghac = plaggehak = hak om turf te steken; AS plaggehakke
pleaghut = plaggehut = hut gebouwd van plaggen
pleagman = plaggesteker; ON plaggeman
pleagmawere = plaggemaaier; AS plaggemeier
pleagsta = plaggeveld; AS pleegste
NB De Pleegste en Pleegsterdijk bij Raalte aan de weg naar Holten.
pleagta = plaggeveld; AS pleegte
pleagth = gewoonte, in rechte
pleanc = plank; ON plancke
plear = slag, klap
plearan = ww slaan, smijten
pleat (plaet) = bn plat
pleat (plaet) = zn plaat
pleats = plaats; AS plaesse; AS/LM pleats
pleatsce = kleine boerderdij; AS plaetske
pleatt = voorhoofd; AS plette
pleattan = ww pletten, plat maken
pleay = pleit, pleidooi; ON pley; ME plea
pleay = plaats waar gepleit en recht gesproken wordt; ON pley
NB1 Pley: Pley in 's-Gravenvoeren (België): plaats waar eertijds recht gesproken werd. (# appelwijn.be 21.10.2010)
NB2 Pley: uiterwaarde aan de IJssel/Rijn bij Westervoort in De Liemers. Mogelijk werd daar ooit ook gepleit en recht gesproken.
pleayan = pleiten; ON pleyen; ME to plea
pleayhus = pleithuis, huis waar gepleit en recht gesproken wordt; ON pleyhus
NB Pleyhuse: oude familienaam in Twente.
pledclun (baggerturf; AS pleddekluun), pleddan = ww pletten; AS pledden
plegan (plegian, plagian, pleyan) = plegen, spelen, achteren; ME play
plegian =A plegan
pleolic = gevaarlijk
pleor = pleuris, ellende, gevaar
plega (pley) = zn daad, spel, toneel
plegan (pleyan) = ww plegen, spelen, acteren
pley (plega) = zn daad, spel, toneel
pleyan (plegan) = ww plegen, spelen, acteren
pleyhus = theater; ON pleyhus; OE playhouse
pliht [plait] = plicht
pliht = zn plecht, voorsteven van schip
pliht = zn pleit, pleidooi, rechtszaak; ON plait
plihtan = ww pleiten; ON plaiten
plihtere = onderstuurman
ploccian =A pluccian
ploh (eardh) = ploeg; ON plough; AS ploog; ASoud plach; ME plough
ASoud under de plach = bebouwd land
plohan (eardhan) = ploegen; ON ploughen; AS plogen
plohmakere = ploegenmaker; ON ploegmakere
plohmakery = ploegenmakerij
plohwinninge = landbouwbedrijf; ON ploechwinninghe
pluccar = zn plukker
pluccian (ploccian) = plukken; ON plucken, plocken; AS plokken
pluccere = plukker (# ambacht); NB hoypluccere
plufere = pluvier (# vogel); ON pluviere, plovier
pluman = plukken, plunderen
plume = veer, schrijfpen
plume (prume) = pruim (# vrucht); AS pruum, proem
plumere = verenplukker; ON+AS plumer
plump = plomp = poel, vijver, gracht; AS plump
plumpan = ww plompen = in water duwen of vallen; AS plumpen
plundaran = ww plunderen
plunsan = plonzen, in water vallen; AS plunsen
plunse = zn plons; AS pluns
plurc = plurk = boef, schurk, onbehouwen vent; AS plork
pocc = pok, puist
podder = poeder, vuilnis, buskruit
podderig = vies, smerig; AS podderig
poddersticc = geweer
podding = pudding
podel (puddel) = poel met smerig water, moddergat
pog (peg) = houten pen in gebinte; AS pog, peg
poggan = groot doen, opscheppen
pogbenc = pogbank = houten bank waarop varkens worden geslacht
pogbylt = varkensbult, varkensweide; AS poggebult
pogfeld = varkensveld
pogge (pigge) = varken, wild zwijn; AS pog; ES pog
pogge (pigge, bigge) = bn groot
poghe = buidel, zak
pokan = ww poken, steken, prikken
poke = zn pook, dolk
pol (pyll, pull) = poel, rivier; AS pol
poldre (polre) = polder
poley = polei (# mint, kruid)
polfar (podder) = poeder, kruit; AS pulver
polre (poldre) = polder
polredic = polderdijk; AS polderdiek
polrehus = polderhuid
polreland = polderland
polrewaeter = polderwater
pols = ?; NB Pols (famnaam), Polsvoort (Lochem), Polsbeek (Twente/Berkelland), Poelsbroek (DeBilt/Utrecht)
ponc = vuistslag, dreun
poncan = ww stevig slaan met vuist
pong (pongel) = zak, buidel, tas, bos aren; AS pungel
NB Pongeweg Hall/ZO Veluwe.
pongart = pongert, pikhaak
pongel =A pong
pongere = ponger, pikanier (# soldaat)
popaeg (papoeg, macopin) = papaver; ME poppy
poppe =A poppel
poppel (poppe, peappel) = peppel, populier; ON poppe, poppele
porcespin = stekelvarken; ON porkespijn
porr = zn por, duw, trek
porran = ww porren, duwen, trekken, opkloppen
porride = prei; ON porreide
porrige (pappe) = pap (# voedsel)
porsa = gagelstruik; ASoud porsse
portu = haven
porwaegn = wagenduwer; ON porrewaghen
pos = gagel, paal; AS pos
NB Veldnaam in Harreveld/Achterhoek: Jamszienen pos.
posa (pusa) = buidel
posse =A pos = gagel
possidan = bezitten; ASoud possiden
post = grenspaal
posta (imposta) = belasting; ASoud poste
postel = apostel; ON postel
pot = zn poot (# planten)
potan = ww poten, planten
pote = poot (# lichaam); ON pote
potere = boomkweker
potery = boomkwekerij; AS/VW poterie
potgeard = pootgaarde = veld voor pootgoed; ON poetaert
potgut = pootgoed (# planten)
pothave = perceel land met jonge aanplant; ASoud pothof
potian (putian, pytan) = ww poten, plaatsen, leggen, zetten, stellen
pots = poets, klucht, grap; ON pots
potsemakere = potsenmaker = soort rondreizend grappenmaker
potsere = grappenmaker, grapjas
potsig = grappig
pott = pot, vat, kan; AS/VWoud poth
pottere (pottmakere) = pottebakker
pottery (pottmakery) = pottebakkerij; ON potterie
pottetan = eenpansgerecht; ON poteten
potthoc = pothaak = haak waaraan pot of ketel wordt gehangen boven vuur
pottmakere (pottere) = pottenmaker; ON potmacere
pottmakery (pottery) = pottenmakery; ON potterie
pottman = pottenmaker
poup = poep
poupan (dreatan, drytan) = ww poepen
poupdecc = poepdek (# schepen)
pour = zn scheut, guts, hoos
pouran = ww poeren (van vissen), stropen (van wild)
pouran = ww roeren, schenken
povre = pover, arm, armoedig
praet = weide, weiland, grasland; ON praet, preet
praetan (pratan) = praten; AS proaten; SW praoten
praete (prate) = praatje, gesprek, taal; AS proate
praetendiran = pretenderen, beweren; ASoud praetendieren
praetere = controleur, veldwachter, boswachter, opzichter
praetery = controledienst, boswachterij, etc
praethus = praathuis, kroeg, café; AS proathoes
praett = list
prat (prut) = prat, trots
pratan =A praetan
prate =A praete
prathus =A praethus
prawlan = ww pruilen, mopperen
prawle = pruilerig, mopperig, kribbig, korzelig; AS prawwel
preian = bidden, vragen, smeken, aanroepen; ON praaien
preofest =A preost; ASoud provest
preofesty = proosdij; ASoud provestie, pravestie
preon = priem
preost = proost (kerkambt), priester
prestere = priester; mv = presteran; > PgAng/T1385
prica = punt
pricel = scherpe punt; VA NL prikken
prisan = prijzen, waarderen, loven; AS priezen
prise = prijs; ON prise; AS pries
prisig = prijzig, duur; AS priezig
prod = zn prut
prod = bn slecht
prodan = ww prikken, porren, poken, steken; ASoud proden
prode (proke) = pin, pen, staak, stok, pook; ASoud prood
NB Deldenerbroek: Proodsweg =* weg met staken of stokken
prodig = verkwistend
prodigan = verkwisten, bluffen, pralen
prodinge = verkwisting, bluf, praal
prokan =A prodan
proke =A prode
prollan = rondzwerven, rondhangen, spioneren, inbreken, stelen
prollere = insluiper, inbreker, dief
prond = buit
prondan = buit maken; ON pronden
prow = prauw (# boot)
proy = prooi; ON proye
proyan = ww jagen
prume (plume) = pruim (# vrucht); AS pruum, proem
prut =A prat
pudd = sloot, greppel
puddel (podel) = poel met smerig water, moddergat
pudding = pudding, ingewanden, worst
puer = puur; ASoud puyr
puerlic = puur; ASoud puyrlyck
puf = zn puf
puffan = ww puffen
pukan =A pokan
pull =A pyll
pullian = ww trekken
pump = pomp; AS pump
pumpan ww pompen; AS pumpen
purs = zn beurs, portemonee
pursere = administrateur op schip
pusa =A posa
puse = poes; ES [pus]
put (pytt) = put
pute = puit, opgezwollen dier
putian =A potian
pyle =A pylu
pyll (pol, pull) = poel, vijver, rivier
NB Blackpool is afgeleid van Anglisch pull = pyll = pol, wat aldaar een rivier is in een moerasgebied. Deze situatie doet zich ook voor in de locatie Bleckenpoel aan de Slinge te Winterswijk. > PgAng (Bleckenpoel)
pylu = peluw, kussen
pyntel (pint) =A pint (inhoudsmaat)
pyntel = penis; AS pinzel
pyrcrod = knopenkruid; AS pierekroed
pytemaent = september
pytan =A potian
pytt (put) = put; ME pit
 
q::
quaed = slecht, ondeugdelijke; ASoud quaet
quaerne = handmolen; ON quaerne
quala = kwartel (# vogel)
quart = kwart = 1/4 deel; ASoud quart
quartear = kwartier; ASoud quartier
questy = kwestie; ASoud questie
questyous = kwestieus, onzeker; ASoud questieus
quyt = vrij, onbelemmerd; ASoud quydt
quytan = vrijstellen; ASoud quyten
 
r::
ra = ree
rabblan = rebbelen, wartaal spreken
raca = raak, reek (# hooivork); AS riek; ME rake
racca = rak = touw voor scheepsmast
racca = rakker, speurhond
race = vuurkuil; AS rake
racente = keten, boei
racian = raken, komen tot, besturen, reiken
racu = hark
rad = aanval, plundering; ME raid
rad (rodda) = weg, straat, buurt; AS/AH rot; AS/Holten rodde; ME road
rade (re, hrydhing, roda) = rode = gerooide plek, ontgonnen land
radeland (rodaland) = gerooid land, ontgonnen land, ontginning
radian = aanvallen, plunderen
rae = ra, stok, mast
raecan = ww reiken; ME reach
raecean =A raecan
raed = zn rad, wiel
raed (hraeda) = zn raad, stadsraad, raadgever, adviseur, overleg, vergadering; ON raet
raedan {raed, reord, reord} = ww raden, vergaderen, besluiten, lezen, voorspellen
raede =A geraede
raedel = raadsel; ME riddle
raedhus = raadhuis, stadhuis
raedmakere = radmaker (raed = rad, wiel)
raedmakery = radmakerij
raedsels = raadsels
raedstaec = radstaak (martelwerktuig); ON radstake
raeflan = ww rafelen
raefle = zn rafel
raeflig = rafelig
raefsan = berispen
raefter (bartel, tengel) = houtschroot, brandhout
raefter = raster = gevlochten hekwerk
raegan = reiken, uitsteken
raemakere = ramaker, mastenmaker
raemakery = ramakerij, mastenmakerij
raeme (mv raeman) = raam; ON raem, rame
raep (naep, ryfe) = zn raap, knol, (# gewas)
raep = raap (# koolzaad); ME rape
raepcouc = raapkoek = afvalproduct van oliemolen. Bevat veel vitamines en mineralen. Wordt o.a. gebruikt als veevoer
raepoly = raapolie = olie gemaakt uit raapzaad
raepsaed = raapzaad; AS/VWoud raepsaet
raepstic = raapveld, knollenveld
raer = bn raar, vreemd, zeldzaam, achter
raer = zn achterkant, achterhoede
raeran = ww bouwen, oprichten, heffen
raeran = ww kweken, fokken, maken, produceren
raest = zn rust
raestan (hyrstan) = ww rusten
raestig = rustig
raet = zn rat (# knaagdier)
rag = zn rag, spinneweb
ragan = reinigen, schoonmaken
ragbal = zn ragebol
ragu = rag, mos (# plant)
raye = raai = soort voedergras; AS/LM raey
rayll = raille = crassula (Lat.) = medicinaal kruid; ON raille
raizin (mv raizins) = rozijn; ASoud resine
rall = ral (moerasvogel); ON ralle
ram = ram
ran =A* regn, ren = regen > PgAng (Ranstrup)
ranan = rennen, lopen, rijden; ME run
ranc = hoogmoedig, ijdel
rand = rand, schild
ranhors = renpaard
rap (reap) = zn reep, touw; ME rope
rap = bv rap, vlug, snel
rapan = ww rapen
rape (raepsaed) = raapzaad (# koolzaad)
raphad = rapheid, vlugheid, snelheid; AS rappigheed
rapig =A rap
rapigniss = rapheid, vlugheid, snelheid
rascal = raaskal, schreeuwert
rascallan = raaskallen, schreeuwen, tieren, schelden
raspal = rapaille, troep, bende, schurk; ON raspalge
raw = zn rij
re =A rade, roda; zt -re
reac = perzikblad (# onkruid); AS reek
reac = reuk, geur
reac (hreac, rec) = rook
reacan = ww ruiken, geuren; AS rieken
read (red, rudd) = bn rood; EZ rot
read (red, rudd) = zn rood zand
read leap = rode loop (dysenterie)
reaf = officier
reaf = zandvlakte; AS reve
reaf = inkomen; AS rieve
reafar (gerefa) = rever, ordebewaker, rechter
Reafhus = Reefhuis = het huis bij de zandvlakte
NB1 Reefhuisweg in Egede (Hellendoorn) en in Neede.
NB2 De Stille Reef (huis), Reefweg en erven Grote en Kleine Reeven in buitengebied Azewijn (Montferland). Mogelijk verband met gehucht Rafelder aldaar. > PgAng Azewijn
reafian = roven
reafiar = rover
reaghar = reiger (# vogel); ON regher
real = royaal, prachtig, weelderig, mild, edel
realme = overvloed, paradijs, rijk, koninkrijk
ream = room, volle melk
ream = smalle strook bewerkt of geploegd land; AS/VW riem
ream (reoma) = riem, gordel
reammakere = riemenmaker, riemensnijder; ON riemeslaghere
reammakery = riemenmakerij
reap (rap) = touw; AS riep
reapan = vastbinden
reappel = paal in stal om koeien vast te binden; AS reppel
reappel = repel = plank met 15-25 ijzeren tanden om zaden van vlas te trekken; AS reppel
reappelan = repelen = zaad van vlas scheiden met een repel
rease = veldtocht; ON reese
reat (hreod) = riet, rietveld; AS reet
reatbour (reatman) = rietboer = boer die riet oogst en verkoopt
reatcoman =A reatcopere
reatcopere = rietkoopman = handelaar die riet opkoopt en verkoopt
reatcopery = riethandel
reatdic = rietdijk
reatland (reatte) = rietland
reatman =A reatbour
reatta = rietland; AS reete
reatthaecere = rietdekker
reatthaecery = rietdekkerij; AS rietdekkerie
reava =A refa
reavan >A refan
reaw (hreaw) = bn rauw, ruw; AS row
rec (hreac, reac, smoca) = rook
rec (hreac, reac, rieth) = rek
reccean = ww rekken, strekken, geven, verhalen
recenian =A rekanan
recfeld = rookveld = veld waar vis, vlees e.d. wordt gerookt
recgeat = rookgat, schoorsteen
red = zn aantal
red =A read
redga = gerecht (# rechtspraak)
redgar (reafar, rihter, deman) = rechter; AS/Gro redger
redmayne = rode band, bond, broederschap, verbond > PgAng/X-Kruis
redmayne = symbool: rood X-kruis op wit veld > PgAng/Redmayne
refa = vrede
refa = rijf, hark; ON rive
refa = reef, reve = vlak land, veld
refa = reef, reve = smalle strook land, streep, snede, groef
refa = bn mild, ruim, royaal, overvloedig; ON rive
refan = ww reven = effenen, glad maken, tot orde brengen, tot rust brengen
refan = ww reven = kletsen, zwetsen, raaskallen
refan = ww harken, glad maken (vegen, strijken) met een refa (rijf); AS/Gro rieven
refan = tot vrede brengen, rechtspreken
refar = veger, strijker, gladmaker met de rive (rijf); AS/Gro riever
refar = vredestichter, rechter
refe = reve, groef, vore, snede, streep
regan (regn, ren) = regen; ON reen; AS reagn, reen, regn
regn =A regan
regnian = regenen
regolan = regelen
regolad = geregeld
reith (hreac, rec) = rek
rekanan (recenian, ariman) = rekenen, berekenen
rekanscap = rekenschap; ASoud rekenschap
up rekanscap = ter nadere afrekening; ASoud up rekenschap
reke = reek, riek, hooivork, mestvork, hark; ON rieke; AS riek
rekian = ww reken, harken
rekning = rekening; ON rekeninghe; AS rekning
remittan = teruggeven; ASoud remitteren
ren =A regn; AS rein
renboge = regenboog; ON reghenboge
renbrec = erfbreuk = ongeoorloofde erfbetreding; ON reinbrec
rendan = ww scheuren, rukken
rendreap = regendrup, regendruppel
rent = huur
rentan = huren
reocan = roken, ruiken; AS roeken
reof = ruif
reoma (ream) = riem, gordel, band, rand; ME rim
reord >A raedan
reowe = deken, kleed
requiran = verzoeken; ASoud requireren
rese (ryse, hris) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; AS rese, reise
residan = wonen; ASoud resideren
resortan = resorteren; ASoud resorteren
respondan = responderen, antwoorden; ASoud respondiren
resuma = samenvatting; ASoud resumptie
resuman = resumeren, samenvatten; ASoud resumiren
rey = zn rei, reidans, danslied; ON rei
rey = strijdgewoel; ON rei
ribb = rib; ON ribbe
ric =A rice
-ric = machtig, krachtig
ricdom = rijkdom; AS riekdom
rice = bn rijk; AS riek; SW riek
rice {mv rices} (rike) = zn rijk, land, gebied, macht
feng to rike = kwam aan de macht
rick =A rice
ricman = rijkaard, aanzienlijk persoon; ON riceman
ricsodon = regeren
ridan (rydan) = rijden, paard rijden; AS rieden
ridh = rijt, stroom, beek; ON ride = beek, greppel; AS/VWoud ridt
ridhere = ridder; ON riddere
ridhergamen = ridderspelen
ridhergudh = riddergoed
ridherhus = kasteel; ON ridderhus
ridherscap = ridderschap; ON ridderscap
rifel (rifod) = rimpel
rifelede (gerifod) = gerimpeld
rifod (rifel) = rimpel
rig (rugg) = rug; ON rig
rigban = ruggegraad; ON rigbeen
righer = reiger (# vogel); ON regher; AS rigger, rieger
riht [rait] = zn recht; bw goed, ok; ON reht; ME right
riht [rait] = bn rechts
-rihte = -waards; VB eastrihte = oostwaards
rihter = voorzitter van een vergadering; AS rigter)
rihter (redgar) = richter, rechter; AS rigter, ASoud richter
rihting = richting
rike =A rice
rilla = smalle stroom, beek; NL waterloop, geul, rug; AS rille; ME rill
rim = aantal
rima = riem, rand, velg
rind = schors, schorsstrook
ring (hring) = ring
ringan (hring) = rinkelen; ON ringen; ME to ring
ringbeard (hringbeard) = ringbaard
rinnan = ww rennen; ON rinnen
ripan = rijpen, maaien, oogsten; AS riepen; ME reap
ripe = rijp; ON ripe; AS riep
ripp = zn rip, rib, reep, strook, strip; ON repe
rippan = ww rippen = in rippen scheuren, splijten, afscheuren
rippel = rimpel; ASoud rippel
rippelda = door wind gerimpelde grond; ASoud rippele
ripper = iemand die iets ript
risan = ww rijzen
risan = ww ruizen
risc = riet, bies; ON risch
rise (rus) = ruis, geruis; ON rus, rise
Risnen = Rijssen in Twente > PgAng/Rijssen
risthi = ww ritsen, rissen, kerfen, rijten; > writan
road = rede, ree = ligplaats voor schepen
roastar (rystar, hana) = haan; AS reuster; ME rooster
rob = maag; ON rob
roc (roce) = rots, hooimijt (# veeteelt); ON rok, roke
rocc = rok, bovenkleed (# kleding); ON roc, rock; AS rokke
rocc = rots, rotsblok, steenklomp; ON roche
rocc = toren, kasteel; ON roc, roch
roccian = ww rukken, schudden
roce =A roc (hooimijt; ON roke)
rocge = rogge (# gewas); ON roghe
rocgfeld = roggeveld
rod = kruis
roda (rade, re, rothe, ryde) = rode = ontgonnen land
rodaland (radeland) = rodeland = ontgonnen land, ontginning
rodd (sticc, stocc) = roede, dunne stok, twijg, paal, stang
rodda (rotta) = straat, weg, buurt; ON rot, rote; AS rodde
NB Steenroddeweg in Holten
rode =A rade
rodolfusgyldan = redolfusgulden = 13 stuiver; ASoud redolphusgulden
rof = bn sterk, edel
roffe (hrof) = zn roef, dak; ES roff
roffle = spade, schop; ON roffel
rolan (trendan) = ww rollen
role = rol, wiel, katrol; ON rol, rolle
rolla = soort kraai
rolpal = rollepaal = paal in bocht van vaarwater om boten midden op het water te houden en door de bocht te trekken
Roma = Rome
Romayn = Romein; ON Romeyn; AS Romien
NB Romienendiek in Aalten.
romblan = ww rommelen, lawaai of herrie maken; ON rombelen
romble = zn rommel, lawaai, herrie; ON rombel
romblecrod = rommelkruid (# kruid) = pigment; AS rommelkroed
NB Werd gebruikt in balkenbrij en als pigment.
romblig = bn rommelig, lawaaierig
romentic = romantiek; AS romentiek
rond = bn rond
rondhoran = navragen, informeren; AS rondhoren
ropan (hropan) = roepen, schreeuwen
rope = roep, schreeuw
roran = ww roeren
rose = zn roos (# bloem); ON rose; AS rose
rose = bn roze (ON rose)
rosig = bn rosig
rostar = rooster
rostir = roosteren
rothe =A roda
rotian = rotten
rotta (rodda) = straat, weg, buurt; ON rot, rote; ASoud rot, rotte
rottha = gracht
rouf [rof] (ruh) = bn ruw, ruig, grof, lomp; AS raw, rouw
rouf = zn korst (van wond); AS roef, rof
roufal = wasbord; AS roefel
roufalan = hard wrijven, strijken; AS roefelen
roufland = ruig begroeid land
rout = rot, afdeling, rij, groep, troep, leger; ON roet
rout = ruit; AS roet
routbroc = geruite broek, bakkersbroek
routman = soldaat, militair; ASoud rotman
rowa = rouw, rust; ON ruowa
rowan = roeien; ON ruowen
rowbot = roeiboot
rowian = ww rouwen; ON rouwen, rauwen
rowland = rogge-akker; AS rowland
royan = rooien, schrappen
rubarbar = rabarber (# groente); ON roubarbar
rubarbarwin = rabarberwijn
rubin = robijn; ON rubin
rucan = ruiken
rudd =A read
rudder (ruther) = roer (# schip); ON roeder
rudig = roodig, roodachtig; ME ruddy
rufa (ryfe) = raap; ASoud roeve
ruge =A ruh; AS ruge
rugg = zn rug, rugvel, kleed, mat, vloerkleed, bezit, geld; AS rugge
ruh (rouf) = ruw, ruig; ON ru; AS roew, raw; ME rough
rum (rym, tir) = zn roem, eer
rum = zn ruimte, kamer; ON+AS rume
rum = bn ruim; AS ruum, roem
rumbel =A rummel
rummel = bn waardeloos
rummel = zn rommel; AS rummel, rammel
rummelan = ww rommelen, slingeren
rummelbece = slingerbeek; AS rummelbeke
rummelwaeg = slingerweg; AS rummelweg
rump = romp, stuitbeen, achterste
run = geheim, geheime beraadslaging
runa = rune, runeteken
runsten = runensteen
rund = rund; ASoud rond (mv ronder)
rundcaemp = runderkamp, runderwei
rundmaerct = rundermarkt
rune = zn ruin = gesnede hengst; AS rune; AS/Gro/oud raun
runsan = ww ruziën
runsing = ruzie
runstofa = platte kachel
rupp = rups; AS roeppe
ruran = roeren
rus (rise) = ruis; AS ruse > rise
rusan = ww ruisen; AS rusen
russal (hrostar) = rooster in kachel
russalstocc = pook
russe (byse) = biezen; AS ruis; ASoud rus; AS/Harreveld Russenland (veldnaam) = biezenland
rust = roest; ON rost; AS rost
rutar = ruiter, knecht; ASoud ruter
rut (weod, fuyle) = onkruid; AS rute, roete
rute = bn ruw, grof, wild, sterk; ON rute; ME rude
ruther (rudder) = roer (# schip); ON roeder
rutig = wild, verward; AS rutig (wild, verward)
rutland = land waar veel onkruid groeit
ruw = zn ruzie, herrie
ruw = bn ruuw, grof
ruwan = ww ruzie maken, ruziën, herrie maken
rydan (ridan) = rijden
rydar = ruiter; ASoud ryder
rydargyldan = ruitergulden, munt met ruiter erop
ryde =A roda
rydhdha = reu
ryfe (rufa) = reve (gewas) = raap, biet, knol; AS reuve; ASoud roeve; >A reava
ryfencaemp = reuvenkamp = kamp (stuk land) met reuven (rapen)
NB1 Reuvenkamp/Gorssel, Reuvenkamp/Harreveld, Reverdijk/Gorssel/Eefde, Reverweg/Harfsen.
NB2 Reuven = dorp in Brabant; familienaam in Overijssel.
ryfesaed = reuvezaad
rygan = ww rijgen
ryge = rogge; AS row
rygebread = roggebrood
Rygemodra = Roggemoeder; ZA/PgAng
rygepappe = roggepap
rym =A rum
ryna = nat, natte grond > PgAng/Oxe
ryse (rese, hris) = rijs, rijshout, tak, struikgewas; AS rese, reise
rysel = reuzel, vet
ryssa = biezen (# gras in drasland); AH russen; TW rusken
ryssaland = land waar veel biezen groeien
rystar (roastar, hana) = haan; AS reuster
 
s::
-s =A -is
sa (swa) = zo, dus; ES sa; ME so
sa hwat? = zo wat?, wat dan nog?
sacan = twisten, aanklagen; NB NL zeiken = vervelend doen
sacc = zak
sacu (suk) = zaak, rechtszaak, strijd, vervolging, schuld; ON saec
sacweald = zaakwaarnemer, gevolmachtigde, gedaagde; ON saecwelde
sacwealdig = gevolmachtigd
sadol = zadel
In de Romeinse Tijd (12vC-450nC) kennen de Germanen het zadel nog niet. Pas in 350-450nC leren ze die kennen van de Hunnen.
sadolmakere = zadelmaker
sae = zee
saed = zn zaad; ASoud saeth, saet
saed = bn droefig, verdrietig
saefisc = zeevis
saefiscan = ww zeevissen
saedic = zeedijk
saedling = zaailing = jong plantje dat uitgezet wordt
saedniss = droefenis, droefheid
saele = stroom, rivier, waterloop
NB Bron KUOZ/p79: Saale = stroom; Oldenzaal = Olde Saale; Upsala/Zweden = aan de stroom; Brussel = Broeksele = moersasstroom.
saelge = salie (# kruid); ON saelge, sailge
saelig = zalig
saeman = zn zeeman
saeman = ww schijnen, lijken
saewiht [siewait] = zeedier
saena = langzaam, traag
saenan = talmen
saencal (saengal) = droefig, naar, triest, moedeloos, lusteloos; AS saenkel
saengal = buikriem van paard; AS sangel
NB Sangeldijk in Holten en HofVanTwente
saep = sap
saespic = zeespek = spek van dolfijn of zeehond; ASoud seespeck
saet (sahta, sate) = sathe, zate, woonstede, plek*, zitting, vrede; ASoud sate = woning; ME seat
saeterndaeg = zaterdag; genoemde naar planeet Saturnus; ON saturdag; ME saturday
saga (sagu) = zaag; ON saghe
sagan = ww zagen; AS saegen
sagere = zager, houtzager
sagmyl = zaagmolen; AS saegmul
sagmylen = zaagmolen
sagu (saga) = zaag
sahta (saet) = zate, havezate, verzoening
sahtlian = settelen, vestigen, verzoenen
saiseran = in beslag nemen; ON saiseren
salaet (slaet) = salade; ON salaet, slaett
sale = zaal, huis zonder kamers, woonstee; ON sele
salm = zalm (# vis); ON salm
salmere = zalmvisser
salo = bn bleek, grijs, vaal; ME sallow
sand (sond) = zand; ON sant
sandfurdere = zandvervoerder; ON santvoerder
sandgeat = zandgat = gat in zandgrond gevuld met water
sandhone = zandhoender = hoender die in zandgebieden leeft
sandig = zandig, zanderig
sandwaeg = zandweg
sang = zang, gezang, lied; ON sang
sangere = zanger, zinger; ON sanghere
sandford = zandige voorde; ON santforde
sapan = ww zepen, inzepen
sape = zeep
sar = bn zeer, pijnlijk
saran = zeer doen
sarg (sorg) = zorg
sargian = zorgen, bekommeren
sarig = zn verdriet, spijt; ME sorry
sarig = bn bekommerd, bedroeft
sarran = sarren, bezeren, kwetsen
sat = gezet; ASoud sat
ASoud my sat to pande = mij als pand gegeven; borge sat = borg gesteld
sate =A saet
satu = ww zaten (vt zitten), gezeten
satu (havesatu) = zn zate, havezate
sawan (sayan) = zaaien; ON sayen; AS zeien; ASoud seyen
sawland = zaailand; ASoud sayelandt, seyland
sawol = ziel; ON siel, siele; ME soal
say = bn saai
sayan (sawan) = zaaien; ON sayen; AS zeien; ASoud seyen
sayan (seyen, secgan) = zeggen; AS/seyen, zeien; EZ sayen > PgAng/Elzas
sayl = zeil; ON seil
saylan = ww zeilen; ON seilen
saylbot = zeilboot
saylere = zeiler
saymaent = zaaimaand, maart
sayniss = saaiheid
scacan = 1: schaken, roven; 2: schudden, snel bewegen; AS skaken
scacol = schakel, boei; AS skakel
scada = schade
scadan (scathan) = schaden
scadan = scheiden; AS skaden; > scid
scadd =A sceadd
scaddan =A sceaddan
scadde (tarf) = plag, turf; AS skadde
scadlic = bn schadelijk
scaef = zn schaaf; AS skaaf
scaefan = ww schaven; AS skaven
scael (scalu) = schaal (# consumptie); AS skaal; ASoud scael
scaelc = zn 1: schalk, schelm, schurk; 2: dienaar, knecht, bediende; ON scalc; AS skalk
scaelc = bn 1: onderhorig, onderworpen, onvrij; 2: streng, wreed, slecht, gemeen, boos, verkeerd; ON scalc
scaer (scara, sceara) = schaar; AS skaar; AS/VW schaer
scaers = schaars; AS skaars
scaeth = schede (van mes, dolk, zwaard, etc)
scafan = schaven; AS skaven
scafot = schavot; AS skavot
scallan =A scullan
scalu (scael) = schaal, schil, dop
scama = schaamte, schande; AS skaamte, skeamte
scaman (sceomian) = ww schamen; AS skamen, skeamen
scambors = schaambuidel = soort gulp
scamhaer = schaamhaar; AS skaamhoar
scammel = arm, behoeftig; ASoud schammel
scap (sceap) = schap, plank; AS skap
-scap = -schap
scar (sceard, scyr) = snede, inkeping, inham; AS schar, schaar = losplaats voor boten; NL schor, schoor
FRI Doesburg (Resto ZwarteSchaar, Yssel, 2010) > PgAng/Scharmer
NB Sceargeat (= Scharpoort*) aan de Severn > PgBrit (Ethelflaed van Wessex)
scara (scaer) = schaar; AS skaar
scare = schare, groep; AS skare
scarn = minachting
scarnan = ww minachten
scarp = scherp, precies; AS skerp; ASoud scharp
Scarpo = mansnaam
scat = zn schat, som geld, bezit, schatting, heffing; ON scat; AS skat
scatan (sceaddan) = ww opbergen, bewaren
scate (sceadd) = schuur, open schuur, bijgebouw voor opbergen van gereedschap, stro, etc of als werkplek voor bakken of koken; ASoud scate, schate; ME shed
scataran = ww schateren, hard lachen; AS skateren
scatha = crimineel, vijand
scatta = schatting, heffing, brandschatting
scattan = ww schatten, heffen, brandschatten; AS skatten
sccatha = schade; AS skade
sccathan (scadan) = schaden; AS skaden
sceabb = schurft
sceabbig = armzalig; ON schabbig; ME shabby
sceacul = schakel; AS skakel
sceadan = scheiden; AS skeiden
sceadd = schuur, open schuur, bijgebouw voor opbergen van gereedschap, stro, etc of als werkplek voor bakken of koken; ASoud scate, schate; ME shed
sceaddan = opbergen, bewaren
sceading = zn scheiding; AS skeiding
sceadu = schaduw; AS skaduw
sceaf = zn schijf, schoof (# koren), bos; AS skoof; ASoud scief
sceaf = bn scheef, raar, vreemd; AS skeef
sceafing = schoofrecht = recht op aantal schoven van oogst conform oppervlakte
sceaft = stang, schacht, speer; ON schaft
sceaft (lamone) = lamoen = T-balk tussen twee paarden in span van rijtuig
scealan {sceal, sceold, sceoldan} = ww zullen
scealdan = ww schelden; AS skelden
scealdword = scheldwoord
scealc = schalk, schurk, knecht; AS skalk
sceallan {sceal, scolt, scolt} (scallan) = ww zullen
sceap {mv sceapas} = schaap; ON scaep; AS skaap
sceap (scepp) = schep, vat; AS skep
sceap (scepp) = schap, plank; AS skap
sceapal = schepel = 1/4 mudde (Angl: mydda) = 0.133 Ha; AS sceppel
sceapas = zn schapen; AS skapen
sceapbealcge = schapenbult, schapenweide; ON scaepsbelc
sceapcepere = schapenhouder
sceapcepery = schapenhouderij
sceapcoman = schaaphandelaar; ON scaepcoman
sceapcot = schaapskooi; AS skapenkot
sceapdic = schapendijk = dijk waar schapen grazen
sceapdog = schapenhond
sceaper (hirde) = herder; AS skeper
sceapfelf = schapenvel, schapenvacht
scaepheord = schapenherder, schapenhoeder
scaephetting = schapenweide; ON scaephettinc
sceaphirde (sceaper) = schaapherder; AS skeper
sceapmaerct = schapenmarkt; AS skapenmarkt
sceapstrunt = schapenstront, schapenmest
sceapyre = van schapenvel
sceapscearan = schapenscheren; AS skapenskeren
sceapscearere = schapenscheerder; AS skapenskeerder
scear = bn schier, grijs
scear = bn net, netjes, strak; AS skier
sceara = schaar; ON schaere; AS skaar
scearan (sceran) = ww scheren, afsnijden, delen; AS skeren
sceard = schaarde (breuk, scherf), spleet; ON schar
sceare (scyr) = zn afgesneden stuk, deel; ON scere, scheere; AS skeur
scearf = scherf; AS skerf
scearfian = verscherven, scherven maken, in kleine stukken snijden
scearing = kleine paling
scearmylen = scherfmolen = molen die hard afval verscherft
scearm (scirm) = scherm; AS skerm
scearman (scirman) = ww schermen; AS skermen
scearmere = schermer, zwaardvechter, strijder
scearmisse (scermes) = schermutselingen
scearn = drek
scearp = bn scherp; AS skerp
scearpa = reistas, rugzak; ON scerpe, scarpe
scearpan = ww scherpen, aanscherpen; AS skerpen
scearpere = scherpmaker, slijper, kamscherper; ON scerpere
scearu = schare, menigte, deel; AS skare
sceat = schoot, schot, hoek, kleed
sceat = scheet, wind; AS skeet
sceatan = scheten laten, winden laten; AS sketen
sceatta = zn schat; AS skat
sceattan = ww schatten; AS skatten
sceawa = schouw, inspectie, controle; AS skouw
sceawian = schouwen, beschouwen; AS skouwen
sceawing = schouw, inspectie, controle; ON scouwinghe
scede = schede, wapenhoes; AS skede
scedere =A scere
scegg = scheg = wig
scegg = scheg = binthout, hardhout = houten kern van boomstam = boomstam zonder schors
scegg = wigvormig stuk van achtersteven van een boot
sceggert = veld met veel binthout; ON scheggert
sceld = schild; ON scelt, schelt, schilt
scelf = plank; ON scelve; ME shelf
scelfisc = schelvis; ASoud scelvis
scell (scelp) = schil, schaal, schelp, bast, huls, etc; AS skel
scelp (scell) = schelp, schaal, slakkenhuis, etc; ON scelpe; AS skelp
scelwyrtal = schelwortel (# stinkplant); ON scelwortel
scencan = schenken; AS skenken
sceo = hemel
sceofan =A skufan
sceolan = ww scholen, onderwijzen
sceolbagge = schooltas
sceolbord = schoolbord
sceolbred = houten kastje gebruikt als schooltas in lager onderwijs tot circa 1940; AS skoolbret
sceolcaete = schoolkeet = keet (gebouwtje) waar onderwijs wordt gegeven; AS skoolkate
sceoldan {AVA sceolan} = zouden (vt zullen)
sceolh = bn scheel, scheef; AS skeel, skeef
sceoling = scholing, onderwijs
sceolmaester = schoolmeester, schoolhoofd
sceolu = school, menigte; AS skool
sceomian (scaman) = schamen
sceon =A gesceon = gebeurtenis, geschiedenis
sceonan = geschieden, gebeuren
sceopa = winkel, pand; AS shoppe = schuur
sceopan = winkelen, shoppen
sceorf =A scurf
sceorfan = knagen
sceort (ceort) = bn kort; AS kot; SW kot
sceort (ceort) = zn haxel, afval
sceort = schort = zn kort voorkleed = AS skort
sceortan (ceortan) = ww korten, schorten, ontbreken
sceotan (scitan) = schieten; ON scieten; AS skieten
scepen = schepen, raadslid; ON scepen
scepenbenc = schepenbank = stadsraad
scepp (sceppe, sceap) = zn schep, schap, plank, vat; AS skep
sceppan = scheppen, creëeren
sceppe =A scepp
sceppere = schepper = bestuurder van een zijlvest (waterschap)
sceppery = schepperij = zijlvest; ASoud skepperie
sceran (scearan) = scheren, afsnijden, knippen; ON sceren; AS skeren
sceran =A scyran
scere = klip, zandheuvel; ON scheere
NB Grote Scheere (Holthone/Hardenberg) en Kleine Scheere (Coevorden). Beide locaties liggen tamelijk hoog en de grond lijkt voornamelijk te bestaan uit zand en leem. (FRI jul 2011)
scere (sceare, scir, scyr) = gewest, zone, deelgebied; ON scere, scheere
scere (scir) = schere = maat voor grazers en weilanden (NO Nederland); 1 koe = 1 schere; 1 vaars = 3/4 schere; 1 pink = 1/2 schere; een weiland van 20 scheren = een weiland waar hooguit 20 koeien mogen/kunnen grazen; ME share
scere (scor) = scheer, schoor = oever, oeverland
scere = schare, menigte, groep, troep; ON scare
scerra = dreiging, angst; ON skerre
scerran = dreigen, bang maken
scerscreac = vogelverschrikker
scettaran = ww schetteren, schril en hard praten, trompetteren; AS sketteren
sciddig = verlegen
scic = schik, plezier; AS skik
sciccan = schikken, sturen; ASoud schicken
scid = gekloofd stuk hout
scidan = scheiden; AS skieden
scide = scheide, scheiding; AS skide
scield (sceld) = schild; AS skild; ASoud schilt
scielfe = schelf, planken stellage; ME shelf
sciell = schel, scheel; AS skeel
sciene (scone) = schoon; AS skoon
scieran = scheren, snijden; AS skeren
sciftan = schiften, delen, regelen; AS skiften
scildran = schilderen; AS skildren
scildre = schilder; ON scildere; AS skilder
scillian = schillen, (af)scheiden; AS skillen
scilling = schelling, schilling; ON scilling, schelling; AS skilling; ME shilling
scimlig = schimmelig, witachtig
scimmel = schimmel (# fungi); AS skimmel
scimmel = schimmel = wit paard; AS skimmel
scimrian = glanzen; VA NL schemeren
scinan = schijnen, stralen (# licht); ON scinen; AS skienen
scine = zn schijn; ON scine; AS skien
VB sunnescine = zonneschijn
scinne = huid
scinu = scheen, scheenbeen; AS skeen; ME shin
scinubien = scheenbeen
scip {mv scipan} = zn schip, boot; ON skip; AS skip
-scip (-scap) = -schap
scipan {ev scip} = schepen, boten
scipbow = scheepsbouw
scipgaerd (scipwearf) = scheepswerf
sciphoc (angol) = scheepshaak = enter- en duwhaak
scipmakere = scheepmaker; ON scipmacer
scipmakery = scheepmakerij
scippere = schipper; ON scippere; AS skipper
scipwearf (scipgaerd) = scheepswerf
scipweol = scheepswiel = stuurwiel, stuur
scir = bn schier, helder, netjes, ordelijk; AS skier; ME sheer
scir = bw schier, amper, plotseling
scir (scyr, sceare, scere) = zn scheur, gewest, regio, zone; ON scheere; AS skiere
scir =A scyrt
sciran (scyran) = scheuren, begrenzen, delen; AS skeuren, skoeren
scirey = schiereiland; LT bijna-eiland
scirgerefa = scirgraaf = ordebewkaker in een scire; ME sheriff
scirm (scearm) = scherm; AS skerm
scirman (scearman) = ww schermen; AS skermen
scirmes = schermutseling; ME skirmish
scittaran = schitteren; AS skitteren
scitan (sceotan) = schieten; AS skieten
sco = schoen; ON scoe, schoe; AS skoe(n); MA scoe (mv scoes)
scocc = zn schok
scocc = hoop hooi (12-16 schoven); AS/oud schokke; ME shock
scoh =A sco
scolapel = schoenlepel
scold = grond, oorzaak, reden
scolder = schouder; AS skolder
scoll = ondiepe plas of kolk; AS/VWoud scholl
scolt (scout) = schout, bestuurder, gerechtsdienaar
scoltdom (scoutdom) = schoutambt
scoltin (scoutin) = vrouwelijke schout; ON scoutinne
scomakere = schoenmaker
scomakery = schoenmakerij
scone (sciene) = schoon, mooi, prachtig; AS skoon
scop = schop; AS skop
scop = minstreel, verhalenverteller
scoppa = schuur, winkel; AS schoppe; ME shop
scoppan = ww schoppen; AS skoppen
scoppan = winkelen
scor (sora) = zn schor, schoor = oever, kust; OE schore; ME shore
scoran = ww scoren, turfen = aantal bijhouden
scorsenere = schorsenier (# groente)
scorstin = schoorsteen
scoru = score, twintig
scorweal = schoorwal, kustwal, duinwal
scosel = schoeisel
scot (scut) = schot, schut, beschutting, schuilplaats
scot = schot, plank, bord, schutting; AS skot
scot = schuur, veeschuur
scot = scheut, loot, rank; AS skeut
scot = schot = koe die al 1x heeft gekalft
scot = schot (# zalm of forel)
scot = belasting
scot = hok; AS skot
scot = schot, lading, vracht; ASoud scot
Scotas = Schotten
scotport = valdeur; ON schotporte
scour = schuur; AS schoer
scout (scolt) = schout, bestuurder, gerechtsdienaar
scoutdom = schoutambt
scoutin = vrouwelijke schout; ON scoutinne
scraef = grot
scraeg = zn schraag, steunbalk; AS skraag
scraegan = ww schragen; AS skragen
scraema = zn schreeuw, gil
scraeman = ww schreeuwen, gillen
scraemaseaxe = scramasaxe = scherp zwaard met giftige snijkant
scrallettan = luid schreeuwen
screac = schrik, afschuw
screacan = ww schrikken; AS scrikken; AS/AH skrieken
NB Schriekseweg Wals/Achterhoek
screade = schrot, afval
screadere = schredder, verschrotter; ON screuder
screadian = scheuren, stuk snijden; ON scroden, scroten; ME shred
screaf = schreef; AS skreef; ASoud scraeff
screawa = feeks, spitsmuis
screawan (screwan) = ww schreeuwen, schelden
screawet = bn sluw, slim, gewiekst
screncan = beperken, hinderpaal opstellen, misleiden; ON screnken
screp = schraapsel, stukje
screpan = schrapen, schrappen, krabben; AS skrapen
screw = zn schreeuw; AS skreew
screwan (screawan) = ww schreeuwen; AS skrewen
scridhan = schrijden; AS skrieden
scrifan (writan) = schrijven; AS skrieven
scrifere = schrijver, notulist, notaris; ON scrivere; AS skriever
scrote = schroot, afval van hout of metaal; AS skroot
scrubba = zn schrob, harde borstel
scrubban = ww schrobben; AS skrobben
scrud = lijkwade
scrybb = heester (# plant); ME shrub
scufan = ww schuiven; AS skoeven
scuffel = schoffel; AS skuffel
Rond 235nC woedt een hevig veldslag tussen Angelen en Romeinen in Harzhorn bij Oldenrode, ten zuiden van de stad Hannover in Noord Duitsland. Tijdens recente opgravingen aldaar zijn o.a. gevonden schoffels van ijzer. De regio Oldenrode wordt rond 250vC bevolkt door Angelen uit Lunenburg. De vondst van de schoffel in Harzhorn bevestigt derhalve dat de Angelen rond 235nC zeker al ruime tijd landbouw bedrijven.
scuffelan = ww schoffelen, schuivelen; AS skuffelen
sculan = ww schuilen; ON schulen; AS skulen
sculdor = schouder; AS skolder
scullan (sceallan) = ww zullen
scult = schuld; ON scult; AS skuld; ASoud schuld (mv schulders)
scultan = ww schuldig zijn; zn schulden (mv van schuld)
scultmate = maat om graanbelasting te meten; ON scultmate
scuman {scumt, scumet, scumt} = ww schuimen
scume = zn skum, schuim, tuig
scun = bn schuin; AS skuun
scunc = skunk, stinkdier
scunnert = schurk, hufter
scunnig = schunnig, grof, bot; AS skunnig
scur =A scure
scure (scur, scyr) = bui, regenbui; ON schoer; AS skoer; ME shower
scure = schuur; ASoud schuer
scurf (sceorf, drope) = schurft; ON scuref; AS skurft
scurran = scheuren, hard rijden; AS skeuren
scurre = soort paardekar
scut (scot) = schut, schot, beschutting, schuilplaats
scutan (scuttan) = ww schutten, sluiten, beschermen
scutbeor = schuttebier; AS skutbier
scute = schuit, platbodem, boot; ON scute, scuyt; AS skuit
scutemakere = schuitenmaker
scutemakery = schuitenmakerij
scuteman = schipper; ON scuteman
scuttan (scutan) = ww schutten, opsluiten, beschermen; AS skutten)
scutting = schutting, beschutting; AS skutting; ASoud schuttinge
scuw = bn schuw; AS skuuw
scydan = scheiden; AS skeiden
scyde = scheiding, grens
scydere = grensrechter
scylt = schuld; ON sculd; AS skuld
scylun (scyl, scold) = zullen
scypen = koeiestal
scyr (scir, sceare, scar) = zn scheur, inkeping, inham, geul; ON scere, scheere; AS skeur
scyr (scir) = zn scheur = stuk omgeploegd land; ASoud skort
scyr (scir, scar) = zn gewest, zone; ON scere, scheere; AS skeur
scyran (sciran) = ww scheuren, afscheuren, verdelen; AS skeuren
scyran (sciran) = ww scheuren = omploegen van weiland om er bouwland van te maken
scyret = afgescheurd
scyrt {AVA scyret} = stuk afgescheurd land; ASoud skeurt, skort
scyrte = schort, rok, hemd; AS skort
scyrthwang = scheurdwang = plicht om deel weiland om te zetten in bouwland
scyte = scheut; AS skeut
scytel = schotel; AS skotel
scytta = schutter; AS skutter
scyttan = grendelen, sluiten; VA NL schutten; AS skutten
se = hij, zij, deze > he; ON se = haar, ze; mv hun, hen, ze; AS se; EZ se
seadh = put, plas, poel (=A pol)
seag (syp) = zn zijp, stroom, beek, sloot, wetering; AS/LM seeg
seagal = zegel
seagalan = ww zegelen
seal (sele) = zeel, touw, riem, zijl; AS zeal
seal (welig) = wilg, omheining van wilgetenen, schutting, erfscheding, omheide ruimte; sele
sealf = zalf
sealfian = ww zalven
sealkere = zeelmaker, zijlmaker; AS zealker, selker
>B>sealmakery = zeelmakerij, zijlmakerij
sealt = zout; ON solt, salt; AS solt
sealtfaet = zoutvat = vat waarin zout wordt bewaard; AS soltvat
sealtmine = zoutmijn
sealtpanne = zoutpan = groot gat of kuil waarin zout water wordt gedaan om te verdampen door de zon; daarna wordt het zout eruit geschept en verder bewerkt; PgAng/Zout
sealtscepp = zoutschep = groot houten schep waarmee zout wordt opgeschept
sealwaegn (hodcarre) = huifkar; AS zealwaegen
seam (some) = zoom (# stof, weefsel, kleding), rand (# bos, veld, e.d.)
sear = bn zoor = droog, scherp, ruw
searu = verstandig, wijs
seatul = zetel
Seax = Sax
Seaxe = zn Saxen, Saxisch (taal)
Seaxe = bn Saxisch
seaxe = saxe = # kromzwaard > PgAng/saxe
seaxnot = Saxgenoot, Sax, zwaardgenoot, strijdgenoot, strijdmakker, wapenbroeder
Seaxum = Saxen(land)
secan {sect, soht, soht} = zoeken; ON soken; AS seuken, soken
secar = zeker, veilig
secarniss = zn zekerheid, veiligheid
secg = zn zegge, cypergras (# veenplant); AS sek, zekgras; ME sedge
secgan (sayan) = zeggen; ON secghen; AS zegn, sekgen, seggen (he segt, he see, he hev segd); EZ saj; ME say
secgan, he secgt, he see*, he hev secged
secgum {AVA ww secgan} = zeggen, gezegd
gesewen secgum = gezien en gezegd
sedel = cedule, lijst, schriftelijke verklaring; ASoud seedell
sedewaere = wormkruid; ON sedeware
seer = zeer; AS seer
segel > segl
segl (segl) = zeil; ON seil; AS siel, siele; ME sail > siglan
seldan = zelden
seldsiene = zeldzaam
sele {mv seli} (sale) = zaal, huis, woonstee; ON sale, sele
sele {mv seli} (seal) = zeel, touw, riem; AS zeal
selfa = zelf
seli {ev sele} = zn zalen
Selle = mansnaam; > PgAng (Sel)
selle (sel, sil, sille, sul, sulle) = februari
Sello =A Selle
sem (sone) = zoen
seman = zoenen, verzoenen
sen = weide; ASoud sen
sendael (sindael) = linnen, neteldoek; ON sindel
sendan (sendon) = zenden
sendon =A sendan
sengian = ww zengen
senman = herder
senn = zeen, pees; ON sene; AS zenne
seoc (sic) = ziek; ON suk, siec; AS seek
seochus = ziekenhuis; AS sekenhoes
seocman = zieke, patient; ON siecman
seocniss = ziekte; ON suke
seofa (sugt) = zucht
seofian (sugtan) = zuchten
seofon = zeven; AS seven; ASoud soven
seofontig = zeventig
seog (sugu) = zeug
seogbugge (wudlus) = pissebed (# insect)
seolc = zn zijde (# stof); ME silk
seolfor = zilver; AS sulver
seolformine = zilvermijn
seon = ww zien
seothan = zieden, koken, braden, smelten; ON sieden
septembre = september; ON septembre
setlan = ww settelen, vestigen
setlere = zn setler
settan = ww zetten, taxeren
sette = zn zit, set, stand, ligging, loop, etc
settere = taxateur; ASoud setter
sewen {see, sew, seen} = zien; AS see (seen: gezien); EZ siin; MA see (seen)
seen, seet, seen; Ick see, ye/he/se/we/ye/se seet; Ick hev seen, etc; Ick had seen, etc<
seyr = bn zeer; ASoud seer
seyan {seyt, seyet, seyd} (sayan, secgan) = zeggen; AS/VL+Bremen seyen
seydan = zeiden (vt seyan); ASoud seden
seys (sithe) = zeis
seysan = ww zeisen, maaien
seyssunne = seizoen; AS seizunne
sibb = sibbe = familie, verwante
sic = pv zich; ON sig, zig; ASoud sig
sic = zn zeik, beekje; AS sek
sic (seoc) = bn ziek; ON suk, siec; AS seek
sican = zeiken, pissen; AS zieken
siccan = ww maaien, oogsten
sicman = zn maaier, oogster
sicol = sikkel
sicsticc = zeisstok = stok om koren bijeen te trekken en dan met de zeis maaien; AS zigstik; vorm = angolstok; > PgAng/Angolstok
sict (sigdhe) = zn zicht = zeis met korte steel; AS zigge
sictan (sigdhan) = ww maaien
sid = wijd, lang, afhangend
siddan = ww gaan
he siddan east = hij ging oostwaarts
side = zn zijde; ON side, land; AS siede
sidh = laat; ON sider = sedert
sidhdhan = ww scheiden
sidhdhan = bn gescheiden
sidhdhan = bw sinds, sindsdien
sidram = afgezonderd, afgelegen
sidre = cider, appelcider = drank gemaakt van appels
sidu = zn zede
-siene = -zaam, -zame
siex = zes
siextig = zestig
sifan (siftan) = ww zeven
sife (sift) = zeef
sift =A sife
siftan =A sifan
sigan = zijken, zinken, druppelen
sigdhan (sictan) = ww maaien
sigdhe (sict) = zn zicht = zeis met korte steel; AS zigge
sige = zege, overwining; ON seghe
sige heafan = zegevieren, overwinnen
sige haefdon swa hwaer swa hie comon = hij zegevierde waar hij ook komt
sigel (sayl) = zeil; ON seil
siglan (siglian, saylan) = zeilen; ON seilen; ME sail
siglere (saylere) = zeiler
siglbot = zeilboot
siglian =A siglan
sigor = winnaar, overwinnaar
sihth = zn zicht
sile = zijl, waterloop
silefest = zijlvest, waterschap; AS/Gro1385 sylvesting
sille = drempel, dorpel, fundament, grondlaag, steun; AS sul
sille = februari; >A selle
sille = landmaat: stuk land dat in één dag geploegd kan worden; ON sille, sulle
silt = bn zilt
siltan = verzilten, dichtslibben
siltig = ziltig
sima = snoer, touw
sin = zn zin, betekenis
sin = zn zin, behoefte, verlangen
sin = bz zijn
sinan {is, waes, west} (aran, bennan) = ww zijn; EZ sin
Ick bun, ye bunt, he/se is, we/ye/se sunt (AS+SW sund)
sincan {sinct, sunc, suncan} = ww zinken
sindael =A sendael
sindel (sinder) = sintel; AS sendel
sinder =A sindel
sinderan = zinderen
siniga = het zijne, van hem
al that sinige = al het zijne
singan (cantan) = zingen
singere (cantere) = zanger
sins = zijns, van hem; AS siens; ASoud sins
sinuw = zenuw; ON senuwe; AS senuuw
sinuwgud = zenuwgoed (# valeriaan, kruid)
sipian (sypan, sypalan) = ww siepen, sijpelen
sippan = ww sippen, zuinig drinken
sith [sait] = zn zicht, uitzicht
sith = zn zit, achterste; ASoud siet
sith = bw achter; ASoud siet
NB Sietweg (= Achterweg) in Vorden.
sithe (seys) = zeis
sittan = zitten, liggen, gelegen zijn, zich bevinden, wonen; ON sitten
siththan = sinds, sindsdien, vanaf
sitte = zn zit, zetel
siwian = ww naaien
skaet = zn schaats; AS skaats
skaetan = ww schaatsen; AS skaatsen
skufan (sceofan) = schuiven; AS skuven
skyt = schijt, poep; AS skyt
skytan = schijten, poepen; AS skyten
skytfaet = schijtvat, beerton, poepdoos; ON schijtvat
sla = slee (# pruim)
slac = zn slak; bn traag
slacian = traag zijn, vertragen
slaec =A slaeg; > PgAng/Maarslag
slaeg (slaec) = slag = nat laagland; ON slach > PgAng/Oxe
ook: stuk grond onttrokken aan gemeen gebruik; perceel
slaet (salaet) = salade; ON slaett
slag = zn slag, klap
slagan = slaan, verslaan; AS slagen
slagmylen = slagmolen = oliemolen
slagsticc = slagstok = slagwapen
slapan = slapen; ME sleep
slath (slut) = sloot, plas, slatland; AS slat, slot, sloet, slut; > PgAng/Slath
NB Sloetsweg (Hengelo, Denekamp), Slotweg (Wichmond).
slathorn = sleedoorn (# struik)
slathland = slatland, strook bebost drasland met sloten; > PgAng/Slath
slaw = bn sluw, traag; AS slauw
slea = drasland; AS slea
sleac = zn slak
sleacig = bn traag, langzaam, lui
sleaf = pollepel; AS sleef
sleagel = zwengel; AS slegel
sleam = bn slank, smal; AS sliem
NB Sliemkampen: straat in Westerbork.
sleam = slijm, slijk, modder; ON slim, slem; AS sliem
sleam = zn smalle strook land; AS sliem
NB Sliemkampen: straat in Westerbork.
slean = ww slaan
slean (slene) = zn sleen = laagte, inzinking in de bodem; AS sleenke; ASoud slenne
NB Sleen/Drente, Sleendiek/Orvelte, Slennebroek/Dalfsen.
sleang = laag, ordinair
sleangan = slingen, slingeren, schelden
sleangere = slinger
sleascatt = muntrecht; ON sleescatte
sleat = slijtage, vod, rommel; natte sneeuw; ON sleet, sete
sleatan = ww slijten; nat sneeuwen
slecg = slagmes; ON sleg, slegge; ME sledge
slecg = houten hamer; OB slecghe
sled (slegh) = slede, slee, arreslee
sleddere = sleekoetsier
slegan {slegt, sloget, slogt} = slaan, slachten, afslachten, doden
slege = zn slag
slegere = slachter, slager
slegery = slagerij, slachterij; AS slachterie
slegg = houten hamer; ON sleghe, slegge
slegh (sled) = slee, slede
slegmaent (octobre) = slachtmaand, oktober
slempan = zuipen
slene =A slean
slenc =A sleng
slenc =A slinc
sleng = slenk = geul, moddergat
slengi = slenken = gebied met veel geulen en/of moddergaten
sleth = lapje grond; AS slet
Slewick = Sleeswijk, Sleswig in Sleeswijk-Holstein, NO Duitsland
slic = zn slik, slijk; ON slick, sliec
slic = bn zacht, glad, listig; ON sleec
slicc = zn slok
sliccan {slicct, slocc, sluccet} = slikken
slician = sluipen, glad maken, polijsten
slidan {slidt, slid, slidan} = ww glijden; ON sliden
sliefan = iets aantrekken
sliefe =A slyf
sliepan = aan- of uittrekken
slim = zn slijm
slim = bn slim, sluw, bar, slecht; AS slim, erg, zeer, beroerd
slinc =A slenc
slinc (slenc) = bn links, linker
slincan {slinct, slonc, sloncan} = ww slinken, minder worden
slincan {slinct, slunc, sluncan} = ww kruipen
slince = linker hand; ON slinke
slincs = slinks, sluw, verkeerd, listig; ON slincs
slindan = verslinden, verzwelgen, inslikken; ON slinden
slingan = sluipen, slingeren
slitan = slijten, scheuren, splijten
slogon = slachten
slufhacc (horscrodd) = reukgras (# onkruid); AS slofhakke, horskroed
slump = zn rommel, rotzooi; AS slump; NB Slumpweg in Delden/Twente.
slumpig = bn rommelig
slumpmaerct = rommelmarkt
slop = luik, gat; AS slop
sloptende = luiktiende = tiende die in de herfst werd betaald door 't slop op de deel; ASoud sloptiende
slot (loc) = slot, grendel
slotmakere = slotenmaker; ON slotmakre
slotmakery = slotenmakerij
slouw = 1: sluw; 2: traag, langzaam; 3: sloom, lui; AS slouw
slouwdha = 1: sluwheid; 2: traagheid; 3: sloomheid, luiheid
slupan = sluipen
slut (slath) = sloot; AS slut
slutge = drab
slyf (sliefe) = sloop (# beddegoed)
smael = smal, klein; ON smael, small
#ZWH/p71: Het versnipperd grondbezit gaf een schamel bestaan bij de extensieve cultuur: 'Vele broeders maken smalle goederen'. > PgAng/Boerderij
smaelhere = smalheer = ambachtsheer van klein gebied; hij pleegt rechtspraak in kleine zaken en int belasting; ON smaelhere
smaeltende = smaltiende; ON small ASoud smaltende
smeac = smaak
smeacan = ww smaken
smeacc = smak
smeaccan = ww smakken
smeaccere = smakker, stevige zoen
smeaclic = smakelijk
smeag = achterbaks, gemeen, laf
smeagan = loeren, overwegen, vleien, bedriegen, ontvangen, interpreteren
smeagd = smiecht = gemene kerel
smeart = smart, pijn
smeat = slag, stoot, duw, klap; ON smeet, smete
smec =A smiec
smellan (gyran) = ww ruiken
smelle (gyr) = geur
smeoran = smeren, besmeren
smeorbealcge = smeerbuik, vetgans
smeorcears = vetkaars
smeorig = vettig; ON smeerig
smeoru = smeer, vet, zalf, crême; AS smear; ME smear
smeorwyrtal = smeerwortel (# kruid)
smic =A smiec
smicre = fijn, sierlijk
smidh = smid
smidhan = smeden
smidhcole = steenkool; ON smedecole
smidhdhe = smidse
smidhery = smederij; AS smederie
smidhgetaw = smeedgereedschap; ON smedegetouwe
smidhwerc = smeedwerk; ON smedewerk
smiec = smook, rook, brandlucht
smilan = lachen, glimlachen
smile = zn lach, glimlach
smitan = smijten, slaan, treffen, raken
smitte = smet
smittian = besmetten, bevuilen
smitting = besmetting, bevuiling
smoca (rec) = rook; ON+AS smook
smocere = smoker, roker
smocery = smokerij (vis, vlees)
smocian = smoken, roken; ON+AS smoken
smock = vrouwenhemd; VA NL smuk, opsmuk
smodh (smothe) = effen, even, gelijkmatig
smothe =A smodh
smorian = ww smoren
smud = smet, vlek, vuil; AS smot; ME smudge
smudda (aecwaeter) = eekwater; AS smodde, eekwater = water met gerotte eike- of elzebladen
smuddageat = AS smoddegat = kuil waarin smodde wordt gemaakt
smuddan = AS smodden = linnen in een smuddegat weken om het een bruine kleur te geven
smuddig = vuil, bevuild; AS smottig
smudpott = vuurpot = pot waarin vuur wordt gemaakt; gebruikt in fruitteelt tussen de fruitbomen tegen bevriezing van bloesem; voornamelijk vanaf 6 uur smorgens als de kou het ergst is; ME smudge, smudgepot
smugan = kruipen, smokkelen; ON smuigen
snaca = ringslang; AS snake = (moeras)slang
snaca = snaak = jonge jongen
snacca =A snaca
snap = graai, hap, beet, snauw
snapan = graaien, happen, bijten, snauwen
snas = braadspit, vissen aan snoer geregen
snasa = zn snoer; ON snase
snasan = snoeren, aan snoer rijgen; ON snesen = aan snoer rijgen
snatch (snay) = snaai, hap
snatchan (snayan) = snaaien, happen, pakken
snaw = sneeuw; ON snew
snawan = sneeuwen; ON snewen
snawdreap = sneeuwklokje (# plant)
snawflake = sneeuwvlok
snawgos = sneeuwgans (wit met zwarte strepen)
snawhana = sneeuwhaan (# hoender)
snay (snatch) = snaai, hap
snayan (snatchian) = snaaien, wegpikken, gappen
snearian = ww strikken (# jacht, stroperij)
snearu = snaar, strik; ME snare
sneasan = ww niezen
snecan = kruipen, gluren
snecig = kruiperig, gluurderig
snell = bn snel
sneowan = haasten
snicc (towbot) = trekschuit
snicc = snik
sniccan = snikken, huilen
snidhan = ww snijden, knippen
snidhere (cladhmakere) = kleermaker; ON snijder
snidhery (cladhmakery) = kleermakerij
snifdog = speurhond
sniffan (snuffian) = ww snuffelen
snoad = zn snode = handvat van een sikkel; AS snoad
snoad = bv snode = stoutmoedig, boosaardig, slecht, armzalig
snod = vislijn
snofan = ww snoeven, opscheppen
snorcan = ww snurken; AS snorken
snoru = schoonzuster; ON snore
snot (gesnot) = snot
snote (snout) = snuit, slurf, bek
snottan = snotteren, huilen
snouc = snoek; ON snouc; AS snook
snoufan = snoeven, snuiven; AS snoeven
snout (snote, snydh, wrot) = snoet, snuit; ON snoot, snute; AS snuut
snoutan = ww snuiten; ON snuten; AS snuten
snufan = snuiven; ON snuven
snufbucs = snuifdoos
snuffian (sniffan) = snuffen, snuffelen
snuffle = snuffel, snuit
snuwan = ww snauwen
snuwe = zn snauw
snydh = snuit, snoet
snydhian = snuiten
snytan = snuiten
so = zo; ASoud soo
sobban = ww huilen, snotteren, tobben
sobbig = bn nat, drassig; AS/NWD sobbig
socc = sok
socian = ww drenken, zuipen
socig = drassig, nat
sodd = zn zot, dwaas
sodd = bn zot, dwaas, dom, onnozel; ON sot
soddan = ww zotten, gek doen
soddcaeppe = zottekap = kap met bellen
soddlic = bw zot, dwaas, onnozel; ON sottelek
soddniss = zotheid, dwaasheid, domheid; ON sotheit
sodderny = zotternij, dwaasheid, klucht; ON sotternie
sodenn = zulk, zodanig; ASoud soden
sofeor = zover; ASoud soeveren
softe = zacht
softniss = zachtheid
sohtan = zoeken, zochten, bezoeken
solbig (soppig) = drassig
soldar (solre, sulre) = zolder
sole = zool, voetzool, schoenzool; ON sole
solfre (sulfre) = zwafel
solre =A sulre
som (sum) = sommig, enig, soms; ON som
some (seam) = zoom, rand; AS som
somma = som, totaal; ASoud somma
somman = optellen, sommeren
somnian = ww zamelen
sona (spodig) = spoedig
sond (sand) = zand; ON sant
sooke = lage, drassige grond; AS zoeke
sookig = drassig, modderig; ME soaky
soonan (sonian, seman) = zoenen, verzoenen
soone (sem) = verzoening; ON soene > PgAng/Verzoening
soonbrec = zoenbreuk; ON soenbrace
soonbreaf = zoenbrief = acte van overeenkomst; ON soenbrief; AS soenbreef)
soondaeg = zoendag = datum van de verzoening; ON soendach
soonding = bepaling in een zoenbrief; ON soendinc
soongield = zoengeld = te betalen geld ter verzoening
soonian (soonan, seman) = zoenen, verzoenen
soonling = ivm verzoening; ON sonelinc
sop (op) = berg, heuvel, hoogte, top; ON sop, tsop
sopp = soep, kookvocht, geweekt brood; ON sop, sope, soppe
sopp = afval, vuil; AS soppe
soppan = ww soppen
soppel = bn soepel
soppelt = nat en drassig veld; AS/VW soppelt >A -elt
soppian =A soppen
soppig (solbig) = nat, week, drassig
sora (scor) = zn strand, oever, kust, landingsplaats
sora = bn dor, droog
soran = ww verdorren, uitdrogen
sorce (burna) = bron
sorcere = sjamaan
sorcery = sjamanisme; ON sorterie
sore = dor, verdord; AS sor, soor
sorg (sarg) = zn zorg
sorgan = ww zorgen
sot = zn roet (# rook)
soth = bn trouw, vertrouwd; zn trouweling, bondgenoot
sothon = trouwen, huwen; > gesothon
spaca = zn spaak; ON speek
spada = spade
spadu =A spada
spaec (spraec) = takje; VA NL spaak
spaecum = spatie, ruimte; ASoud spatium
spaetan (spittan) = spugen
spai (spie) = zn spion
spaian (spien) = ww spieden, bespieden, spioneren
spald (speld) = spouw = spleet, opening; ON spald; AS speuld
spaldan = spouwen = splijten, kloven; ON spalden
span = span; AS spaan, spoan; AS/LM speun
spannan = ww spannen
sparian = ww sparen
spatter = ww spatten, bespatten
spea (scuw) = bn schuw; AS spee
spear = beetje; AS spier
spearca = fonkelen, sprankelen; ON sparke
spearheafoc = sperwer, mushavik
specan (sprecan, spraecan) = spreken; ON spekan > talu
specere = spreker
sped =A spod
spedan = haasten, opschieten
spedig (spodig) = spoedig
spel (spell) = bericht, gezegde, verhaal
spelan = ww spoelen
speld = splinter, stuk hout; AVA spaldan = spouwen
spelthorn = hagedoorn (# struik); ON speldorn
spell =A spel
spellian = spellen, spreken, verkondigen
spelt = spelt = soort grove tarwe
speltbread = speltbrood
spere (gar) = speer
sperefiscan = ww speervissen = vissen met een speer
spereheafod = speerhoofd = speerpunt
spereweorpan = speerwerpen (# sport)
spic = spek
spic = spits, spies, piek, pin, scherpe punt; ON spick
spic = lavendel (# heester); ON spijc, spike
spican = ww spieken, gluren, afkijken
spicca = brug van planken bedekt met takkenbossen en plaggen; AS/TW+VL spikke
NB In Nederland zijn drie plaatsnamen Spijk, op oude kaarten vaak aangegeven als Spic. Alle drie liggen ze aan water. Mogelijk zijn het locaties waar ooit een brug was.
spicer = spijker; ON+AS spiker
spicer = silo, schuur, zolder; AS spieker; ASoud spycker; > PgAng/Spieker
spichol = spiekgat, kijkgaatje in deur e.d.
spicscate = spekschuur; AS spekscate
spidder = spin; ME spider
spian (spaian) = ww spieden, bespieden, spioneren; ON spien
spie (spai) = zn spion; ON spie
spielc = spalk
spildan = vernietigen; ON spilden = spillen
spilhus = theater; ON speelhuus
NB Theater 't Speelhuis in Helmond.
spilian = spelen, vrolijk bewegen, dansen
spilmaent = september; ON speelmaent
spilman = acteur, zanger, danser, muzikant, jongleur, comiek; ON speelman, speleman
spill = boerderij; AS spil
spillan = verspillen; ON spillen
spillman = boer
spinacer = spinaker (# boot)
spind = spek, vet; ON spint
spinder = spin (# insect); ON spinne
spinel = spoel, klos, spil, as, stang
spinnan = ww spinnen
spinnere = spinner
spinnery = spinnerij; AS spinnerie
spinweol = spinnewiel
spint = 1/4 schepel = 1/16 mud = 0.03 Ha
spir = rietstengel; VA NL spier
spitt = spade, schop (# gereedschap)
spitt = 1 spade diep of vol (# landmaat)
spitt = spit, braadspit
spitt = spit, rugpijn
spitt = spuug, slijm
spittan (spaetan) = spugen
spittan = spitten, graven
spitu = zn spit; ww spitten, aan spit rijgen
spiwan = ww spuwen
splay = bn schuin, wijd open, ontwricht, vleugellam
splayan = ww afschuiven, schuin zetten
splittan = splitsen; ASoud splitteren
spod (sped) = spoed, haast, voorspoed
spodig = spoedig, haastig
spon = spaan, plank; AS spoan; LM speun
NB Wehl (Liemers) 2010: Aldaar wordt zowel spoan als speun gezegd voor spaan. Spoan wordt echter ervaren als vreemd. Het lijkt qua klank meer Saxisch. Speun ligt dichter bij het Anglisch spon, hetgeen de these sterkt dat De Liemers sinds circa 150vC overwegend Anglisch gebied is.
spong = gesp; NL spang
sponn = breedte uitgestrekte hand
sponnan = ww spannen, strekken, strak trekken
spontarf = sponturf = kleinste en hardste soort baggerturf
sponu = speen, tepel
spor (traet, trass) = spoor, voetspoor
spora = spoor aan rijlaars
spornan = stoten tegen, porren
spoy = zn spui, schutsluis (# waterwerk); ON spoy, spoey
spoyan = ww spuien; ON spoynen, spoeyen
spraec (spaec, spranca) = tak; VA ON sprockel = takje
spraec = spraak, taal; ASoud spraecke
spraecan (specan) = spreken; ON spreken, speken; AS sprekken; ASoud spraecken
spraecere (specere) = spreker
spraechund = spreekhond = hond om tegen te spreken (bv bij eenzaamheid)
spraedan = ww spreiden
spranca (spraec) = takje; NL sprang = dikke tak; sprank = vonk, vlek
spreacan (sprecan) = spreken
sprean = spreen; AS spren
NB Sprenkelder, familienaam in de Achterhoek
spreang = spreng = bron, beekje; lente
spreangan = springen, ontspringen
spreaw (staer) = spreeuw; AS sprew
sprecan (specan, spraecan) = spreken; AS sprekken; ME speak
sprecere = spreker
sprenclan = sprenkelen, ontspringen
spreot (sprut) = zn spruit, spriet, staak; AS sprot
spreotan (sprutan) = ww+zn spruiten
sprincal = sprinkel (# slagwapen)
spring = bron, waterloop; ON sprinc
springan = springen
springe = sleepkabel, valstrik
sprint = zn sprint
sprintan = sprinten, hard lopen
sproclan = sprokkelen; AS sproklen
sprocleholt = sprokkelhout
Sproclemaent = februari; ON sprockel
sprota (sprute) = spruit, tak
sprott = sprot = gerookte sardien
sprung = zn sprong; AS sprung
spruse = spar (# naaldboom)
sprut (spreo, sprytt) = zn spruit, spriet
sprutan (spreotan, spryttan) = ww+zn spruiten; AS spruten
spruw = spruw (# mondontsteking)
sprytt =A sprut
spryttan =A sprutan
sputan = ww spuiten, spugen; AS sputen
spute = zn spuit; AS spute; ME spout
spuw = spuug, speeksel
spuwan = spuwen, spugen
spyld =* stuk uitgehakt bos; AS speld, speuld, spald, spoold
NB Speulde/N.Veluwe, Spalder/Ruurlo, Spelderholt/Beekbergen
spyrian = speuren
-st = -st(e)
staca = staak = lange dunne stok; AS stake
NB Locatie De Radstake aan de A18 bij Varsseveld
stacc = hooimijt, stapel, hoop
stackar = stakker
staec = zn staak, stok
staef = staf, staaf, knuppel
staefmakere = maker van staffen, staven en knuppels
staefmakery = stafmakerij
staeg = stag, touw, scheepstouw; ME stay
staeg = hertebok, manlijk hert; ME stag
Staegbal = Bokkenbal > PgAng/Herten
staeghound = jachthond
staegan = ww stijgen
staegar = stijger, trap
staeggan = wankelen, wachelen
staegrep = stijgbeugel; ON stegherep
staeli (style) = staal
staelsticc = staalstok, -boom = stok om fuiken en netten op te hangen
staepan (steppan) = ww stappen, planten
staepe (stepp) = stap; ME step
staer (spreaw) = zn spreeuw
staer = bn star
staerig = gestaag, gedurig, steeds
staete = state = adellijk huis
stampan (steampan) = ww satmpen
stan {stan, stod, stan} = ww staan
stan (sten, stin, ston, stun) = zn steen; AS stun; SW stien
Stan = Steen (# gewichtseenheid); 1 Stan = 6.3 Kg; ME Stone
stand = zn stand, toestand
standan = ww staan, weerstaan
standfaest = standvast, standvastig, flink, ferm
standfaestniss = standvastigheid
stanwyrhta = steenwerker, steenbewerker, steenhouwer
staowa = stuw, waterkering
staowan = ww stouwen, stuwen
stapol = zuil, verhevenheid
stapul = stapel, opslagplaats, markt; ME staple
stapulpleats = stapelplaats, opslagplaatd
starfan = sterven; AS starffan
starian = ww staren
stavian = staven, formuleren van een eed, voorzeggen
stea = stee, stede, verblijf, woning; ME stay
stead = stad, stede
steadig = stadig, standvastig, bestendig, duurzaam; ON stadich
steag = steeg, smal pad; AS steg, stegge
stealan (stelan) = ww stelen
stealcian = stalken, stelen, gluipen
steall = zn stal
steallcniht = stalknecht; ON stalcnegt, stalcnecht
stealtha = heimelijkheid
stealthig = heimelijk
steam = stoom
steaman = ww stomen
steamp = stampot (# gerecht); ON stamp
steampan (stampan) = ww stampen
steap = bn steil
steap = zn stoop, helling, bergwand
steap = stutpaal; AS stiep
steapal = deurpaal; AVA stea (stee, woonplaats) + pal (paal); AS stiepel; >A stepel
steapaltacen = stiepelteken = teken op de middenpaal van stal- of schuurdeur (NO Nederland)
stearc = bn sterk
stearcan = ww sterken, versterken
stearcta = sterkte, bolwerk, vesting
stearne = stern, zeezwaluw
steart = staart; AS steert
steartlian = struikelen
steat {AVA stan = staan} = staat; AS steet
steat up Lage = hoort onder Lage
steaw = stampot
stecc =A steck
stecc = steek = soort herenhoed
steck (stecc) = steek, stek, plaats
steckan = ww steken
stede = stede; ME stead
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford) = die stad is genaamd Cerdicesora
stedefaest = steevast, constant, voortdurend
stedhacce = afval van gehekeld vlas; AS stethakke
stedt = stede
steff = stief-; AS stief; ASoud steif
steffsunu = stiefzoon
stefn = steven, achtersteven (# schip)
stefn =A stemn
steg = steeg, pad, loopplank, brugje; ON steghe; AS stegge
Stel = Stel (mansnaam); PgAng (Stelling)
stela = steel, stengel
stelan (stealan) = ww stelen
stemn (stefn) = stam, stem, steven (van schip)
sten (stin, stan, ston, stun) = steen
sten (stenhus) = steenhuis, kasteel, gevangenis; ON steen, stein
stenan = bn stenen
stenbacere = steenbakker; ON steenbackere
stenbacery = steenbakkerij
stenbow = steenbouw
stenbrece = steenbreek (# plant); ON steenbreke
stenc = stank
stencaemere =A stenhus
NB Steenenkamer gehucht in Voorst en in Putten.
stencan {stenc, stunc, stunc} = ww stinken
stenccrod = stinkkruid (# kruid); AS stinkkroed
stencig = stinkig, stinkend
stengield = onderhoudskosten in gevangenis; ON steenghelt
stengrove = steengroeve
stenhus (sten) = steenhuis, stenenhuis = versterkt huis; ON steenhus; AS/Gro stins
stenmylen = steenmolen, steenzagerij; reeds rond 10nC in gebruik bij Romeinen
stenofen = steenbakkerij; ON steenoven
stentor = stenen toren
steop = stief- (vb stiefvader, etc)
steor = stuur, stier
steoran =A stieran
steorfan = sterven
steorliht = sterrelicht
steorra = ster
steort = staart
stepel (stypel) = spits, torenspits; AS stiepel; ME steaple; >A steapal
stepp (staepe) = stap
steppan (staepan) = ww stappen, planten
stewel (bote) = laars (# schoeisel); AS stiewel
stic = zn stuk, stuk land, veld
sticc (stocc) = zn stok, pin
sticca =A sticc
sticcas (mvA sticc) = stokken
sticcan (stician) = ww stikken, steken; AS stekken
sticel = stekel
sticelbac = stekelbaars (# vis)
stician = ww steken
stieran (steoran) = sturen, berispen, straffen
stif = stijf; ON stief; AS stief
stifth = klooster, stichting; AS stift
stig = stal, huis, pand, bouwsel, stek; ASoud stiga; NB stichting
stigan = ww stijgen, bouwen; NB stichten; AS stiegen
stigar = zn stijger, ladder, trap; AS stieger
stigweard = stalmeester, veestalbewaker, rentmeester, hofmeester; ME steward
stil = bn stil
stillad (stille) = zn stilte
stillan = ww stillen
stille (stillad) = stilte
stillniss = stilte, stilheid
stin (sten, stan, ston, stun) = steen; SW stien
stinbow = steenbouw
stinofen = steenbakkerij; ON steenoven
stincan = stinken
stingan = steken
stins = steenhuis = stenen huis; AS/Gro stins
stobba = stobbe = boomstronk, turfhoop
stobbart = stobbert = veld met veel boomstronken
stocan = ww stoken, branden
socere = stoker, destilleerder
stocery = stokerij, destilleerderij
stocc {mv stoccas} (sticca) = stok, staak, stronk, staf, balk, soort baksteen; AS stoak
stocc {mv stoccas} = stapel, voorraad
stoccas = zn stokken
stoccdanse = stokdans; > PgAng/Dansen
stoccfisc = stokvis = aan een stok hard gedroogde kabeljauw of leng
stocchus = AVA stocc (stok, balk) + hus (huis) > blokhut
stoccrefa (strubba) = veld met veel stronken, moeilijk te bewerken veld
stochol = stookgat
stod = zn hengst
stod = steeds, standvast
stoddan = stootten; AS stodden
stodde = zn stoot; AS stodde
stodery = stoeterij, paardefokkerij
stodig = steeds, standvastig; AS stodig; ME steady
stofa = stoof, kachel, oven; ON stove
stofa = badruimte, badkamer
stofan = ww stoven
stofapott = stoofpot; ME stew
stoff [stof] = stof, weefsel, textiel; ES [stof]
stol = stoel, laagte, laagvlakte; ON stole, stool; AS stool, stul
stolic = bn steels, heimelijk, stiekem
stolt =A stout
stomak = maag, buik
stomerian = ww stamelen
stomm = stom
stomor = stamelend
ston (stin, stan, sten, stun) = steen
stondan {stont, stondet, stan} = staan; ON stantan; AS stoan
stope = stoep, inrit, bank; ON stope, stoop
stope = stoplfles, fles, kruik; ON stope
stoppian = ww stoppen
storax = gom, gomhars; ON storax
storc = ooievaar; AS stork; EZ storich
stori = geschiedenis; ON storie; ME story
storm = storm
storman = ww stormen
stormbrid = stormvogel (# vogel)
stormflod = stormvloed
stormscada = stormschade; AS stormskade
stout = moedig, dapper, flink, ondernemend; ON stout, stolt
stoutlic = op moedige (dappere, flinke) wijze; ON stoutlike
stowan = stouwen, bergen, verbergen, laden
stowe = schuilplaats, opvanghuis; AS stouwe
NB1 Sociaal opvanghuis De Stouwe in Dalfsen.
NB2 wegen in Staphorst/Meppel: Grote Stouwe en Berkenstouwe.
stowian = stouwen, wegstouwen, verbergen, tegenhouden
straec = bn strak
straect = bn gestrekt, recht, rechtuit
strael = pijl; VA NL straal
straet =A strate
straetleoht = straatlicht > beacan
straetbow = stratenbouw
straetmakere = straatmaker
strand = zn strand
strang = bn sterk
strate (straet) = straat; ON straet, straete
stream = stroom, waterloop
streaman (flowan) = ww stromen
streaw = stroo; ON strouw; AS streu; ASoud stroe
streaw = vis verpakt in stro (vaak 500 stuk, i.b. haring); ASoud stroe
streawcappe = strokap (# panden); ON strouwcappe; AS strokappe
streawthaec = strodak; ON strodac
strebb = trots, fierheid; AS strebbe
strebbig = trost, fier; AS strebbig
streccan = strekken, berichten; AS strecken = berichten
strecs = straks, dadelijk; ON strecs
stregt = recht, gestrekt
streng = zn streng, touw
streowian = ww strooien
strep (strip) = streep, streep; ON stripe, strepe; AS strep, smalle strook land; AS/VWoud strype
stric (rodd) = strik, roede, stok, staaf, stang
strica = aanval, slag
strican = ww strijken, toeslaan, aanvallen; AS strieken
stricc = zn strik
striccan = ww strikken
stricel = strijkstok, stok om zgn stricmaten te meten
stridan = strijden; ON striden; AS striden
stride = strijd; AS stried
stridmaeccar = strijdmakker; AS striedmakker
striepan (strypan) = stropen, roven; > bestriepan
stripe = streep, strook land; ON stripe; AS striepe
striped = gestreept; ON stripet; AS striept
strivan = ww streven, strijden, vechten
strobb =A strubb
stroc (struec) = struik; AS stroek, struuk
stroccan (mvA stroc) = struiken
strond =A strand
strong = bn streng
stropp = strop
strout = drasland, moerassig gebied; AS stroet, stroot
strowian = ww strooien
stru = drasland; AS/VW stroe
strubb (strobb) = zn kreupelhout, stronk; ON strubbe
strubb (strobb, strybb) = bn+bw stroef, moeilijk, lastig; ON strubb
strubba (stoccrefa) = veld met veel kreupelhout en stronken, moeilijk te bewerken veld
NB De Strubben in Kootwijk.
strubba = bos met eikenhakhout
strubbert = lastig te melken koe; AS strubberd
struec (stroc) = struik; AS struuk, stroek
strueccan (mvA struec) = struiken
strufe = struif, flensje; ON struve, struuv
strunc = stronk, boomstronk, stam, staak; ON strunc
strunt = stront, mest
struntstede = mesthoop; ON strontstede
strup = strop, lus, strik; AS strup
strup = stroop, siroop (# vloeistof); AS strup
strupan = ww stropen; AS stroepen
strupery = stroperij
struwell = struweel, struikgewas; ON struwelle
strybb = stroef, moeilijk, lastig
strybba =A strubba
strypan (striepan) = stropen, roven
stubb (stybb) = stubbe, stobbe = stronk, wortelstronk, boomstronk
stubba = stof, veegsel; ON stubbe
stucce (stycce) = stuk, deel, stuk land, perceel
studu = stut, paal
stufan = stuiven; AS stuven, stoeven
stufar = stuiver (muntstuk); AS stoever; ASoud stuver
stufbylt = stuivebelt
stufsand = stuifzand; AS stoevesand; ASoud stuvsand, stoevsand
stumblan = ww stommelen; AS stummelen
stump = stomp; ON stump; AS stump
stun (sten, stin, stan, ston) = steen
stundum = ijverig
stunian = steunen, slaan, klotsen
stunt = zn stunt
stuntan = ww stunten
stuntig = stuntelig, onnozel
stupian = ww bukken, buigen; ON stupen
stuppel = stoppel; AS stuppel
sturi = stuurman
stutteran = ww stotteren
stybb =A stubb
stybba = stam
stybbart = lastig persoon
stycce (stucke) = zn stuk
style =A staeli
styntan = ww afstompen
stypel =A stepel
styria = steur (# vis)
styrian = sturen, roeren, bewegen; AS sturren
styrran = storen, bewegen, hinderen
styrtan = storten, starten; ON sturten
styrtcarre = stortkar = kar met laadklep om vracht te storten; AS stortekarre
su (veark) = varken
sucan (sugan) = zuigen; AS sugen
sucer = suiker; AS suker
sucerbread = suikerbrood
sucling = zuigeling, baby
sud (suth) = zuid; ON sud, suud
sudda = zode, turf, plag; ON sode; AS/HZ/Orvelte sudde; ME sod = plag, turf
sudende = zuideinde; ON sudende
sudhalfa = zuidelijk, ten zuiden van, aan de zuidkant; ON sudhalve
sudlic = zuidelijk, ten zuiden van
sudside = zuidzijde; ON sudside
sudweard = zuidwaerds; ON sudwaerd
sufel = zuivel; AS zuvel
suffal = priem om gaatjes te maken; AS suffel
sugan (sucan) = zuigen; AS zugen
sugt (seofa) = zucht
sugtan (seofian) = zuchten
sugu (seog) = zeug
suht = teelt
suht (sygt) = zn zucht, ziekte
suhtan = ww telen, fokken
suhtan (sygtan) = ww zuchten, lijden
suhtere = fokker, teler
suhtor (sygter) = zn zuchter, iemand die zucht, zieke, lijder, patient
suhtorfaedran = stamvaders
suhtsteor = fokstier
suk (sacu) = zaak, rechtszaak; ON+AS sake
sulfre (solvre) = zwafel
sulh (ploh) = zn sul, ploeg
sulhan = ww zeulen, ploegen
sulle = februari; >A selle
Sulmaent (selle) = februari; ON selle, sulle, sille = ploegmaand
In deze maand ploegen de boeren hun land en offeren ze koekjes aan de goden om hen gunstig te stemmen en een goede oogst af te smeken.
sulre = zolder; ON solre, sulre
sulthe = aster (# bloem); ON zulthe
sulx = zulks; ON sulks
sum (som) = soms, sommige, sommigen, enige; ON sum, som
sumleod = sommigen; ON somlieden; AS somleu
-sum = -zaam; VB gehiersum = gehoorzaam
sumac = zure bes (# vrucht)
sumb = som; ASoud sumb
sumig = nalatig, laks; ON sumich
summat = iets; ME somewhat
summick = bn sommig
sumor = zomer; ON somer, sommer; AS summer, zommer; ASoud sommer
sumorcorn = zomerkoren; ASoud sommerkoeren
sumorfleoge = vlinder; AS sommervleeg
sumorhus = zomerhuis, tuinhuis
sump = zomp, drasland; AS zump
sumpig = drassig; AS zumpig
sumtids = soms; ON somtijds
sun (sunu) = zoon; ON son, sone; AS sun
sund = gezond
sundor (sundra) = zonder, bizonder, afgelegen; AS sunder; ASoud sonder
sundorland = zonderland = afgelegen land
sundhed = gezondheid
sundniss = gezondheid
sundra =A sundor
sundsarg = gezondheidszorg
sunig = zuinig; AS zunig
sunna = zon; ON sonne; AS sun, sunne
sunneblom = zonnebloem
sunneblomsaed = zonnebloemzaad = oliehoudend zaad
sunnedaeg = zondag; ON sonnendach, sondach; AS sundag
sunneganc = zonnegang = gang of baan van de zon; ON sonneganc; AS zunnegank
sunnehod = zonnehoed; AS zunhood
sunneliht = zonlicht
sunnerise = zonsopgang; AS zunsopgank
sunnescine = zonneschijn; ON sunnenscine
sunnesett = zonsondergang
sunt >A sin
sunu (sun) = zoon; ON sone; AS sun; ASoud soene; MA sun; ML sinjo = jongen
supan = zuipen; AS zupen, zoepen
sur = bn zuur; ON sour
suth (sud) = zuid
suthor = zuider
Svin = Sven = jongensnaam
swa (sa) = zo, zoals
swa hwaer swa hie comon = waar hij ook komt
swa swa fur = als voor vuur
thä Wealas flugon thä Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engle als voor vuur
swab = zwabber, dweil
swaban = swabberen, dweilen
swada = zwad, zwade = rij gemaaid gras; ME swath
Swaefe = Swafen, Sueven = Germaanse volkstam; ON Swaef, Swaeve > PgAng/Swaefe
swaeg = zwaag = weiland
swaer = zwaar; AS/VWoud sware
swaeth (swathu) = zwad = strook gemaaid gras; ON swat
swagor = zwager
swaian = zwaaien; ME sway
swalewe (swealwe) = zwaluw; ME swallow
swalice = zulk, zulkgelijke
swamm = zwam (# fungi)
swamp = moeras
swaswe = zoals
swat = zweet; ON swete; ME sweat
swat = baan gemaaid gras; ON swat
swatan = ww zweten
swathu =A swaeth
swe *=A swa; > PgLng/Caedmon
sweader = schoonvader; ON sweder
swealwe =A swalewe
sweard = zwoerd, zwijnehuid
swearm = zn zwerm
sweart = zwart, donker; >A blac
swefan = slapen
swefel = zwafel
swegan = lawaai maken
swelan = smeulen, traag branden
swelce = welke; ASoud swelche
swelgan = zwelgen, slikken
swellan {swellt, swoll, swollan} = ww zwellen; ON swellen
swelling = zwelling; ON swellinghe
swencean = ww zwenken
swencean = lastig vallen
Sweom = Zweden
sweorc (gesweorc) = zwerk, hemel
sweoran (swerian, swyran) = ww zweren, eed afleggen
sweord (swyrd) = eed, geloofte
sweord = zwaard
sweordcnobb = zwaardknop = knop om zwaard aan gordel te bevestigen
sweordfisc = zwaardvis
sweostor (swuster) = zuster; ON suster; AS suster; ME sister
sweran {swert, sweret, sweret} = ww zweren, etteren
swerian {swert, swore/sworde, sworan} (swyran, sweoran) = ww zweren, eed afleggen
swete = zoet, lief
swett = grens; ON swet, swette
swettan = ww grenzen
swettland = grensland
swettnot = buurman
swettslath = grenssloot; ON swetsloot
swican = in de steek laten; VA NL bezwijken
swid = sterk, krachtig; ON swide
swifan = ww zweven, snel bewegen; ON sweven; AS swiven
swifte = bn snel
swigian = zwijgen; AS swiegen
swil = zn vies, vuil water; ME swill = viese drank
swil = zn swil, afval van schillen, etensresten, e.d., o.a. gebruikt als varkensvoer
swilan = zwelen = droog gras samenharken
swilian = wassen, reinigen
swima = zwijm, bewusteloos
swiman = zwijmen, flauw vallen
swimman = zwemmen
swin = zwijn; ON swyn, swine = zwijn, varken; AS swien
swinan = ww zoenen, zwijnen, geluk hebben; ON+AS swienen
swincott = zwijnenstal, varkensstal; ON swinscott
swindere = varkenshoeder; ON swinder
swindrifere = varkensdrijver, varkenshoeder
swindlar = zwendelaar
swingan = swingen, zwaaien, slaan
swinhuntere = zwijnenjager
swintrog = varkenstrog
swinwud = zwijnenwoud, -bos
swip (swipu) = zweep; ME whip
swipan = ww zwepen, geselen, zwaaien
swipu (swip) = zweep; ME whip
swiran = zwieren, bekoren
swire = zwier, bekoring
swogan = ww zwoegen
swomm = zwam
swon = zwaan; AS swoan; ME swan
swuster (sweoster) = zuster
swylc = zulk; ME such
swyran (swerian) = zweren, eed afleggen
swyrd (sweord) = eed, geloofte
syfre = zuiver; AS zuver
sygt (suht) = zucht
sygtan (suhtan) = ww zuchten, lijden
sygter (suhtor) = zuchter, zieke, lijder, patient
syl = zuil; AS zul
syll = sluis; ON sijl, zijl; ASoud syll
synn = zonde
syp (seag) = zn zijp, stroom, beek, sloot, wetering; ON syp; AS/VWoud sipe
sypal = zn ui; AS siepel
sypalan (sipian) = ww sijpelen, siepen, siepelen, traag en smal stromen
sypan (sipian) = ww siepen, zijpen, stromen; AS siepen
syslang = zolang, tot nu toe; ASoud suslange
syt = zijde, zijkant; ASoud zyt
syththa = miezerig; AS sodde
syththan = ww verpieteren, verschrompelen, smelten, wegsmelten
syththaran = ww sudderen
 
t::
ta = teen (lichaamsdeel)
-ta = iets wat (ergens) veel voorkomt, overvloedig
VB granta = geklaag
-ta (-dha, -da) = -te, -de = -gebied of -veld waar iets veel voorkomt; VB aekta (NL eekte) = aek (eik) + ta (te) = gebied met veel eiken
-ta = -heid
tacan = pakken, grijpen, aannemen; ON taken
tace = taak, taakgebied, werkgebied
tace = maat voor wijn; ON take
tacen = zn teken; ME sign
tacenan = ww tekenen
tacening = tekening; ASoud teickonge
tadige = pad, dikke kikker
tadigstol = paddestoel
taec = tak
taecan = ww onderwijzen, leren, les geven
taegel = staart; ME tail
taegan (dagan) = dagen, uitdagen, pesten, treiteren; ON taggen
taeher (tear) = traan
taeppian = tappen
taesan = tezen (wol pluizen), trekken, plukken
tal = berisping, spot
talman = talmen
talu = ww spreken > sprecan
talu = zn taal; AS toal; SW tael
talu = zn vertelsel, verhaal; ME tale
talugh (taluh) = talg, talk, kaarsvet
taluh =A talugh
tam = bn tam, getemd, saai, braaf, rustig >A temian
tambur = tamboer
tambure = trommel, trom; ON tamboere
tambuse = soort trommel; ON tambuse
tamian = ww temmen
tan = twijg, tak
tan = teen (wilgentak)
tand = tand
taneal = toneel, tribune, stellage, feest; ON taneel, tinele
tandgebit (gebit) = gebit; AS tandgebis
tanghe = zandrug; AS tange; ASoud tanghe
tappere = tapper = beheerder van een tapperij; ON tap, tappe
tappery = tapperij = drankhandel
tarf = turf, turfveld; ON+AS tarf
tarfbot = turfboot
tarfcay = turfkade; ON turfcaay
tarfmaerct = turfmarkt
tarfscippere = turfschipper; AS tarfskipper
tarif = tarief
tart = taart
tauth = gedachte
tauthar = denken, gedenken
taw (tow) = vz door
tawan = ww duwen
tay =A tee
taybucs = theebus = busje met dop (maat) om thee te bewaren; inhoud van dop goed voor 1 pot lekkere thee
taypott = theepot
te (to, tho) = te, naar; MA to
teafal = tafel
teafor = tover, ossebloed*, menie
teaforan = toveren
teafore = tovenaar
tealtan = ww toernooien, ringsteken, duelleren met lans
tealtgeard = toernooibaan
team = toom, span; o.a. ossespan
tear (taeher) = traan; ME tear
tearme = termijn; ON tearmte
tearwa (weatha) = tarwe; ON taruwe; ASoud weyte, weite = tarwe; ME wheat = tarwe
tee (tay) = thee; > PgAng/Thee
telga = telg
tell = tal, aantal, getal; ASoud tell
tellan = tellen, rekenen
tellan = vertellen, verhalen, mededelen; ME tell = vertellen
NB talu = vertelsel, verhaal
temian = temmen; ME tame; > tam
temple = tempel; ON temple
tendan = tienden betalen; ASoud tenden
tendbaer = tiendplichtig; ASoud tentbaer
tende = tiende; ASoud tende
tendgudh = tiendegoed, tiendplichtig goed; ASoud tendtguet
teng = vz bij, tegen, tegenaan; ON teghen; AS teggen, teeng
tengel (bartel, raefter) = houtschroot, brandhout
tente = tent; ON tente, tinte
tentmakere = tentmaker; ON tentemakere
tentmakery = tentenmakerij
tentpal = tentpaal; ON tenteboem
tentsayl = tentzeil
tentstocc = tentstok
teon = trekken; ON tien [ti-en]
teorian = tieren
teoru = zn teer
tether = touw om vee vast te binden in wei; NL tetter = hoofd
teran = ww teren, verteren
teran = ww trekken, scheuren, vernielen; VA NL tieren; ME tear
-tere = -boom; VB aeppeltere = appelboom
th... zeA d...
tha = toen, daar*, jouw, uw
thaec (hrof, hrove) = zn dak, dek; ON deck
thaecan = ww dekken, bedekken
thaecere = zn dekker, dakdekker, bedekker; VB reotthaecere = rietdekker
thaecleac = daklook (# kruid)
thaelar =A daller
thaem >A them
thaer [thaar] (ther, thara) = daar; AS taor
thaerofer = daarover
thaerup = daarop
thaes = daar, aldaar
thaes landes kuste = de kusten van het land daar
thaes the = omdat
thaet = dat; AS det
thahan = ww dagen, dienen, dragen, hijsen
NB: on flette thahan = op 't schild dragen (# eerbetoon)
thain (thegn) = dienaar
thancian (thoncian) = danken
thane = halfadel
thara =A thaer
the = de, die; AS de; EZ de
theah = doch; ME though
thean = den, denneboom
thearfian = derven
thearn (thorn) = doorn; AS/VW dern
thecen zn deken
thegan = ww dienen
thegen (thain, thegn) = soldaat, dienaar, thane (= halfadel)
thegn {mv thegns} = dienaar, leenman; ASoud teng; > thegen
them (thaem) = hen, hun, ze
then = zn wilgetak = teen, teng, tengel; >A thun
then = toen
thenan {ev then} = wilgetakken, tenen
thencan (thencean) = denken
thencean (thencan) = denken
thensi = deze
theo =A theoh
theod (thewaz) = land, volk
theof = dief; AS deef
theoh = dij (bovenbeen)
theon = groeien
theos = dit (vrl); > this, thes
ther =A thaer
therscan = ww dorsen
therscmyl = dorsmolen; AS dorsmulle
thes = dit (mnl); > this, theos
thewaz (theof) = dief, boosdoener
thicce = dik
thid =A tid
thider = vz daarheen
thiestre = duister; AS duuster
thight = dicht
thigi = ter ere van > himthigi (ter ere van hem)
thim = tijm (# kruid)
thimstrup = tijmstroop (# hoestdrank)
thing (ding) = ding, zaak, rechtszaak
thingian (dingan) = dingen = rechtsproces voeren
thins = tijns = pacht; AS/VWoud thins
this = dit (neutr); AS dizze; SW disse; > thes, theos
thissel = bijl, houweel; ON dissel
thissel = dissel = disselboom = boom tussen paarden van tweespan
thistel = distel (# plant)
tho (te, to) = te, naar; ON tho, to
thoddan = ronddolen
thodde = marskramer; AS todde
thogh = zn teug; ON toghe
thogh (eagther, egtir, hwethrae, mer, mar, mor) = bw echter, maar, doch, hoewel, toch, ofschoon; ON toghe
thoghan = ww togen, reizen, trekken; ON toghen
thoghet = zn tocht, reis; ON toght, togt
thoghus = bazaar, overdekte markt; ON toghehuus
thogrig = toebehorend; ASoud thogrich
tholl = dol BT roeispaan; ME thole
Thonar =A Thunar
thonc = dank
thoncian (thancian) = danken
thone = die, hun
thone stede the is gecweden Cerdicesora (Cerdicsford) =
die stad die Cerdisford is genaamd (geheten)
thore =A dore
Thorhem {885-896nC} = Doorn/Utrecht > PgAng/Thorhem
thorn (thearn) = doorn
thornig = doornig
thorp (throp) = dorp, landgoed
Thorulf = jongensnaam
thosa (thusa) = die, deze
thou (thu) = jij; AS dow
thraed = zn draad
thraf = zn berisping, straf
thrafian = ww drijven, berispen, straffen
thragan (dragan) = ww dragen
thraw = worp
thrawan (weorpan) = ww werpen
threat = menigte
threat = dreging
threatian = ww dreigen
thred = zn tret, trede
thredan = ww treden
thusa (thosa) = die, deze
thusa = thuis; ON thuse
trendel = kring, schijf
thragan = ww pogen, ondernemen
thragan = ww regeren @
thrage = regering @
thrage = poging, onderneming
thread = tred, trede, schrede
threadan = ww treden
threo (thri) = drie; AS dree, drei; ASoud drey
threoda dael = derde deel; ASoud drudde deill
threodaeg = derdendag = voor de derde dag (maal?)
threofardael = drievierde deel
threohalf = derdehalf = 2½
threotene = dertien
threotende = dertiende
threotende daeg = dertiende dag = 6 januari
threp = trap, terp, klif; > PgBrit/Aeglesthrep
threscold = drempel
thri (threo) = drie; AS dree, drei; ASoud drey
thricorn = tricorne = steek (# herenhoed) met drie punten, i.c. links, rechts en voren
thrim = drie
thrim maegthum Germanie = drie Germaanse machten
thringan = dringen
thristecc (thricorn) = driesteek = herenhoed met drie punten
thritig (thrittig) = dertig
thrittig (thritig) = dertig
throp (thorp) = dorp, landgoed
thrutian = gezwollen zijn; VA NL strot
thryccean = drukken
thrym = drom, menigte, kracht, macht
thrysce = lijster (# zangvogel)
thryth = sterkte, macht
thu (thou) = jij; AS ty
thula = gat, greppel, goot i.b. bij dijk of dam; AS/Harreveld doele
thuma = duim; AS doem
thun = vlechtwerk van wilgetakken (=A thenan), schutting
thun (thune, thyn, toon, tone, tun, tune) = tuin, omheinde grond, erf; AS/TW tuun; AS/AH tone
Thunar (Thynar, Thonar) = Donar (Germaanse god) > PgAng/Donar
thunbow = tuinbouw
thundar (thunor) = donder; ME thunder
thundarclap = donderklap
thundarleac = donderlook (# huislook, kruid)
thundarslag = donderslag
thundery = tuinderij, tuibedrijf
thune =A thun
thunor =A thundar
thunpaed = tuinpad
thunrian = donderen (# weer); ME thunder
thur (duru, thurh) = door; AS deur; SW deur; ME through
thurbringan {thurbringet, -broged, -braged} = ww doorbrengen
thuresdaeg = donderdag; genoemd naar de god Thor; ME thursday
thurfan = ww nodig hebben; ON durven, dorven
thurh =A thur
thurst = dorst
thurstan = dorsten
thurstig = dorstig
thus = dus, aldus
thusend = duizend; AS duzend, doezend
thusend wera = duizend soldaten
thusendblaed = duizendblad (# kruid); AS doezendblad
thwaert = bn dwars
thwaertan = ww dwarsbomen, voorkomen, verijdelen
thwang = dwang
thweal = dweil; het wassen; AS dwil, dwiel
thwealan {thwealt, thwealet, thwealt} = dweilen
thweores = dwars
thwingan {thwingt, thwong, thwongan} = dwingen
thyn =A thun
Thynar =A Thunar
thynne = dun, zeldzaam, schaars, gering, onbeduidend; ON dunne
thyns (tins) =A cyns
thyr = reus, demon
thyran = tieren, turen
thyrel = tuurgat, kijkgat
thyrre = droog, door, onvruchtbaar
tiadae = die dagen; > aefter tiadae
ticcen = geitje
ticia = teek; Zelhem: tieke > PgAng/Tieckenslaegte
tid (thid) = tijd, getij; AS tied; SW tied; ME tide, time
deara tid = zware (moeilijke) tijd
tidan = overkomen, gebeuren
tiding = tijding; AS tiding
tien = tien
tiergan = tergen
tife = teef; ON teve
tig (tih) = boerenerf, open ruimte
tigan = tuigen, vastbinden; AS tugen
tigele = tegel; ON+AS tichel; AS tichel
tigelmakere = tegelmaker
tigelmakery = tegelmakerij; AS tichelmakerie
tigelwerc = tegelwerk; ON+AS tichelwerk
tih =A tig
til = vz tot
tilian = streven, verkrijgen, bebouwen
tilla {mv tillas} (brycge, brigge) = brug; AS/Gro til = brug
tillan = tillen
tima = tijd, tijdstip
timber = hout, bouwmateriaal, stapel huiden; ON timber
timbran =A timbrian
timbrian (timbran) = timmeren; > getimbrian
tinclian = prikkelen, kittelen; VA NL tintelen
tind = tand, scherpe punt
tinn = tin, blik (# metaal); ON tinne, tenne
tinnslegere = blikslager
tinnslegery = blikslagerij
tins (thyns) =A cyns
tinxdaeg (tiwesdaeg) = dinsdag; ON dincsdag, tsinxendag > PgAng/Dingplaatsen
tior = moe, vermoeid
tiorian = ww vermoeien
tir (rum, rym) = eer, roem
tisicke = tering, tbc; ON tisike
titt = tit, tiet; AS tit
tiwesdaeg (tsinxdaeg) = dinsdag; genoemd naar de Germaanse god Tiwaz; ON dincsdag
to (te, tho) = te, naar; ON to, tho; AS too
toban = tobben
tobig = tobbig
tod = bundel bladtwijgen
todaeg = vandaag
toga = zn tocht; ON togt
togan = togen, ergens heen gaan; ON toegaen; ASoud toegen
toh = taai, hardnekkig; ME tough
toheap = tehoop; AS tohope; MA tohop
tohniss = taaiheid
tohoaran = ww toehoren
tol (toln) = zn tol, draaitol (# gereedschap)
toll = tol, grensbelasting
tollbar = tolplichtig; ON tolbaer
tollbeam = tolboom, slagboom; ON tolboem
tollbord = tolbord = bord bij tolboom met daarop de toltarieven
tollgield = tolgeld
tollhus = tolhuis, belastingkantoor
tollnere = tolheffer, belastinginner
tolltarif = toltarief
tollwaeg = tolweg
toln =A tol
tomod = tegemoed
ton (tun) = zn ton; ASoud toen
tonfisc = tonvis = gezouten vis in ton
tong = tang
tone (thun, thune, toon, tone) = tuin, omheinde grond, erf; AS/TW tuun; AS/AH tone; ME ton
NB Vrml hoeven Harreveld: Berends Tone, Kösterziene Tone, Meulen Tone, Ooimans Tone, Platen Tone en Wessels Tone.
tonne = ton, vat, inhoudsmaat; ON tonne, tunne
toon (tone, thun, thune) = tuin, omheinde grond
topp = top, spits, heuvel
tor =A toran
toran (tor) = toren; ON tor, torn
torc (tortys) = toorts, fakkel, flambouw; ON tork, turk, tortyse
torcca (hleodryhtne) = torque = hals- of armband van goud
tordwifel = mestdraaier (# kever)
torn = toorn
torr = poetsdoek; AS torre
tortys =A torc
toruck = terug
toth (tand) = tand; LW dant (mv dantis)
touw = werk
tow = zn touw, sleeptouw; AS/LM töw
tow = pv je, jij; AS je, jij
tow (taw) = vz door
towan = douwen, duwen, slepen, voortgaan, doorgaan
towbot (snicc) = trekboot, sleepboot
toweard = vz naar, naartoe; ON tuwaert, tewaerds
towere = leerlooier, huidenbewerker; ON touwere
towery = leerlooierij, huidenbewerkerij
towpaedh = jaagpad = pad langs trekvaart
towslegere = touwslager
towslegery = touwslagerij
trae = traa = smalle bosweg
traec = trekweg = zandweg met karresporen
traes =A traet
traet (spor, traes, treck) = trede, spoor, voetspoor; ON traets, trase
traemp = landloper
traewan = bedelen, zwerven; ON truwan
traewant = bedelaar, zwerver; ON truwant
trag = traag, slecht
treadan = ww handelen
treade = zn handel
treadere = handelaar
treadman = handelsman, ambachtsman
treaft = drievoet, onderzitter; ON treeft
treck = trek, ruk, spoor, bospad
treckan {treckt, trock, trockan} = trekken, rekken, rukken, slepen, zuigen, slurpen
treckhros = trekpaard
trecksacc = trekzak, trekharmonica
treckwaeg = trekweg = weg waarlangs mensen te voet trekken; voetpad
treda = tret
tredan = treden
treg = strijd
tregan = strijden
tregar = strijder
tregian = bedroeven, kwellen
trekiar = strijders
trend (trind) = zn bocht
trend (trind) = bn bochtig, rond
trendan = buigen, rollen
trendig = bochtig
treo (beam) = boom, hout; ON traa; ME tree
treow = bn trouw, eerlijk; ON trauwe, truwe
treowa = zn trouw, eerlijkheid; ON trauwe, truwe
treowth = waarheid
treowyrhta = houtbewerker, schrijnmaker, timmerman
triewe = trouw
trig = smalle houten boot met platte bodem; ME tray
trig = dienblad
triggan = ww trekken
trind =A trend
trindan =A trendan
trindig =A trendig
trog = trog, voederbak
truht (forrel) = forel; ASoud troet, trut
truhtman = forelvisser; ASoud troetman, trutman
trymman = in orde brengen, bevestigen; VA NL trimmen
tsyne = 't zijne = andermans bezit; ASoud tsyne
tsyne nemnan = plunderen
tu (twa) = twee
tub (cupe) = zn tobbe, wastobbe, badtobbe, badkuip, kuip; AS tubbe
tub = plas, meertje > PgAng/Tubbergen
Tubbig = Tubbergen
tuc = zak, broekzak; AS tuk
tuccan = ww trekken, insteken
tuge = tegen; AS teuge
tugnisse = opbrengst; ASoud tuchnisse
tumbian = tuimelen, dansen
tun = tuin, omheinde grond, erf; AS tuun
tun (ton) = ton
tun (tune, thun) = tuin, omheinde grond, erf; AS tuun
tune (tun, thun) = tuin, omheinde grond, erf; AS tuun
tunge = tong, taal; ON tunghe; AS/Bremen tunghe
turbel = onrust; ASoud turbel
turnian (tyrnan) = draaien, keren, omkeren
turtel = schildpad; ON turtel
turtur = tortel, tortelduif
tusc (tux) = zn 1. slagtand, lange puntige tand; 2. driehoekig stuk land
tusc (tux) = vz tussen; ON tusk; AS/TW tuske, tusgen
tuta = zn tuit, puntig stuk land, toeter, hoorn; ON tud, tute; AS toet, puntzakje; AS/AH tute
tuta = bn puntig
tutan = ww toeteren, hoornblazen
tute = kip (# pluimvee); ASoud tuite
tutert = kippenveld; ASoud tuitert
tux =A tusc
twa (tu) = twee; AS twei (> PgAng/Beckum)
twastecc = tweesteek = steek (# herenhoed) met twee punten
twegen =A twa, tu
twegen ealdormen = twee oldermannen, leiders
twelf = twaalf; ON twaelf, twelef; AS twelven
Twelf Nihtan = Twaalf Nachten
twentig = twintig
twicc = zn ruk, trek
twicc = tweesprong
twiccian = ww rukken, trekken, afrukken
twice (twiges) = tweemaal
twig = twijg, tak; ON twich; AS/VWoud twych
twiges (twice) = tweemaal
twil = dubbel
twileoht = schemering
twili = soort dubbeldraads weefsel
twiliht = schemering
twiling = tweeling; AS twiling
twin = twijn (dubbele draad), tweetal
twinan = slinken
twincel = twinkel
twinclian = ww twinkelen
twist = bocht, draad, wrong, streng, koord; ON twist
twist = ruzie
twistan = ww twisten, wringen, buigen
twix = tweevoud
twixen (betwixen) = tussen; ON twisken
twyfal = zn twijfel; AS twiefel; ASoud twevel, twivel
twyfalan = ww twijfelen; AS twivelen
twyfalig = twijfelig, twijfelachtig; AS twivelig
tygal = teugel; ON toghel
tynder = tondel, aansteker; > ontendan
tynderbox = tondeldoos (# protovorm aansteker)
tyrn = zn draai, bocht, ommekeer
tyrnan (turnian) = ww draaien, keren, omkeren
 
u::
u = u, v > uu
-uc >A -oc
uccle (huccle) = zn ukkel, ukkie, klein kind, iets kleins
uccle (huccle) = bn klein, teer
uder = uier
uf (huf) = huig; > hyge
ufan =A bufan
uglig = bn vreselijk
uhta = ochtend
uhtagloran = ochtendgloren
ule (oule) = uil; ON ule; AS ule, oele
um = vz om; AS um
-um (ham) = zn huis, heem, woonstee, oord; >A hume
Komt voor in vele plaatsnamen. O.a. in Beckum (= Beckham).
umcomon = ww omkomen
ummer = immer, steeds; ASoud ommer
ummers = immers; AS ummers; ASoud ommers
umwaeg = omweg
un- [on-] (on-) = on-
unarimedlicu = talloze
unarimedlicu herereaf = talloze legerofficieren
unbefruhted = onbevrucht, geen vrucht dragend; ASoud unbevruchtet
unbidan = ontbeiden, wachten
under [onder] = onder; ON under; AS under
NB hevet under = heeft in bezit
under the ploh = bebouwd land; ASoud under de plach
underbaec = vz achter
underneodhan = onder, beneden
underwaeg = onderweg
undugudhlic = ondeugdelijk; ASoud unduchtlich
unfurlic (ungefurlic) = ongeveer; ASoud unverlich
ungedeorta = ongedierte
ungefurlic =A unfurlic
ungent = zalf; ON ungent
ungesawad = niet ingezaaid; ASoud ungesehet
Ung- =A Eng-
-ung (-ing) = -ing; ASoud -ung; >A behusung
ungefearlic = ongeveer; ASoud ongefeerlick
Ungel =A angel
ungeltan = onkosten; ASoud ongelden
ungemac = ongemak
ungemaclic = ongemaklijk
ungewaerd = ongewaard; ASoud ungewaert = niet deelhebbend
ungol (angol, picchoc) = pikhaak (# gereedschap, werktuig, wapen)
ungol = vet, smeer, reuzel; ON ongel, ungel
ungul = instrument met puntige haak
unicorn = eenhoorn (# fabeldier); ON unicoren
unland = onland = slecht land, drasland, wetland; ASoud unlandt
unmudig = onmondig, minderjarig; ASoud onmudig
unnan = gunnen; > est
unslid = dierlijk vet, reuzel, varkensvet
unsaelig = onzalig, ellendig, armzalig, onhebergzaam, woest, verdorven, slecht; ON onselich; AS onzoalig
unsulh = onnozel; AS onzoel
up (op) = vz op; ON up; AS up; EZ uff; ES op; > on
upbouran = ww opbrengen, ontvangen, innen; AS inbeuren; ASoud upboeren
upboure = zn opbrengst, inning
upcomstan = inkomsten, opbrengsten; AS inbeuring; ASoud opcompsten
upfaeranda = nieuwkomer; ASoud opvarende
uphaldan = ww ophouden; ON upholden
uphalding = zn oponthoud
uphefal = ophef, onrust, ontreddering
upland = zn hoogland; ON opland
uppan = ww meedelen, beschrijven; ON uppen
uppan = vz open; ASoud uppe
uppanlic = openlijk; ASoud uppelike
upper = vz opper, boven; ON upper
upperan = ww opperen; AS uppern
uppian = zich verheffen
uprekanscap = ter nadere afrekening; ASoud up rekenschap
upprel = oprit naar top van dijk; ON opprel
uprisan = oprijzen, verzetten
uprise (uprising) = opstand, verzet
uprore = oproer
uprising =A uprise
upsaete = belasting, pacht; ASoud upzaete
uptaegt = opvoeding; ASoud optocht
uptian = opvoeden; ASoud optien
uptymearing = bouw; ASoud optymmeringe
upweard = opwaards; ON upwaerd
ur = bn oer; ON ur
ure = onze(r); ME our
uroxa = oeros, oerrund
us [us, os] = ons; ON+AS us
useran = gebruiken, wennen; ON useren
ustar (ostar) = oester
ustarman = oesterman = oesterkweker
ut = uit; ON ut, uut; AS uut, oet; SW uut; ME out
utan = buiten; ON uten
utbac = uithoek, afgelegen gebied
utbold = uitbouw, bijgebouw
utdaen = verpacht; ASoud uutgedaen
utdon = ww verpachten
utdragan = opbrengen; ASoud uutdraegen
utdrift (leadwaeg) = weg waarlangs vee gedreven wordt en waar het kan grazen
Utert = Utrecht; ASoud Utert
uterwic = buitenwijk; ON uterwyck
utland = buitendijks land; ON utlant
utloc = uitzicht, uitkijk
utscyrt = buitenwijk, randgebied
uu = uu, w > u
uyr = uur; ASoud uuir
 
v::
v- ze f-
vaec =A vake
vaeke = bw vaak
vaet >A vat
vagarant = zwerver
vake = zn slaap; bn slaperig
vala = vaal
vandael = vandaal
vang = scheepstouw
vat (vaet, faet) = vat, soort boot
veam = veem, vereniging, broederschap
veamgeriht [veemgeraith] = veemgericht
vearan = ww vieren, loslaten
veark (fearc, su) = varken
veld (feld) = open, onontgonnen land
venear = fineer, deklaagje
venearan = fineren, bedekken, afdekken
veninan = ww vergiftigen
venine = venijn, vergif; ON venijnt
veninere = gifmenger; ON venienere
vermilon = vermiljoen (# kleur)
veyle = voile
viccari = vicarie = huis van de vicarius; ASoud viccari, vicarie
virger = dienaar
vogal (mv vogala; fugol, fogle) = vogel
vogala = vogels
vorrel =A forrel (forel)? NB komt voor in veldnamen en wegen op platteland
 
w::
wa = wee; >A waje
wabblan = ww wiegelen, waggelen, schommelen
wac = bn week, zwak
wac = wak = gat in het ijs
wacan (waeccan) = waken, bewaken
wace = zn wake; bn wakker
wacere = waker, bewaker
wad = wede = # plant, blauwe verf gemaakt van die plant
wadan = waden
wade (ford) = ON wade (Utr) = voorde = doorwaadbare plaats
waeccan =A wacan
waecdog (balchund) = waakhond
waecean = ww weken, week (slap) maken
waectoran (garite) = waaktoren, wachttoren
waed = wad, water, zee
waefan = ww wuiven, groeten
waefan = ww golven (# water, korenvelden, etc)
waefan = ww omwikkelen, bekleden
waefe = zn golf
waeg (weg) = weg, pad
waeg = gewicht, last
waegan = ww wegen
waegbrea = wegebree (# wilde bermplant); ON weghebra
waegn (waen) = zn wagen
waegnmakere = wagenmaker
waegnsmeor = wagensmeer = smeervet voor wagendelen
waegnweol = wagenwiel
wael = bron, put, wel
waelan (walan) = strijden, vechten, verslaan, doodslaan
waelere = strijder, vechter, soldaat
waelstede = strijtoneel, slagveld
Waelcyrge = Valkieren (Noorse mythologie)
waen zn (waegn) = wagen
waend = wand, van wilgetenen gevlochten wand, muur; ON want
NB De Lange Wand in Rekken (Gld) is een groot gebogen akkergebied
waenda = wende, keerpunt
waendan = ww wenden, winden, buigen, vlechten
waenna = wan = platte mand van gevlochten wilgetenen om kaf van koren te scheiden; AS wanne
waepen = wapen
waepenbrothor = wapenbroeder
waepenmakere = wapenmaker
waepenmakery = wapenmakerij
waepennot = wapengenoot, wapenbroeder
waepenrocc = wapenrok = bovenkleed over wapenrusting
waepensmidh = wapensmid
waepensmidhery = wapensmederij
waepentace = verdegingszone
waeps (waesp) = wesp; AS wepse
waer = bn waar
waer = opspattend water
waer =A waerscap
waerd = waard, herbergier, kroegbaas; AS weard, waord
waere = zn waar, waren, goederen
waerof = bw waarvan, waarover
waermos = warmoes, groente
waermosbour = groenteboer
waermosere = warmoesier = groenteboer
waermosmaerct = groentemarkt
waermossceopa = groentewinkel
waerscap = aandeel, aandeel in een marke; ASoud waer, waerschap
waes (was) = ww was (vt zijn)
waes = bn dras, nat
waes = zn moeras; ON waes, modder, drasland
waesland = drasland; ON waesland
waesp (waeps) = wesp; AS wepse
waessan (hwaessan) = ww wassen, groeien
waesscout = dijkgraaf; ON waesscoutte
waest = afval
waest = bn onbruikbaar; AS west = geweest
waestkyl = afvalkuil
waestland = slecht, onbruikbaar land
waet = gewaad, weefsel, doek
waet = bn nat
waetig = bw nattig
waeter (watre, gewat) = water; SW waeter
waeterbac = waterbak
waeterbour = waterboer = waterverkoper
waetercule = waterkuil, watergat; AS waterkuul
waeterfeall = waterval
waeterfugol = watervogel
waeterhalf = door wateroverlast; ASoud watershalven
waeterhol = watergat, poel, plas
waeteringe = 1: wetering, afwatering, sloot; 2: waterschap
waeterlaet = afwateringkanaal; ON waterlaet
waeterland = nat land, drasland
waetermaedwe = natte weide
waetermylen = watermolen
waeterpenning = waterschapbelasting; ON waterpenninck
waeterput = waterput
waeterputtan = waterputten
waeterraed = waterrad
waeterralle = waterral (watervogel)
waeterscada = waterschade
waeterscip = waterschap
waeterstand = waterstand
waeterwaeg = waterweg
waeterweol = waterrad
waeterwercan = waterwerken
waeterwull = waterwol = lage kwaliteit wol; ON waterwulle
waetnisss = natheid
waey = kolk, meer, plas; NL waai; AS/LM waay; Betuwe: wiel, waay
wafian = ww wuiven, wapperen, golven
wag = wand, muur; ON weeg
waga = wieg
wagan = ww wagen
wagan = ww wiegen
wagan (wagan) = schudden, zwaaien, kwispelen; ON wagen; ME wag
wagglan = ww waggelen, kwispelen; ME waggle
wagian =A wagan
wahtan = ww wachten, bewaken
wahtere = zn wachter, bewaker; AS wegter
waitha (weda, wee) = weide
NB Vele plaatsnamen in Cumbria (HAG) eidigen op -waithe.
waje = weinig; >A wa
wakian = waken
walan =A waelan
wald =A wold
walda = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde; > Bretwalde, weald
walda = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
waldan = ww besturen, beheren, regeren; ON welden
walla (weal) = wal, muur, kade; ON walle; AS welle
walscot = walschot = vet gemaakt uit een vette stof in de kop van de potvis
wamb = baarmoeder; ON wamb, wam
wambesticcere = kleermaker, wambuismaker; ON wambesticker
wambuse = wambuis = hemdrok; ON wambuise
wamm = buik; ON wamme
wamsule =A wambuse
wan = zn gebrek, fout, mand
wan = bn slecht, fout
wan- (won-) = wan- = slecht; VB wangedrag
wanc = bn wankel, onvast, instabiel
wancian = ww wankelen, twijfelen
wancig = wankelig, instabiel, onzeker
wandlan = wandelen
wandlung = wandeling, wending, verandering
wandrian = reizen, trekken, zwerven
wanian = wenen; MA weanan
warc (werk) = werk; AS wark
NB Warc komt voor als locatienaam in Noord Yorkshire en Warken komt voor als wegnaam in het buitengebied van Vorden.
warcen (wercan) = werken; AS warken
ward = zn waard, bewaarder, hoeder
ward = werd (# worden)
ware (folc) = volk; Kantware = volk van Kent
warena = graaf (# functie, titel)
warodh (waroth) = waard, waarde, strand, oever, kust
waroth =A warodh
warra = verwarring, wanorde, onvrede, onrust; ON werre, warre, war
warra = strijd, oorlog
waru = zn waar, waren; vb koopwaar
was (waes) = was (vt zijn)
wascan = ww wassen, schoon maken
wast = zn middel (# lichaam)
wat = gewaad
watan =A witan
watre (waeter) = water
watul = watel = muurplaster gemaakt van klei, turf en mest > PgAng
wawan = waaien
wayan = ww weiden (van vee)
waye = zn wei, weide
waye = zn veld, tuin; ON weie > colwaye
wayland = weiland
we (wu, wuh) = we, wij; ON+AS wi
weadar = bw weer, alweer; ON weder
weafan (weaffan, webban) = weven
weafar (webber) = wever
weafcomb = weefkam
weafcunst (webbcunst) = weefkunst
weaff (wiff) = snel, beweeglijk, behendig
weaffan (weafan) = weven
weafstol (webbstol) = weefstoel
weal (walla) = wal, muur, schans; AS welle; ME wall
Wealas = Welsh, Welshmen
thä Wealas flugon thä Engle swa swa fur = de Welsh vluchten naar Engle als voor vuur
wealburg = walburg, borg
wealcan = kneden, drukken, persen, wassen; ON walken
wealcan = lopen, rollen, tollen, zwalken, omdraaien; ON walken
weald {mv wealdas} (weold, wud, wudu) = zn woud; AS wold
wealda (walda, weolda) = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde; > Bretwalde
wealda (walda, weolda) = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
wealdan (waldan, weoldan) = ww regeren, heersen, besturen
wealde = zn weelde
wealg = walgelijk
wealgan = walgen
Wealh = Waal, Kelt; ON Walah
weallan = wellen, opwellen, zieden, bruisen, zwermen; >A wella
wealnutas = walnoten
wealnutu = walnoot
wealt = gebied met veel wilgen (AS welen); AS/VW weelt
Wealum = Wales
weama = weme = droogzolder; AS weme, wieme
weama = weeme, wheme = huis + hof + 2 morgen land + boomgaard; AS/VW weme
weama = pastorie; AS weme, weeme; ASoud wedeme, wedeneghen
weamod (wimod) = weemoed, boosheid
weamodig = weemoedig
weanere = bewoner van een kate (kleine hoeve); ASoud wener, weener
weard (weorth) = weerd, waard = aan water gelegen buitendijks land
weard (weorth) = weerd, waard = laag liggend land; ON weert, woert
weard = wachter, opziener, toezichthouder, bewaker
weard = menie
-weard = -waards; ON -waerd, -weart
weardian = ww behoeden, bewaken; ME ward
weardig (weordig, weorthig) = opzichter; ON wearddighe
weardmaester (weordmaester) = waardmeester = toezichthouder uiterwaarden; ON waerdmeaster; AS/Zalk waerdenmeaster
weardscip = voogdij
weareld (wearelt, weorold, weyreld, woruld) = wereld
wearelt =A weareld
wearf = erf, onbebouwde grond rond woning, bedrijf
wearf = werf, plateau, hoogte, kade, dijk, dam, oever, zandhoogte
wearf = gerechtsplaats
wearf = ON werf, wearf, warf, warft; AS warf, werf; SW warf; ME wharf
wearfholt = wervenhout = wilgenhout; ASoud warvenholdt
wearg = vloek
wearm = bn warm
wearmta = warmte
wearnian = waarschuwen; ME warn
wearte = wrat
weatha (tearwa) = tarwe; ASoud weyte, weite = tarwe; ME wheat = tarwe
NB >A hwaete
weyreld =A weareld
weax = zn was
weaxan = groeien
webb = web, weefsel, ketting van weefgetouw; ON webbe; ASoud webbe
webban (weafan) = weven
webbcunst (weafcunst) = weefkunst
webber (weafar) = wever
webbestre = weefster
webbgudh = weefgoed, weefsel, geweven stof
webbstol (weafstol) = weefstoel
wecca = wikkel, lampepit
weccan = wekken, wikkelen
wecg = zn wig; ON wegge; ME wedge
weda (waitha, wee) = weide, wei, veld; ON wede
weda (wedwe) = weduwe; ON wede; AS wedwe
wedaland = weiland; ON weideland, weyland; AS/VWoud weylandt
wedan = weiden
wedd = belofte, gelofte, overeenkomst, onderpand; ON wed
wedda = wedde, weddenschap
weddan = wedden, beloven, overeenkomen
weddian = beloven, trouwen, verenigen
wedding = bruiloft, huwelijk, huwelijksfeest; ON weddinghe
wede = wilg, weduwe
weder (hweather) = zn weer, weder
wedfraw (wedwa) = weduwe; ASoud wedtfrouwe
wedwa (wede) = weduwe; AS wedwe
wee (wede) = weide; AS wee (Holten, Bathmen)
weg (waeg) = weg
wegan = bewegen
wegga = wegge = tarwebrood, witbrood; AS wegge
wel = bw wel, goed
wela = welzijn, welgaan
welcan = ww welken
welde =A wolde
wele = wilg (# boom); AS/VW wele
welig = bn welig
welig (wede, wilig, wey, sealh) = zn wilg; ON wilghe, willighe, wighe
weligan (weligs) = zn wilgen; AS/VW welen
weligs =A weligan
wella = zn wel, bron; >A weallan
wellan = wellen, borrelen, koken
wellpal = welpaal = paal om opwellen van grondwater te bevorderen
wellput = welput = put met welwater
wellputtan (mv wellput) = welputten
wellwaeter = welwater = opwellend grondwater
welta = weelde; ME wealth
wen = waan, mening, geloof, hoop
wenan = wanen, menen, geloven, hopen
wenc (winc) = wenk, bocht; AS weenk
NB De Weenkweg te Rietmolen in Twente is inderdaad een weg met veel bochten.
wencan = ww wenken, buigen
wencbra (eagebra, eagebru) = wenkbrouw; ON oghebrawe, oghebra
wendan = wenden, keren
Wenedas = Weneden = Slavisch bolkstam
wenian = wennen
weoce = zn wiek (van molen)
weod (rut, fuyle) = onkruid; ON wiet
weodian = wieden
weoh (wig) = afgodsbeeld
weol (hweol) = zn wiel, rad
weolblaed = wielblad = schoep van waterrad
weold {mv weoldas} (weald, wud, wudu) = zn woud; AS wold
weolda (walda, wealda) = heerser, regeerder, bestuurder; ON welde; > Bretwalde
weolda (walda, wealda) = ambtsgebied, bestuursregio; ON welde
weoldan (waldan, wealdan) = ww regeren, heersen, besturen
weoloc = wulk (# slak)
weolpyt = wielput = put waarin wiel van watermolen hangt
weorc =A werc
weordh = wv waard, zou zijn
weordha = waarde
weordhan = ww waarderen
weordhig (weorthig) = bn waardig
weordhigniss = waardigheid
weordhscipe = waardering
weorold (wearelt) = wereld
weorpan (thrawan) = ww werpen
weorth (werth, weard, worth, wyrth) = zn wierde, waarde (buitendijks land), laag gelegen land; ON weurt, waerd, waert; ASoud wort, worde, weard, wurth
weorth = bw waard
weorthan (werdan) = ww worden
weorthig (weardig, weordhig) = bn waardig
weorthig (weardig) = zn opzichter
weorthig = zn landgoed; ON woerthe.
NB Rams Woerthe in Steewnwijk.
weorthigniss = waardigheid
titel: Yor Weorthigniss = Uwe Waardigheid
weosule = wezel; ME weasel
wepan = treuren, schreeuwen; ME weep
wer = zn weer, weder >A hweather
wer = zn weer, dam, wierde; AS/Gro wier, weer; ME weir, wear
wer = bn moe
wera = soldaten; ON weermannen
weran = ww weren, verdedigen
werc {mv werces} (weorc, warc) = werk, werkplaats, fabriek; ON werc, warc; AS wark
wercan (warcen) = werken; ME work; ES [werk]
wercere = werker, werkman, arbeider
wercin = henneppluksel; ON werkin
wercman = werkman, werker, arbeider; ON wercman
wercsang = werkzang, werkliedje = zang onder het werken om het werk te verlichten
werdan {werdt, werdet, wordan} (weorthan) = worden
were = kleding
were = bezit, goederen; ON were
werewulf = weerwolf
wergan (worgan) = ww wurgen, vermoorden
wergield = weergeld; > PgAng/Weergeld
werian = ww vermoeien
werian = ww weren, verweren
werian = dragen (# kleding =A were)
werig = bn vermoeid
weringe = verweer, afweer; ON weringhe
werlihtan = ww weerlichten
wermod = alsem (# kruid)
werpliht [wearplait] = weerplicht, dienstplicht; ON werepligt
werra = verwarring; ON werre, warre, war = verwarring, wanorde, onvrede, onrust, oorlog
wers (wyrs, wors) = slecht, slechter, minder; ON wors, wers
werth =A weorth
wesan = ww wezen, zijn
wesend = wisent, stinkdier
wesende = wezende, zijnde; > cnihtwesende
wesle = wezel
weso = zn wees, weeskind
west = west
weste (wyst) = zn woest; AS weust; ME waste
weste = bw westelijk, ten westn van
westland = woest land, woestenij; ME wasteland
westside = westzijde, westkant; ON westside
westweard = westwaards; ON westwaerd
wey (welig, sealh) = wilg
what = wat
whee = we; > we
while = wijle, moment, ogenblik; ON wile, wijle
whiscan = ww wissen, uitwissen, wijken, ontkomen; ON wisken
whispelan = slissen, sissen; ON wispelen
whispelan = ww heen en weer lopen, draaien, zwerven; ON wispelen
whisprian = ww fluisteren, fluiten, slissen; ON wisperen
Whitware = volk van Wight
Whitware thaet is eo maegth the nu eardath on Wiht =
Whitware, dat is de macht die nu woont op Wight
wic {mv wicas} = zn wijk, buurt; ON wick; AS wik
wic = zn bocht, inham; AS/Gro+NH wik; >A wick
wic = zn wiek (# molen)
wica =A wic
wican = ww wijken
wicca = zn tovenaar, mnl heks
wicca = bn slecht; ME wicked
wiccan = ww wikken, toveren; AS wikken = voorspellen, verzekeren
wiccawif = waarzegster; AS wikkewief
wicce = heks
wicce = wikke = wilde klimplant met peulvruchtjes; ASoud weck, weec
wiccesaed = wikkezaad; ASoud wecksaeth
wiccrod = heksenkruid (# StJanskruid)
wich =A wick; AS wig = wijk
NB Harwich en Norwich (UK); > PgAng (Menighardeswich)
wick (wic, wich) = wijk, wijkplaats, nederzetting; ON wik, wike, wyc, wyck; AS wick; SW wick
NB In turfgebieden: wijk = bepaald deel (segment) van het hele turfgebied.
wiclan = wikkelen
wicmaerct = weekmarkt; AS wekmarkt
wicu = zn week; AS wek; ASoud wieck
wid (widde) = wijd; ON wide; AS wied
widan = ww wijden
widbind = kamperfoelie (# slingerplant); ON widebinde
widblic = wijde blik > PgAng/Balder
wide = wilg (# boom)
widde =A wijd
widder = vz tegen; ON widder
widdersin = tegenzin
widdragnhed = ingetogenheid, gereserveerdeheid, teruggetrokkenheid
widdragnig = ingetogen, gereserveerd, teruggetrokken
widewe (weda, widwa) = weduwe; ON wede; ME widow
widhdhe = widde = band van wilgetakken
widher = bw weer, weder, tegen; ivm weerstaan, e.d.
widheran = ww weerstaan, weerspreken, tegenspreken
widhig = wederik (# plant)
widsith = wijd zicht, ruim zicht, wijde blik > PgAng/Widsith
wielle = zn wiel, kolk, poel plas; AS/BT wiel
wielle = bv rijk aan
-wielle = -rijk; VB fiscwielle = visrijk
wielm = zn walm
wielman = ww walmen, koken, borrelen
wif = wijf, vrouw, echtgenote; ON wijf; AS wief
wifel = twijfel
wifelan = wijfelen, twijfelen, draaien; AS wiefelen
wiff (weaff) = snel, beweeglijk, behendig
wiflic = vrouwelijk; ON wiflice
wifman = vrouw
wig =A wich, wick
wig (weoh) = afgodsbeeld
wig = strijd
wigan = strijden
wigbold = rechtsgebied; AS wigbold; ASoud wigbolt
wigge (wilig, welig) = wilg; ON wighe; ASoud wigge, wiege
wiglian = wichelen, uitpuzzelen
wihe (cyta) = wouw (# vogel); ON wihe
wiht [wait] = wicht, meisje
wiht [wait] = iets
Wiht [wait] = eiland Wight
wihtig = gewichtig, deugdzaam
wilcuma (= gekomen naar de wil) = welkom
wild = zn wild
wildbraed = wildbraad (# vleesgerecht)
wilde = wildernis
wilde = bn wild
Wilde Here = Wilde Heir = Dodenleger van Wodan > PgAng/Wilde Jacht
Wilde Hunta = Wilde Jacht > ZA/PgAng
wildeor = wildernis
wilderd = wildernis, woest gebied
wilderness = wildernis
wildwerc = zn bont, pelswerk
wildwercere = bondwerker, pelswerker, bonthandelaar, pelshandelaar
wilig (welig) = wilg; ON wilghe, willighe, wighe
wiligblom = wilgenbloem
wiligbroc = wilgenbroek = drasland met wilgen; ON wilghenbrouc
will = zn wil
willa = plezier, behagen; AS wille
willan {will, woll, wollad} = ww willen
NB nyllan = niet willen
willcore = willekeur, besluit
wilmod = moed, durf, vrije wil; AS wilmood
wilmodig = moedig, kordaat, vrijwillig; AS wilmoods
wimod (weamod) = weemoed
wimpel = wimpel, schouderdoek
wimpra = wimper
win = wijn; ON win; AS wien
win [wien] (wine, wyn) = vriend; Oswine = vriend van Os; AS Aswin [] = Aeswien
winc (wenc) = zn hoek, bocht, vleugel, lier, hijsmachine, wenk, ogenblik; ON wince, wincle
wincan = ww wenken, winden, wentelen
wince = lier, windas; ME winche
wince = kruk, handvat; ME winch
wincel (wincle) = 1: hoek, hoek land; 2: winkel, shop = zaak die levensmiddelen e.d. verkoopt voor gewoon gebruik. ON wincle; AS winkel. Betekenis 2 is vrij zeker afgeleid van wincel = hoek. Winkels worden in het verleden bij voorkeur gevestigd op de hoek van twee of meer straten. Daar komen immers de meeste passanten c.q. potentiële klanten langs.
wincelhaca (haca, hoc) = winkelhaak, hoekhaak
Wincfot = Mercurius, de Romeinse god van handel, etc. Wincfot = vleugelvoet. Mercurieus is namelijk altijd afgebeeld met een vleugel aan elke voet om zijn dynamiek te symboliseren. > PgAng/Mercurius
wincle =A wincel
wind = wind
windan = ww winden
winde (myne) = winde (# zoetwatervis); AS winde
windbraec (windfal, kwazing) = windbraak = afgewaaid hout
windfal =A windbraec
windmylen = windmolen
windscure = windvlaag, windstoot, windhoos; AS windskoer
wine (win, wyn) = vriend
winnan (wunnan) = winnen, verwerven, lijden, streven, strijden
winne (wunne) = gewin, winst, oogst, verworfenheid
winne (wunne) = lijden, dood, strijd
winne (wunne) = wingebied, akker, ontginning
winnere (wunnere) = pachter, landbouwer; ON winne; AS wunne
winninge = bedrijf; ON winninghe
Winscot = Winschoten
wint = windhond
winter = winter
Saxisch en Fries: winter = wintar
winterrose = winterroos (# kruipplant)
wipan = ww bundelen, geselen
wipe = bundel, roede; ON wipe
wiper = spijt; ON wiper
wippan = ww wippen, onrustig bewegen
wippe = zn wip, hefbalk, hefboom
wippe = kwikstaartje (# vogel); AS wippstetke
wippe = wippe (# bermplant); AS wippe
wir = wier, draad; ON wire; NB NL wirwar
wis = bn wijs; ON wis, wise; AS wies = wijs, verstandig; ME wise
wisard = wijze man, sjamaan, tovenaar
wise = zn wijze, manier; AS wieze
wisc = zn wissel, verandering
wiscan = ww wisselen, veranderen; ON wisken
wiscfen = wisselveen = veen dat afwisselend droog of nat is en waar geen bomen groeien
wisdom = wijsheid; ON wisdom
wished = wijsheid; AS wieshied
wisian = wijzen; AS wiezen
wisk = bundel gras; AS wisk = snelle beweging
wiss = bundel; ON wisch > gewisse
wissa = bn zeker; AS wis
wissa = zn touw, strop; ON wisse
wissan = wissen, schoonmaken
wisse = bundels > gewisse
wissel = wissel
wisshad = zekerheid
wit = zn fitheid
wit and hroering = fitheid en beweging (Woluspa)
wit (hwit) = bn fit, wit, zuiver; EZ wiss
wit = wit zand
wit = zn weet, kennis, notie, begrip, verstand; ON wit, wet
wita {mv witas} = hij die weet, deskundige, wijze, raadgever
witacre = zandakker
witan (watan, wottan) {wit, wost, witan} = ww weten; AS wieten, wetten
witan = ww wijten, verwijten; AS wieten
witan = zn raad van wita's
witcen = soort oogaandoening; ON witken
with (hwid, mid) = vz met
wither = vz weder, tegen
withinnan = vz binnenin
withutan = vz zonder
witlapp = zeemlap
witlether = zeemleer; ON witleer
witloaf = witlof (# groente)
witmakere = zeemleermaker; ON witmakere
witnes = getuige
witstufar = ASoud witstuver = zuivere stuiver = stuiver met meer zilver dan koper
witu = wet
woaw = wouw (# kruid); ON wouwe; van de bloemen van deze plant wordt gele kleurstof gemaakt
wocor = woeker
wocoran = woekeren
wocore = woekeraar
wod = woede, gekte
Woden = Wodan
wodig = woedend
wodnesdaeg = woensdag; AV Wodans+dag = woensdag
wofull = hoeveel; ASoud wovolle, woevolle
woland = woest drasland; ASoud woeland
wolc (clud) = zn wolk
wolcen = zn wolken
wold = woud, bos, landschap; AS wold
wolde (wolle) = dichtbegroeide, zompige wildernis
wolde = wouw (# plant); ON wouwe, woude
wolle =A wolde; > PgAng/Wolle
wollebeam = wolleboom = moerasboom (# els); > PgAng/Wolleboom
womb = buik, lijf
womm = slecht, misdadig; ON wam
won- = (-wan) = -wan
wondar = woner, bewoner; ASoud wonder
Thyg wondar = bewoner van erve Thyg
wong = vlakte, landbouw
wonge = wang
wonian (wonnan, wunian) = wonen; ASoud wonnen
wonna = woning, genot
wonnacott = woonhut, woonhuis
wonnan = wonen, genieten; ASoud wonnen
word {mv wordes} = woord
wordboc = woordenboek
wordhord = woordenschat, woordenvloed
worgan {worgt, worget, worget} (wergan, wyrgan) = wurgen, vermoorden; ON worghen, wurghen
worget = gewurgd; AS worged
worhona = woerhaan (# korhoen)
worian =A worran
worran = zorgen maken
worrig = bezorgd
wors (wyrs, wers) = slecht, slechter, minder; ON wors, wers
worsan = slechter worden, achteruit gaan
wort = wort = aftreksel van mout
worth (weorth, wyrth) = wierde, weerd, waard; ON wort, worde
Oorspronkelijk: omheind erf met hoeve op heuvel of terp.
woruld = wereld
wos = vocht, sap
wottan (witan) {wot, wost, wottan} = ww weten; AS wetten
NB God wot = God weet
wraca = wrake, afkeuring, verzet
wracan = wraken, afkeuren, verzetten
wradh = wreed
wraenc = wrang = ankerpaal; ON wranc
wraene = bronstig
wrang = bn wrang, verkeerd, fout, slecht
wrang = zn gewrocht, slingerplant, slingerpad, ruw land; AS/AH wrange
NB De Wrange = veld in Harreveld
wreap = sjaal, omslagdoek (# kleding)
wreastlian = ww worstelen
wrec = wrak
wreac (wreke) = zn wraak
wreacan (wrekan) = ww wreken, straffen voortdrijven
wregan = wroegen, beschuldigen
wrege = wroeging
wrekan = wreken, straffen, voortdrijven
wreke = wraak; AS wrake
wrenc = kunstgreep, list
wrencan = bedriegen, belazeren
wrickan = wrikken
wridha = bloemenkrans
wridhan = draaien, wringen
wrigian = richten, wenden
wrih [wrai] = bn scheef, verdraaid
wrih = zn wreef
wringan = wringen, draaien, uitpersen
wrist = gewricht; ON wrist
writan (scrivan) = kerven, schrijven
wrivan = wrijven; AS wrieven
wrocc = zn wrok, haat
wroccan = ww wrokken
wrot (snout) = snuit
wrotan = wroeten
wrungal = wrongel = gedraaide hoofdband; ON wronghel
wu (we, wuh) = we; > we
wud (wudu, weald) = woud, hout; ME wood
wudland = bosland
wudlus (seogbugge) = pissebed (# insect)
wudpiccere = specht; ME woodpecker
wudu =A wud
wudwale = wielewaal (zangvogel); ON wedewale
wudwerc (holtwerc) = houtwerk, houtbewerking
wudwyrm = houtworm; ME woodwurm
wuh (we, wu) = we; > we
wuldur = weldoeër, weldoener
wulf = wolf
wull = wol; ON wulle; AS wulle
wullcomb = wolkam = kam om woldraden te scheiden
wulle (wylle) = zandgrond; ON wulle, weule, woele
wullig = bn wollig, zanderig; ES/Kent wully
wullmaerct = wolmarkt
wulthu = weldoen
wund = wond
wunder = wonder
wunian (eardan, wonian) = wonen
wunnan = ww winnen, verdienen, pachten
wunnacott = pachthuis
wunne =A winne
wunnere = winnaar, pachtboer; AS wunner, wonner
wunung = woning
wurdan (becuman) = ww worden; AS worren
wurwe = vijver; ON wuwer
wusc = zn wens
wuscan (wyscan) = ww wensen
wyn = vreugde, genot, vriend
wynan = ww genieten
wylle =A wulle
wyllig = zanderig
wyrc = zn werk
wyrcan = ww werken
wyrd = noodlot
wyrfan = ww werven
wyrgan (worgan) = wurgen
wyrfal = zn wervel
wyrfalan = wervelen
wyrfalstorm = wervelstorm
wyrfalwind = wervelwind
wyrhta = waard, werker, maker
wyrhtan = ww runnen, werken, maken
wyrm = worm; ON wurm
wyrmcrod (goldrodd) = wormkruid (# kruid tegen wormen)
wyrs (wors, wers) = slecht, slechter, minder; ON wors, wers
wyrst = worst
wyrt = wortel, specerij, kruid; ON wort
wyrtal = zn wortel
wyrtalan = ww wortelen
wyrtalbour = wortelboer
wyrtalsteamp = stampot wortelen (# gerecht); ON wortelstamp
Wyrtgeorne = mansnaam = Vortigern in bron ASC (950nC)
wyrth (weorth, worth) = wierde; AS/Gro/1617 wyrde (vb Upwyrde)
wyscan (wuscan) = wensen
wysci = whisky, levenswater
wyst (weste) = woest, braak, onbebouwd; AS weust; ASoud wost, wust
wysta = zn woeste, woestenij = woest, braak (= onbebouwd) land; AS woeste, weuste; ASoud woste, wuste
wystland (wysta, morland) = woestland, woeste, onontgonnen land; ON wastine
wyting (hwiting) = wijting, witvis; ES/Hastings wyting
 
x::
 
y::
-y = -je (verkleinwoord)
ya = je; > ye
ye = je, jij, jou; AS/Gro je, joe
Oud Engels: ook yi of joe; afgeleid van het Gotisch jus. Ye of you komen ook voor in Geordie, naar zeggen de oudste Anglische taalvorm, gesproken in Bernicia (NO Engeland). Nederlands: je, jou. Noord Gronings: je, joe. Oud Engels thou plechtig gebruikt. Oud Nederlands du normaal gebruikt, Je alleen als beleefdheid. Later vervangt je het du, omdat je gramaticaal makkelijker te hanteren is. (# COD, DAB)
yea = ja
year (gear) = jaar; AS/Gro/oud yaer, iaer
yeargethidan = jaargetijden
yearlics = jaarlijks; ON jaerlix
yfel (eufel, afel, ofel) = euvel, slecht; AS ovel, euvel
yi = je, jij
yict = zn jicht (# aandoening); AS gig
ymb = vz in @
yok (juc, geoc) = juk >A geoc
yon (joen) = jouw; AS/Gro joen
yong [jong] (geong) = jong; ES [jong]
yor (eower) = jouw; ON jouwer; AS/Gro joen
you (yu, ju, jou) = je; ON jou; AS/Gro joe; AS/Gro/oud ju; AS/Bremen joe; >A ye
yowe (euwe) = jouw; ON juwe; AS oewe
yower (eower) = jouwer; >A yor
yrfe (ierfe, aerfe) = erfdeel
Ysel (Ysle, Ysla, Isla, Isle, Isel) = Ysel = rivier in Gelderland en Overijssel
Ysla =A Ysel
Ysle =A Ysel
ysop (isop, peccereat) = hysop (# riet)
yt (it) = ld het; ON it
Ytum (Iotum) = Jutland
yu [ju:] =A you; ON ju; ES [ju:]
yul (jol) = plezier, vrolijkheid, gijn
yulan (jolan) = ww joelen, jolen
yulbeam (jolbeam) = joelboom, kerstboom
Yule = Joel, Joelfeest = Kerstfeest
Yulfeaste (Yule, Jolfeste) = Joelfeest > ZA/PgAng
 
z:: > s::
 

===